Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première Instance de Bruges dd
Jugement du Tribunal de Première Instance de Bruges dd. 06.01.2004, Cause 00/2494/A
FJF 2004/205
Le Courrier Fiscal 2004/339
Taux réduit de 6 pct.
Travaux immobiliers.
Construction neuve.
Résumé
Les travaux de rénovation effectués peuvent bénéficier de l'application du taux réduit de TVA de 6%.
En l'espèce, il est effectivement question d'une rénovation et non d'un nouveau bâtiment. Le tribunal s'appuie à cette occasion sur les éléments suivants:
Les murs porteurs existants ont quasiment été intégralement conservés à l'occasion de la rénovation;
les fondations complémentaires qui ont été réalisées ne servent qu'à renforcer les fondations existantes et étaient nécessaires pour pouvoir doter l'habitation d'un confort moderne;
le nouvel ajustement des pièces a été effectué en démolissant des murs nonporteurs; et le volume de la nouvelle habitation est à peine plus important que celui de l'ancienne ferme.
les plans réalisés à l'occasion des transformations indiquent clairement que les anciens murs porteurs ont été en grande partie conservés.
Texte intégral
Corps de la décision
DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND:
in de zaak AR.nr.00/ 2494/A:
van
de heer D.W., fiscaal jurist en mevrouw H.G., juriste, samenwonende te ...,
eisers,
vertegenwoordigd door meester J.S., advocaat te Kortrijk.
tegen:
de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, waarvan de burelen gevestigd zijn te ... , op vervolging en benaarstiging van
1. de heer e.a. Inspecteur van het BTW - Ontvangkantoor Diksmuide, waarvan de burelen gevestigd zijn te ...,
2. de heer e.a. Inspecteur van het BTW - Ontvangkantoor Oostende, waarvan de burelen gevestigd zijn te ...,
verweerders, hiernagenoemd "verweerder"
vertegenwoordigd door meester J.V.d.P., advocaat te Oudenburg.
I. PROCEDURE
De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 9 december 2003, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.
De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.
De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten:
1. de gedinginleidende dagvaarding van 29 augustus 2000;
2. de conclusie voor eisers van 25 oktober 2000;
3. de conclusie voor verweerder van 15 juni 2001;
4. de conclusie voor eisers van 23 juli 2001;
5. de conclusie voor verweerder van 14 december 2001;
6. de conclusie voor eisers van 8 oktober 2002 en
7 de conclusie voor verweerder van 17 maart 2003.
Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.
II. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. De feiten die relevant zijn voor het geschil
Eisers hebben een oude boerderij gekocht en er een moderne woning van gemaakt.
Vóór ze de werken aan de woning lieten van start gaan, informeerden eisers bij de plaatselijke BTW-administratie naar de voorwaarden voor de toepassing van het verlaagd tarief van 6 procent. In de brief van 9 mei 1996 die zij daartoe verstuurden, legden zij uit dat de buitenmuren als steunmuren zouden behouden blijven met dien verstande dat er aan de buitenkant een nieuwe steen zou tegen gezet worden. Zij vermeldden ook dat de bestaande funderingen bijkomend zouden ondersteund worden door paalfunderingen ter ondersteuning van pilaren die in de oude muur zouden worden aangebracht.
De hoofdcontroleur antwoordt in zijn brief van 12 juni 1996 als volgt.
Onder verwijzing naar uw schrijven van 09/05/1996 in verband met de verbouwing van een hoeve, gelegen te ..., kan ik u mededelen dat, na voorlegging ervan aan dhr. directeur van de BTW te Brugge, de toepassing van het tarief afhankelijk is van de definitieve aard en omvang van de uitvoering der werken.
Het tarief van 6 % is van toepassing indien:
- de renovatiewerken op een relevante wijze steunen op oude dragende muren (inzonderheid de buitenmuren) en meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw (g.a. 6/1986/ §30);
- de eventuele uitbreiding kan worden beschouw als een omvorming d.w.z. voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning en het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk kan functioneren meer het aanvult en er dus inzake aanwending van het gebouw één geheel mee vormt (BTW revue 110 p. 1103).
Uit de voorgelegde stukken en uit de verstrekte gegevens blijkt dat initieel is voldaan aan voornoemde voorwaarden, zodat het verlaagd tarief van 6 % in casu mag worden toegepast. Gelet op het feit dat we hier evenwel te maken hebben met een feitenkwestie kan het toepasselijke tarief slechts definitief worden vastgesteld na de eigenlijke uitvoering der geplande werken.
Het is dan ook wenselijk dat de aard en de omvang ervan tijdens en na de uitvoering van de werken de visu kunnen worden vastgesteld. Ik verzoek u dan ook mij ten gepasten tijde hierover te informeren.
Eisers geven opdracht om de werken uit te voeren en laten hun aannemers facturen tegen het verlaagd tarief van 6 procent.
Diverse keren brengt een BTW-controleur een bezoek aan de werken.
Op 24 december 1997 stuurt de BTW-administratie aan eisers een vraag om inlichtingen met betrekking tot de uitgevoerde werken en dit met het oog op het bepalen van een definitief standpunt.
Op 30 juni 1998 laat de BTW-administratie uiteindelijk weten dat op 19 juli 1997 beslist werd door de Gewestelijke Directeur van de BTW om de werken aan het gewoon BTW-tarief te onderwerpen.
Daarin werd voor een bedrag van 1.141.998 frank (28.309,39 euro) BTW verschuldigd verklaard.
Op 12 april 2000 hebben eisers de nagevorderde BTW betaald onder alle voorbehoud om op die manier een dwangbevel met de bijkomende boeten te vermijden.
Op 22 augustus 2000 maakt de BTW-controle een proces-verbaal op waarin naast de BTW ook een verminderde proportionele boete van 10 procent of 114.000 frank (2.2825,99 euro) verschuldigd wordt verklaard.
Met een dagvaarding van 29 augustus 2000 stelden eisers hun huidige vordering in.
2. De vorderingen van de partijen
Eisers vorderen dat de rechtbank de terugbetaling aan hen zou bevelen van de ten onrechte betaalde sommen, vermeerderd met de moratoire interest vanaf de dag der betaling en met de gerechtelijke interest vanaf de dagvaarding.
Eisers vragen bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten.
Verweerder vordert dat de vordering van eisers door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eisers zouden verwezen worden in de gerechtskosten.
III. BEOORDELING
1. De ontvankelijkheid van de vordering
Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.
2. De grond van de vordering
2.1.
Eisers voeren aan dat het verlaagd tarief toepasselijk is omdat zij de oude woning slechts omgevormd en verbeterd hebben. Van nieuwbouw zou geen sprake zijn. De wetgever zou het verlaagd tarief hebben ingevoerd om enerzijds het bouwbedrijf en anderzijds om de renovatie van oude gebouwen te stimuleren. Daarom zou een ruime opvatting over omvorming en verbetering moeten gehanteerd worden.
Volgens eisers blijkt uit de vergelijking van de plannen van de oude en de nieuwe toestand dat de verbouwingswerken niet gepaard gingen met enige wijziging van de hoofdstructuur en dat slechts een kleine volume-uitbreiding plaats vond in de keuken. De buitenmuren zouden volledig behouden zijn met uitzondering van een deel van de achtermuur waar ramen werden geplaatst en een stuk muur ter hoogte van de keuken. Verder werd de nieuwe indeling volgens hen bekomen door de houten stijlmuren weg te nemen.
De paalfunderingen zouden slechts een vorm van verbetering van de woning zijn.
De betonnen gewelven die de plankenvloer van de eerste verdieping vervangt, zou slechts op enkele punten op in de oude muren ingewerkte steunpilaren steunen maar voor het overige op de oude muren.
Eisers suggereren, ingeval van twijfel, een plaatsbezoek te houden.
Minstens moet het verlaagd tarief naar het oordeel van eisers behouden blijven omdat anders het vertrouwens- en het rechtzekerheidsbeginsel geschonden zou zijn. Zij voeren aan dat de BTW-administratie vóór de werken en tijdens de werken steeds de stellige indruk heeft gewekt dat de werkzaamheden als een omvorming en verbetering van de bestaande woning zou beschouwd worden en dus aan het verlaagd tarief zou onderhevig zijn.
Wat de interest betreft, vorderen eisers terugbetaling vanaf de betaling omdat verweerder te kwader trouw was. Eisers achten de artikelen 1235 en 1379 tot 1381 van het Burgerlijk Wetboek toepasselijk.
Minstens zou artikel 1354 B.W. moeten toegepast worden om evenzeer de interest vanaf de datum van betaling toe te kennen. De brief van eisers die de betaling begeleidde zou als een ingebrekestelling tot terugbetaling moeten beschouwd worden die de interest deed lopen.
Subsidiair voeren eisers aan dat zij geen administratieve boete verschuldigd zijn. In eerste orde stellen zij dat het in strijd is met artikel 6.1 E.V.R.M dat de administratie het al dan niet opvorderen van de boete afhankelijk stelt van het aanvaarden van de correctieopgave en dus van het niet aanhangig maken van een gerechtelijke procedure. Deze werkwijze zou de toegang tot het gerecht belemmeren.
Nog meer subsidiair voeren eisers aan dat de boete niet aangepast is aan de concrete situatie, een strafrechtelijk karakter heeft en daarom moet verminderd worden, zelfs om redenen van opportuniteit.
2.2.
Verweerder verwijst naar de diverse plaatsbezoeken en het proces-verbaal van 22 augustus 2000. Daaruit zou blijken dat de woning in feite stelselmatig, stuk voor stuk volledig werd vernieuwd, hoewel er nooit een volledige afbraak is geweest. De woning zou daarom, anders dan wat aanvankelijk de bedoeling was, volledig nieuw zijn.
De renovatiewerken steunen volgens verweerder niet op een relevante wijze op de oude dragende muren, noch op de wezenlijke elementen van de structuur van het oude gebouw.
Dat lijdt hij ten eerste af uit de vaststelling dat er in de oude dragende muren zuilen zijn ingewerkt die gedragen worden door een bijkomend aangebrachte en dus nieuwe paalfunderingen. Ten tweede wijst verweerder erop dat er nieuwe gewelven werden gebracht.
In de derde plaats steunt verweerder zich op de stelling dat de woning quasi volledig werd afgebroken en dat alleen nog een deel van de buitenmuren behouden is: de keuken is volledig nieuw gebouwd en de binnenindeling is volledig nieuw, de vloer werd verhoogd en de slaapkamers zijn niet langer beneden maar boven.
Wat van de woning werd behouden is volgens verweerder verwaarloosbaar.
Verweerder acht de artikelen 1376 tot 1381 B.W. niet toepasselijk. Dat zou voortvloeien uit artikel 91, § 4 W. BTW dat niets anders dan een toepassing zou zijn van artikel 1153 B.W. Daarom zou de interest pas kunnen lopen vanaf de aanmaning tot betaling, wat volgens verweerder niet eerder dan met de dagvaarding gebeurde. Een aanmaning moet naar het oordeel van verweerder een duidelijke formele aanspraak op (terug-)betaling inhouden en aan die voorwaarden zou de brief van eisers die hun betaling onder voorbehoud begeleidde, niet beantwoorden.
Minstens zou artikel 1378 B.W. niet toepasselijk zijn omdat verweerder niet te kwader trouw zou geweest zijn bij de ontvangst van de betaling.
Verweerder ontkent dat zijn verhouding in strijd zou zijn met enig gewekt vertrouwen omtrent het recht van eisers op de toepassing van het verlaagd BTW-tarief. Hij wijst erop dat er van bij het begin voorbehouden gemaakt was voor de concrete effectieve uitvoering van de werken. Omdat de woning in feite stuk voor stuk zou zijn afgebroken en dit aanvankelijk niet zo gepland was, stelt verweerder dat hij het recht had het juiste tarief toe te passen.
Met betrekking tot de boete stelt verweerder dat deze in wezen van rechtswege verschuldigd is. Op kwijtschelding zou de belastingplichtige daarom geen recht hebben en het zou hem wel kunnen gegund worden als hij akkoord is met een minnelijke regeling omdat een minnelijke regeling de administratie veel tijd en personeelskosten doet besparen.
Er zou verder ook geen reden zijn om de boete te verminderen vermits ze in overeenstemming is met de wettelijke barema's.
2.3. Beoordeling
2.3.1. Het toepasselijke tarief
De discussie is niets anders dan een feitenkwestie. De versies van de partijen steken schril af tegen mekaar: voor verweerder is er nauwelijks iets behouden en voor eisers is het wezenlijke gebleven.
Eisers willen gebruik maken van een verlaagd tarief en dus van een uitzondering. In die omstandigheden dragen zij de bewijslast.
De rechtbank leidt uit de documenten af dat het oude hoevegebouw eigenlijk alleen steunmuren aan de buitenkant had. Op enkel plaatsen hadden die buitenmuren een vertakking naar binnen die als het ware 'beren' vormden. Tussen die 'beren' waren er geen dragende muren. De scheidingen tussen slaapkamers en de living evenals de scheiding tussen de inkomhal en de living waren met houten stijlmuren gemaakt.
Het wegnemen van die stijlmuren waardoor de indeling wijzigt, is geen wijziging van de wezenlijke elementen van de structuur van het oorspronkelijke gebouw.
De buitenmuren werden vrijwel integraal behouden, met inbegrip van die dragende 'beren'. Het vervangen van een stuk (dragende) buitenmuur door een groot raam, is een verbetering ten gunste van het moderne leefcomfort (meer natuurlijk licht).
Ook de bovenverdieping werd in wezen alleen verbeterd om er naar moderne normen te kunnen nuttig gebruik van maken. Er was een plankenvloer die steunde op houten dwarsbalken (gewelven). De vervanging door betonnen of staltongewelven was nodig om de bovenverdieping te kunnen duurzaam gebruiken, namelijk voor slaapkamers en een badkamer.
Het volledig vervangen van een oude dakkap is evenzeer een zuivere verbetering van een woning. Dat is pure renovatie. Dat er geen nieuwbouw vermits de uitvoering en maten volledig gedetermineerd blijven door de structuur van het oude gebouw. In wezen kan gesteld worden dat, mocht de oorspronkelijke dakkap in voldoende deugdelijke materialen zijn opgetrokken waardoor ze tand des tijd had weerstaan, een vervanging van het lattenwerk zou volstaan hebben om hetzelfde resultaat als nu te bekomen.
Het is onmiskenbaar dat het aanbrengen van de bijkomende funderingen ter ondersteuning van in de oude buitenmuren ingewerkte pilaren nodig was om zonder risico het gewicht van de zwaardere betonnen gewelven en de opbouw met het nieuwe (ook zwaardere dak) te kunnen dragen. Dat doet nochtans niets af van het feit dat de dragende muren nog steeds hun oorspronkelijke functie behouden hebben. De bijkomende pilaren zijn slechts een (weliswaar noodzakelijke) hulp voor de ondersteuning van de bovenverdieping en de kapconstructie.
Tenslotte blijkt dat de bijkeukenannex volledig werd afgebroken en vervangen door een enigszins grotere ruimte die nu als keuken diens doet. Daarvoor werd ook een stukje van de dragende buitenmuur opgeofferd, maar dat is in het geheel van de oorspronkelijke dragende muren en de wezenlijke elementen van de structuur, te verwaarlozen.
Dat een annex zonder comfort vervangen wordt door een volledige nieuwbouw, is geen beletsel voor de kwalificatie als 'omvorming' of 'renovatie'. Er kan worden aangenomen, zoals eisers stellen, dat dit een oud hok was. De wetgever heeft met het invoeren van het verlaagd tarief onder andere de sanering van oude gebouwen willen aanmoedigen.
Hoe dan ook is het volume van de actuele woning nauwelijks groter dan deze van de oude hoeve.
Verweerder stelt daar tegenover wel dat eisers alles stukje bij stukje door nieuwe elementen vervangen hebben, maar deze stelling vindt geen steun in de voorliggende stukken. Op één van de plannen die verweerder voorlegt, is zelfs vast te stellen dat de oude dragende muur nog grotendeels behouden zijn (gearceerde stukken). De processen-verbaal van vaststellingen die zijn opgemaakt in de loop van de werken geven geen enkele keer weer dat die oude muren zouden vervangen zijn door nieuwe metselwerk.
Vermits de dragende muren vrijwel geheel behouden zijn en de bijkomende funderingen alleen bijkomende steun bieden en nodig zijn om de woning voor hedendaags comfort bruikbaar te maken zonder noemenswaardige volumevermeerdering en de herindeling slechts grotendeels het gevolg is van het verwijderen van niet-dragende muurgedeelten, vallen de werken wel degelijk onder het begrip 'omvorming, renovatie, rehabilitatie en verbetering' zoals voorzien in het KB nr. 20, tabel A, rubriek XXXI, § 1, 1, waarvoor het verlaagd tarief van 6 procent toepasselijk is.
Wat dat betreft is de vordering van eisers gegrond. Er is geen bijkomende BTW verschuldigd en evenmin een boete.
2.3.2 De interest
Eisers hebben recht op terugbetaling van de door hen onder voorbehoud betaalde BTW. Overeenkomstig artikel 91, § 4 W. BTW is op dergelijke terug te betalen sommen moratoire interest verschuldigd tegen de rentevoet in burgerlijke zaken en met inachtneming van de ter zake geldende regelen.
Ten onrechte begrijpt verweerder die bepaling in die zin dat alleen artikelen 1153 en 1154 B.W. zoude toepasselijk zijn. Vermits artikel 91, § 4 W. btw letterlijk de regels van het burgerlijk recht toepasselijk maakt, is er geen enkele mogelijkheid om het burgerlijk recht te beperken tot de artikelen 1153 en 1154 B.W., nu er ook nog andere artikelen van het burgerlijk recht zijn die handelen over interest ingeval van terug te betalen sommen.
2.3.2.1 Artikel 1378 B.W.
Eisers kunnen bijgevolg beroep doen op artikel 1378 B.W. dat voorziet dat ingeval terugbetaling van onverschuldigde betaling interest verschuldigd is vanaf de datum van betaling in het geval de ontvanger te kwader trouw was.
Het preekt voor zich dat het gaat om de kwade trouw op het moment van het ontvangen van het geld. Kwade trouw is een subjectieve toestand die in de betreffende context slaat op het bewustzijn bij de ontvanger dat het bedrag dat aan hem wordt overgemaakt, niet voor hem bestemd is of door hem niet kan behouden worden. De achterliggende gedachte is dat de ontvanger in dat geval in wezen zelf het initiatief had moeten nemen om het geld onmiddellijk terug te bezorgen. In de gegeven omstandigheden is van dergelijke kwade trouw bij verweerder geen sprake. Verweerder had immers in briefwisseling uiteen gezet waarom ze van eisers het betaalde bedrag wilde ontvangen. Op dat moment was verweerder er onbetwist van overtuigd dat de betaling aan haar moest toekomen.
2.3.2.2. Artikel 1154 B.W.
Dat artikel is in elk geval toepasselijk zodat de interest verschuldigd is vanaf de 'aanmaning'.
Eisers kunnen niet gevolgd worden in hun stelling dat hun brief die hun betaling begeleidde, als een aanmaning in de zin van artikel 1154 B.W. zou kunnen beschouwd worden. Een ingebrekestelling of aanmaning moet inhoudelijk een voldoende duidelijke en dwingende aanspraak formuleren waardoor de geadresseerde moest beseffen dat eisers onmiddellijk wilden terugbetaling ontvangen. De brief van eisers van 11 september 1998 (stuk 9 verweerder) vermeldt wel dat de betaling zal gebeuren onder voorbehoud van alle rechten en teneinde een dwangbevel te vermijden, maar een vraag tot (terug-) betaling wordt er niet in geformuleerd. Eisers stellen zelfs een inzage in het dossier, gevolgd door het opstellen van een gemotiveerd dossier en een persoonlijk pleidooi voor de Gewestelijke Directeur.
Bij gebreke aan eerdere aanmaning is de interest door verweerder pas verschuldigd vanaf de gedinginleidende dagvaarding, zijnde vanaf 29 augustus 2000.
3. De gerechtskosten
Verweerder wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet hij de gerechtskosten dragen.
Dispositif
IV. UITSPRAAK
De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.
Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk en als volgt gegrond.
De rechtbank beveelt verweerder over te gaan tot terugbetaling van het bedrag dat door eisers werd betaald, namelijk 28.309,39 euro (1.141.998 frank) vermeerderd met de moratoire gerechtelijke interest vanaf 29 augustus 2000 tot op datum van de effectieve terugbetaling en dit aan de wettelijke rentevoet.
De rechtbank verwijst verweerder in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast:
aan de zijde van eisers:
- dagvaarding: 61,20 euro
- rechtsplegingsvergoeding: 342,09 euro
terwijl de kosten aan de zijde van verweerder niet moeten vastgesteld worden vermits ze door hem zelf moeten gedragen worden.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op zes januari tweeduizend en vier.
De rechtbank is als volgt samengesteld:
D.V., alleenrechtsprekend rechter
A.V., griffier
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.