Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Corps de la décision
ARRET B 01/4
Arrêt de la Cour d'appel de Bruxelles dd. 15.11.2001
Tarif - Camionette
A une époque, il existait un taux réduit de TVA de 19% qui s'appliquait à la livraison de camionnettes et aux prestations de services y afférentes. Le taux applicable aux voitures mixtes était par contre le taux normal de 25%. Le taux réduit n'était effectivement applicable qu'aux camionnettes exclusivement destinées au transport de marchandises. Il n'est toutefois pas requis que le véhicule ait été transformé de façon irréversible pour servir au transport de marchandises.
eerste kamer
Voorzitter: Dhr. Verougstraete
Raadsheren: Dhr. Bourgois, Dhr. Londers, Dhr. Dirix, Dhr. Van Hoogenbemt
Griffier: Dhr. Van Geem
Partij: F.G. t. De Belgische Staat
HET HOF,
Gehoord het verslag van raadsheer Londers en op de conclusie van advocaat-generaal Bresseleers;
Gelet op het bestreden arrest, op 11 maart 1998 gewezen door het Hof van Beroep te Gent;
Over het middel, gesteld als volgt:
schending van rubriek I, cijfer 1, van tabel C van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970, in de tekst van kracht in de jaren 1984 en 1985, zoals bepaald bij het koninklijk besluit van 26 september 1980, terzake toepasselijk krachtens artikel 1 van het voormeld koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970, gewijzigd bij koninklijk besluit van 16 november 1982, en artikel 37 van de wet van 3 juli 1969 houdende invoering van het Wetboek van de Belasting op de Toegevoegde Waarde, § 1 zoals gewijzigd bij de wet van 23 juli 1981 en § 2,
doordat het arrest waarbij de uitspraak van de eerste rechter hervormd wordt en het verzet van verweerder gegrond wordt verklaard,
na een overzicht van de toepasselijke wetgeving en administratieve onderrichtingen,
eerst oordeelt dat, ten tijde van de verkoop van de betrokken voertuigen, door de administratie niet werd geëist dat de ombouwing van de voertuigen onomkeerbaar diende te zijn om te kunnen genieten van het B.T.W.-tarief van 19 pct.,
en deze beoordeling uit de volgende overwegingen afleidt:
«(Eiser) betwist niet dat in de aanschrijvingen welke golden in het jaar 1985, niet uitdrukkelijk was bepaald dat de ombouwing van de voertuigen onomkeerbaar diende te zijn om te kunnen genieten van het lager B.T.W.-tarief: (hij) houdt wel voor dat de conceptie van het voertuig derwijze diende te zijn dat het enkel voor goederenvervoer kon dienen.
De administratieve aanschrijving nr. 5 van 2 mei 1980 verwees naar het proces-verbaal van goedkeuring van het ministerie van Verkeerswezen en de voertuigen waaromtrent betwisting bestaat werden als lichte vrachtwagen erkend door dit ministerie.
Deze aanschrijving schreef ook niet voor dat de ombouwing van een voertuig dat kon dienen voor personenvervoer tot voertuig dat uitsluitend dienstig was voor goederenvervoer, definitief en onomkeerbaar diende te zijn: deze veel strengere voorwaarde kwam pas tot uiting in de aanschrijving van 11 september 1987.
Ook de afhandeling van het huidig dossier toont aan dat de administratie in 1985 niet eiste dat de ombouwing van de voertuigen onomkeerbaar diende te zijn: uit de voorgelegde stukken en conclusies blijkt immers dat werd afgezien van de oorspronkelijke eis inzake de verkoop aan F., die een identiek voertuig had gekocht tegen het verminderd B.T.W.-tarief maar die zich (jaren later) in regel had gesteld, te weten op het ogenblik waarop hij het voertuig wenste te gebruiken voor personenvervoer; en ook voor het gelijkaardig voertuig dat (verweerder) voor eigen gebruik had onttrokken werd afgezien van enige vordering, hoewel vaststaat dat deze voertuigen werden aangeschaft onder dezelfde voorwaarden en in dezelfde toestand als deze waarvoor een aanvullende belasting wordt gevorderd.
En tenslotte betwist de administratie niet dat ook niet werd opgetreden tegen de andere garagisten die voertuigen van hetzelfde model, en in dezelfde voorwaarden, hebben verkocht met toepassing van het B.T.W.-tarief van 19 pct.»;
Verder vaststelt dat de voertuigen omgebouwd werden, waarmee wordt bedoeld de verwijdering van de achterbank, en wel dat zij omgebouwd waren op het ogenblik van de verkoop, hetgeen de bodemrechter aanneemt:
«niet alleen omdat een daarmee overeenstemmend gelijkvormigheidsattest was afgeleverd, maar vooral omdat de voertuigen noodzakelijkerwijze dienden aangeboden te worden bij de automobielinspectie welke diende na te zien of ze beantwoordden aan de gestelde eisen. De bewering van de administratie als zou de automobielinspectie deze voertuigen gekeurd hebben zonder enig nazicht, is niet bewezen en komt ongeloofwaardig voor»,
en bovendien oordeelt:
«De omstandigheid dat bij een controle, drie jaar na de verkoop werd vastgesteld dat de achterzitbank aanwezig was, bewijst geenszins dat deze ook aanwezig was op het ogenblik van de verkoop. En die verklaring welke de eigenaars hebben afgelegd ten overstaan van de controleur (te weten dat het voertuig niet werd gewijzigd na de aankoop) bezit geen bijzondere bewijskracht en is niet geloofwaardig daar zij strijdig is met de verklaringen welke zij hebben ondertekend voor de verkoop en ze ook niet verenigbaar is met de erkenning door de automobielinspectie»;
Om aldus tot het besluit te komen dat «er moet worden aangenomen dat de voertuigen beantwoordden aan de eisen welke door de administratie werden gesteld ten tijde van de verkoop, zodat terecht het verlaagd B.T.W.-tarief werd toegepast»;
En op die gronden het verzet van verweerder tegen het dwangschrift dat hem tot invordering van deze belasting werd betekend, gegrond verklaart,
terwijl krachtens de terzake toegepaste reglementaire bepalingen, de belasting tegen het tarief van 25 pct. gold als algemeen tarief voor de levering van automobielen voor personenvervoer langs de weg, daaronder begrepen de voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen,
De in deze tekst gebruikte uitdrukking «kunnen» noodzakelijk impliceert dat de loutere mogelijkheid om een voertuig ook voor het vervoer van personen te gebruiken, volstaat om het tarief van 25 pct. toepasselijk te maken;
Zulke mogelijkheid ook bestaat wanneer het voertuig, door een eenvoudige aanpassing zoals de verwijdering van de achterbank, dienstig werd gemaakt voor goederenvervoer, zolang niet blijkt dat deze verwijdering onomkeerbaar is en dat de achterbank niet kan teruggeplaatst worden;
Het feit dat de ombouwing van een bepaald voertuig omkeerbaar is, noodzakelijk impliceert dat de mogelijkheid bestaat om dit voertuig opnieuw voor personenvervoer te gebruiken;
De tekst aldus slechts toelaat het gewone tarief, toen 19 pct., in plaats van het verhoogde tarief van 25 pct. toe te passen indien blijkt dat de verrichte ombouwing onomkeerbaar is;
De vaststelling dat een voor personenvervoer bruikbaar voertuig omgebouwd werd om voor goederenvervoer te dienen, wanneer niet vastgesteld wordt dat deze ombouwing onomkeerbaar is, kan bijgevolg niet volstaan om van de toepassing van het algemeen tarief van 25 pct. af te wijken;
En terwijl het feit dat administratieve onderrichtingen tijdens een bepaalde periode minder nauw bij de tekst aangesloten waren, geen bron van recht kan uitmaken, vooral wanneer blijkt dat deze houding aanleiding gegeven heeft tot misbruiken;
En terwijl, uit de vaststellingen van de bodemrechter, enerzijds blijkt dat de voertuigen omgebouwd werden voor de verkoop, daarmee enkel de verwijdering van de achterbank bedoelend, en anderzijds dat bij een latere controle de achterzitbanken terug aanwezig waren;
Waaruit noodzakelijk moet afgeleid worden dat de ombouwing van de voertuigen niet onomkeerbaar was, en dat het ging over voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen,
zodat het arrest slechts met miskenning van het terzake toepasselijk voorschrift heeft kunnen beslissen, op grond van een eerste ombouwing ten tijde van de verkoop en ongeacht de mogelijkheid en realisatie van een latere ombouwing in omgekeerde zin, dat het verlaagd tarief op de bestreden leveringen mocht worden toegepast (schending van al de in de aanhef van het middel aangeduide bepalingen):
Overwegende dat, krachtens het te dezen toepasselijke artikel 1, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij de tarieven, de BTW geheven wordt tegen het tarief van 25 pct. voor de goederen en diensten aangewezen in tabel C van de bijlage van dit besluit;
Dat aldus, krachtens rubriek I, 1, van vermelde tabel C, de automobielen voor personenvervoer langs de weg, daaronder begrepen de voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen, onderworpen zijn aan het tarief van 25 pct.;
Overwegende dat, krachtens het te dezen toepasselijke artikel 1.4°, van vermeld koninklijk besluit, op alle andere goederen en diensten dan deze omschreven in de tabellen A, B en C van de bijlage, de BTW wordt geheven tegen het tarief van 19 pct.;
Dat dit aldus het geval is voor een lichte vrachtwagen die uitsluitend bestemd is voor goederenvervoer;
Overwegende dat het arrest vaststelt dat:
1.de door verweerder verkochte voertuigen werden gefactureerd als lichte vrachtwagen met aanrekening van het BTW-tarief van 19 pct.;
2.de kwestieuze voertuigen op het ogenblik van de verkoop waren omgebouwd door de verwijdering van de achterbank;
3.de kopers de voertuigen gebruikten voor beroepsdoeleinden, meer bepaald voor het vervoer van goederen;
4.bij een latere controle is gebleken dat die achterbank teruggeplaatst was;
Dat het arrest op grond hiervan aanneemt dat de ombouw van de voertuigen niet onomkeerbaar was;
Dat het arrest vervolgens oordeelt dat nu ten tijde dat de kwestieuze voertuigen werden verkocht de administratie niet eiste dat de ombouw van de voertuigen voor personenvervoer tot voertuigen uitsluitend bestemd voor goederenvervoer onomkeerbaar zou zijn, verweerder terecht het tarief van 19 pct. heeft toegepast;
Overwegende dat het arrest door aldus te oordelen dat een voertuig bestemd voor personenvervoer langs de weg, dat op het ogenblik van de verkoop op niet-onomkeerbare wijze werd omgebouwd tot een voertuig dat voor goederenvervoer kan dienen, niet moet aangezien worden als een voertuig dat zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kan dienen en dat aan het BTW-tarief van 25 pct. is onderworpen, zijn beslissing niet naar recht verantwoordt;
Dat het middel gegrond is;
Dispositif
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden arrest;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest;
Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent over aan de feitenrechter;
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.