Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 07.01.2013
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hiernavolgend vonnis verleend :
In de zaak 11/3234/A Rep. nr. 2013/193
NV E. T., met zetel te …, …, RPR Kortrijk BE …
eiseres,
voor wie optreedt Meester J. S. en S. V., beiden advocaat te …, … - (ref …);
tegen :
BELGISCHE STAAT- FOD FINANCIËN, vertegenwoordigd door de Ontvanger van het eerste BTW-Ontvangkantoor Kortrijk, Invordering-Sector BTW met kantoren te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31
verweerder,
voor wie optreedt Mevrouw M. V., e.a. Inspecteur bij een fiscaal kantoor.
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het inleidend verzoekschrift d.d. 27 oktober 2011.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 10 december 2012.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW registratienummer BE …, voor de activiteit van de verwerking van textielproductie. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTWwetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
In mei 2010 werd door M. V., eerstaanwezend inspecteur bij de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit te Kortrijk, een controle uitgevoerd bij eiseres op over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 1 januari 2007 tot 31 december 2008.
Na onderhandelingen tussen partijen wordt op 23 november 2010 een regularisatieopgave opgesteld waarbij eiseres akkoord is met een aantal posten (1, 2, 3, 5 en 6) voor en bedrag van 203.901,39 EUR aan BTW en waarbij post 4 (onterechte uitoefening van teruggaaf) betwist blijft t.b.v. 267.915,77 EUR.
Op 3 december 2010 werden de overtredingen en vaststellingen voor 2007 opgenomen in een proces-verbaal door voormelde ambtenaar. Volgens de administratie heeft eiseres onterecht teruggaaf van BTW verkregen t.b.v. 465.225,35 EUR. Eiseres is akkoord 197.309,58 EUR terug te betalen. In het proces-verbaal is opgenomen dat eiseres verschuldigd is als BTW 267.915,77 EUR, als proportionele geldboete 26.790,00 EUR en intresten vanaf 21 januari 2009.
Op 9 december 2010 werd op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ambtenaar van het BTW-ontvangkantoor te Kortrijk een dwangbevel uitgevaardigd.
Voormeld dwangbevel werd op 10 december 2010 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door M. C., gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde te Brugge. Dit dwangbevel werd op 15 december 2010 aangetekend ter kennis gebracht van eiseres.
Eiseres heeft het betwiste bedrag betaald op 22 december 2010.
Op 7 januari 2011 heeft eiseres een bezwaar ingediend tegen het vermelde procesverbaal en heeft zij een kwijtschelding gevraagd van de boete en de intresten op het niet-betwiste gedeelte van de BTW. Aanvullende bezwaarschriften worden ingediend op 20 mei en 2 september 2011.
Bij beslissing d.d. 4 oktober 2011 wordt het bezwaar afgewezen wat betreft de boete. Bij beslissing d.d. 13 oktober 2011 wordt het verzoek tot kwijtschelding van de intresten afgewezen.
Op 27 oktober 2011 heeft eiseres een verzoekschrift neergelegd tot terugbetaling van de sommen die op grond van het proces-verbaal werden geïnd.
2. Eiseres vraagt dat :
- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;
- de tenuitvoerlegging wordt gestuit van het dwangbevel d.d. 9 december 2010 in de mate dat het betrekking heeft op post 4 van de regularisatieopgave;
- het dwangbevel in vermelde mate wordt vernietigd;
- verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling aan eiseres van alle op grond van het dwangbevel onterecht geïnde bedragen, te verhogen met de moratoriumintresten;
- de beslissing d.d. 4 oktober 2011 wordt vernietigd dan wel opgeschort en kwijting, minstens vermindering, wordt verleend van de boete m.b.t. de niet betwiste bedragen;
- de beslissing d.d. 13 oktober 2011 wordt vernietigd dan wel opgeschort en voor recht wordt gezegd dat de intresten niet zijn verschuldigd;
- verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 5.500 EUR.
3. Verweerder vraagt dat de vordering van eiseres ongegrond wordt verklaard en eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.
III. BEOORDELING
A. Betreffende de toelaatbaarheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.
B. Betreffende de grond
1. teruggaaf van BTW
1.1. Tussen eiseres en NV D. F. (een vennootschap in financiële problemen) werd op 3 oktober 2006 een onder aannemingsovereenkomst afgesloten waarbij NV D. F. tussen 2 november 2006 en 20 december 2006 loonwerkopdrachten zou uitvoeren voor eiseres. Op 20 november 2006 werden de aandelen van NV D. F. overgenomen door NV E., de moedervennootschap van eiseres. Na de overname van de aandelen wordt tussen NV D. F. en eiseres niet meer samengewerkt volgens het loonwerksysteem. Tussen eiseres en NV D. F. wordt een consignatieovereenkomst afgesloten, waarbij eiseres de grondstoffen aankoopt en levert aan NV D. F. die ze verwerkt en verkoopt. Ingevolge de overeenkomst worden de grondstoffen door eiseres pas verkocht aan NV D. F. wanneer deze verwerkt zijn. Op 11 januari 2007 hebben eiseres, NV D. F. en NV B. I. met NV F. C. F. een factorovereenkomst afgesloten waarbij Fortis 85 % voorfinanciert van de aan Fortis gecedeerde facturen. Begin 2007 heeft eiseres aan NV D. F. voorschotten verleend t.b.v. 626.121,00 EUR (hierop is geen BTW verschuldigd). In maart, april en juni 2007 heeft Fortis 1.763.000 EUR gestort aan eiseres. Voor de levering van grondstoffen aan NV D. F. in de periode van januari tot mei 2007 heeft eisers 10 facturen opgemaakt voor een totaal bedrag van 5.198.282 EUR, plus BTW t.b.v. 902.181, 18 EUR. Bij vonnis d.d. 8 juni 2007 van de Rechtbank van Koophandel te Doornik werd NV D. F. failliet verklaard. Op 6 juli 2007 heeft eiseres een aangifte van schuldvordering in het faillissement gedaan. Daarin is opgenomen 626.121 EUR voor een schuld die voortvloeit uit een rekening-courant van NV D. F. t.a.v. eiseres en 2.517.697,89 EUR (inclusief 436.955,83 EUR BTW) betreffende het nog openstaande saldo van de vermelde facturen.
De BTW op de facturen van eiseres aan NV D. F. werd door eiseres voldaan in de BTW-aangiften van mei en juni 2007. Deze BTW werd onmiddellijk en volledig teruggevraagd door eiseres in dezelfde aangiften en dit naar aanleiding van het faillissement van NV D. F..
1.2. De betwisting tussen partijen heeft betrekking op de toepassing van artikel 77, § 1, 7° W.BTW en op de vraag in welke mate de stortingen van Fortis (1.763.000 EUR) eerst dienen aangerekend te worden op de voorschotten van eiseres aan NV D. F. (626.121 EUR) dan wel eerst op de facturen van eiseres aan NV D. F. (5.198,282 EUR).
Conform artikel 77, § 1, 7° W.BTW wordt de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag teruggegeven wanneer de schuldvordering van de prijs geheel of ten dele verloren is gegaan.
Er is geen betwisting omtrent het feit dat eiseres ingevolge het faillissement van NV D. F. recht heeft op teruggaaf van de BTW op de facturen voor levering van de grondstoffen in de mate dat deze facturen niet werden betaald. De vraag is in welke mate de facturen niet werden betaald.
1.3. Uit de aangifte van schuldvordering door eiseres in het faillissement van NV D. F. blijkt dat het bedrag van de voorschotten (626.121 EUR) nog openstaand was en dat wat betreft de facturen nog 2.517.697,89 EUR (inclusief 436.955,83 EUR BTW) nog openstaand was. Uit het dossier blijkt dat eiseres zich voor het indienen van de aangifte van schuldvordering heeft laten bijstaan door advocaten. De schuldvordering werd niet betwist door de curatoren van NV D. F..
Ook in de boekhouding van eiseres is het bedrag van de verleende voorschotten (626.121 EUR) nog openstaand op datum van het faillissement (hieromtrent is geen betwisting).
In strijd met haar boekhouding en de aangifte van schuldvordering tracht eiseres nu te stellen dat de betaling van Fortis t.b.v. 1.763.000 EUR eerst diende aangerekend te worden op de verleende voorschotten en pas dan op de facturen en dit verwijzende naar artikel 1256 B.W. en de concrete omstandigheden.
De reden waarom Fortis van maart tot mei 2007 in totaal 1.763.000 EUR heeft betaald aan eiseres, is de rechtbank niet bekend. In besluiten stelt eiseres enkel dat dit is gebeurd in samenspraak met NV D. F. en dat het betaalde bedrag 30 % is van de voorfinanciering (ten belope van 85 %). Feit blijft dat eiseres de van Fortis ontvangen bedragen boekhoudkundig niet heeft aangerekend op de door haar verleende voorschotten. Dit blijkt ook uit de aangifte van schuldvordering d.d. 6 juli 2007. NV D. F. en de curatoren waren ook akkoord met deze aanrekening.
Het feit dat op moment van de betalingen door Fortis de enig openstaande schulden de door eiseres verleende voorschotten waren, is niet relevant. Eiseres heeft de aanrekening op de voorschotten gewoon niet gedaan.
Artikel 1256 B.W. is in casu niet van toepassing. Schuldenaar en schuldeiser hebben namelijk afgeweken van de manier van aanrekenen opgenomen in artikel 1256 B.W.. Alhoewel NV D. F. op de hoogte was van de manier van aanrekenen, is er geen enkel protest gekomen. NV D. F. was dus akkoord.
Onbelangrijk is ook niet het feit dat eiseres 6 van de 10 facturen laattijdig heeft opgemaakt (wat niet betwist wordt door eiseres), waardoor zij zelf (in samenspraak met NV D. F. ?) de openstaande schuldvordering heeft verschoven in de tijd.
1.4. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres slechts recht op teruggaaf had t.b.v. 436.955,83 EUR, waarvan nog 267.916,77 EUR is opgenomen in het dwangbevel.
2. boete m.b.t. niet betwiste bedragen
2.1. Ingevolge de regularisatieopgave d.d. 23 november 2010 heeft eiseres een bedrag van 203.901,39 EUR niet betwiste BTW betaald. Er werd een boete opgelegd t.b.v. 20.490 EUR.
2.2. Een boete t.b.v. 20.490 EUR heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).
Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.
2.3. Uit de regularisatieopgave blijkt dat eerste eiseres onterecht BTW had afgetrokken (541,10 EUR op 7 facturen, materiële vergissingen), onterecht geen BTW had berekend op voordelen van alle aard (4.115,14 EUR over 2 jaren), verschuldigde BTW niet heeft opgenomen en anderzijds onterecht afgetrokken (4.717,47 EUR, fout in de software) en onterecht teruggaaf van BTW had bekomen (197.309,58 EUR).
De rechtbank stelt op basis van de vaststellingen en inbreuken dat een administratieve boete t.b.v. 20.490 EUR beantwoordt aan een juiste toepassing van de betreffende wettelijke en reglementaire bepalingen op de vast gestelde feiten, ondanks het relatief hoge bedrag ervan berekend in absolute cijfers en het feit dat een klein deel van de inbreuken bestaat uit materiële vergissingen. Het opleggen van een boete is in deze zaak verantwoord en niet onevenredig met de inbreuk.
De boete heeft niet alleen een vergoedende aard, maar heeft ook een bestraffend en afradend karakter.
Eiseres heeft zich trouwens met de boete akkoord verklaard door ondertekening van de regularisatieopgave d.d. 23 november 2010.
2.4. De boete t.b.v. 20.490 EUR werd derhalve terecht opgelegd.
3. intresten m.b.t. niet betwiste bedragen
3.1. De wettelijke intrest is een normale vergoeding voor het gebruik van geld dat aan de schuldeiser van de hoofdsom al had moeten betaald zijn. Intresten op een BTWschuld is een schuld die de belastingplichtige moet dragen.
De belastingplichtige heeft geen subjectief recht om vrijgesteld te worden van betaling van nalatigheidsintresten en artikel 84bis W.BTW kent een discretionaire bevoegdheid toe aan de gewestelijke directeur. De mogelijkheid tot vrijstelling is derhalve een gunstmaatregel die enkel kan verleend worden door de gewestelijke directeur.
Er is geen aparte rechtsgrond die de rechtbank toestaat om rechtstreeks deze schuld kwijt te schelden. De rechtbank kan alleen nagaan of de beslissing van de gewestelijk directeur om niet in te gaan op een vraag tot kwijtschelding van intresten is gebeurd binnen de wettelijke beperkingen en met respect voor de beginselen van behoorlijk bestuur.
3.2. Eiseres heeft kwijtschelding van de intresten gevraagd en bij beslissing d.d. 13 oktober 2011 werd beslist dat geen vrijstelling kan worden verleend.
De beslissing is afdoende gemotiveerd. Eiseres stelt niet dat de gewestelijke directeur bij zijn beslissing de wettelijke beperkingen niet zou hebben gerespecteerd of de beginselen van behoorlijk bestuur zou hebben geschonden.
C. Betreffende de kosten
Gezien eiseres in het ongelijk gesteld wordt, dient zij de gerechtskosten dragen.
Gezien verweerder niet wordt bijgestaan door een advocaat, heeft hij geen recht op een rechtsplegingsvergoeding.
Dispositif
OM DEZE REDENEN
DE RECHTBANK,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op 0,00 EUR
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtsgebouw te Brugge op maandag, zeven januari tweeduizend en dertien.
Aanwezig zijn :
D. P. L., alleenrechtsprekend rechter;
S. C., griffier.
C. S. L. D. P.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.