Régime particulier, petite entreprise, preuve, mesure de contrôle, poursuite · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruxelles 22 avril 2008

Rechercher
Texte en néerlandais

Régime particulier, petite entreprise, preuve, mesure de contrôle, poursuiteTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/regime-particulier-petite-entreprise-preuve-tribunal-bruxelles-2008-04-22-38a0

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruxelles
Date
22 avril 2008

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais

Le texte de ce document est en néerlandais.

Texte

88 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 22.04.2008

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL - 35ste Kamer

In zake van :

De NV C & S, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te …, …, met ondernemingsnummer …,

eisende partij,

vertegenwoordigd door Mr. E. D. B. loco Mr. M. V. B., advocaat te …, … (ref. : ),

tegen :

De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie van de Ondernemings- en inkomensfiscaliteit, Sector BTW, in de persoon van de heer Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Vilvoorde met kantoor te 1800 Vilvoorde, Groenstraat 51-57,

verwerende partij,

vertegenwoordigd door Mr. F. S., advocaat te …, … (ref. : G-1486),

In deze zaak, in beraad genomen op 4 april 2008, spreekt de rechtbank het

navolgend vonnis uit :

Gelet op :

- het tegensprekelijk verzoekschrift in toepassing van artikel 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek uitgaande van eisende partij en neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 16 augustus 2005,

- de conclusie en aanvullende conclusie van verweerster, neergelegd ter griffie respectievelijk op 25 juli 2006 en op 9 juli 2007,

- de conclusie en aanvullende conclusie van eiseres, neergelegd ter griffie respectievelijk op 6 april 2007 en op 6 februari 2008,

- het bundel met stavingstukken van verweerster, neergelegd ter griffie d.d. 26 maart 2008.

De raadslieden van partijen werden gehoord in openbare zitting, waarna de zaak in beraad genomen werd.


1. FEITEN

Eiseres is als BW-belastingplichtige geregistreerd onder het nummer BE … als frituuruitbaatster.

Ingevolge een controle uitgevoerd op 8 januari 2004 werd een correctieopgave opgemaakt, welke door eiseres werd geweigerd.

Vervolgens werd op 28 oktober 2004 een proces-verbaal opgesteld blijkens hetwelk eiseres € … verschuldigd bleef aan belasting over de toegevoegde waarde, vermeerderd met de verminderde boete ten bedrage van € … en de interesten.

Op grond van dit proces-verbaal werd op 24 juni 2005 een dwangbevel uitgevaardigd, dat werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 29 juni 2005 en op 7 juli 2005 aan eiseres werd betekend.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 16 augustus 2005 heeft eiseres de zaak aanhangig gemaakt voor deze rechtbank.

2. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN

De vordering strekt ertoe het dwangbevel uitgevaardigd op 24 juni 2005, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 29 juni 2005, nietig te horen verklaren en verweerster te horen veroordelen tot terugbetaling van alle onterecht geïnde of ingehouden bedragen, vermeerderd met de wettelijke en gerechtelijke interesten vanaf de datum van betaling of inhouding.

Verweerster concludeert tot de gedeeltelijke gegrondheid van de vordering voor wat betreft de ingetreden verjaring voor de belasting verschuldigd voor het vierde kwartaal 2000 en tot de ongegrondheid van de overige vorderingen.

3. BEOORDELING

3.1. Verjaring

3.1.1. Krachtens artikel 81bis, § 1 W.BTW verjaart de vordering tot voldoening van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.

Behoudens stuiting of schorsing is de verjaring voor de invordering de belasting, de administratieve geldboete en de interesten verschuldigd ingevolge de in het kalenderjaar 2001 eventueel gerealiseerde meeromzet, ingetreden op 1 januari 2005.

Overeenkomstig de artikelen 2221 en 2248 van het Burgerlijk Wetboek wordt de verjaring gestuit door de erkenning door de schuldenaar van de rechten van de schuldeiser. Aldus kan de schuldenaar zich niet meer op de verjaring beroepen ten aanzien van een schuldvordering die hij vrijwillig heeft voldaan. De verjaring doet de schuld immers niet teniet, doch tast enkel de opeisbaarheid ervan aan. Een verjaarde schuldvordering blijft bestaan als een natuurlijke verbintenis (zie o.m. Cass. 24 september 1981, Arr. Cass., 1981-1982, 149; www.cass.be, arrest N-19810924-8.).

3.1.2. Eiseres houdt staande dat de vordering ter voldoening van de belasting over het kalenderjaar 2001 verjaard is.

Verweerster erkent de principiële verjaring van de belasting, boete en interesten verschuldigd op de meeromzet gerealiseerd in het kalenderjaar 2001, doch merkt op dat eiseres in de aangifte van het vierde kwartaal 2003 een niet-spontane regularisatie heeft verricht voor een bedrag van € ….

Deze regularisatie zou overeenkomstig artikel 1256 van het Burgerlijk Wetboek zijn toegerekend op de oudste openstaande schuld, met name deze voor de twee eerste kwartalen van het kalenderjaar 2001 (€ …), waarna het saldo aangerekend werd op het derde en vierde kwartaal (€ …). Aldus kan er volgens verweerster enkel verjaring zijn ingetreden ten belope van € … (€ … - [€ … - € …]).

Eiseres argumenteert anderzijds dat de niet-spontane regularisatie betrekking had op het kalenderjaar 2002. De toerekening van de regularisatie - zelfs indien dit gebeurd zou zijn overeenkomstig de wettelijke bepalingen - is volgens eiseres niet te beschouwen als een erkenning in de zin van artikel 2248 van het Burgerlijk Wetboek indien blijkt dat zij hiermee de vereffening beoogde van een andere schuld.

3.1.3. Geen enkele partij achtte het nuttig de aangifte voor het vierde kwartaal 2003 neer te leggen, evenmin als enig ander document (al dan niet opgesteld naar aanleiding van een uitgevoerde controle) waaruit met voldoende zekerheid de door eiseres beoogde toerekening zou kunnen worden afgeleid. Beide partijen verwijzen uitsluitend naar het proces-verbaal van 28 oktober 2004.

De enige bruikbare gegevens zijn derhalve dat het boekjaar van eiseres wordt afgesloten op 30 juni en dat in het proces-verbaal de meeromzet en de hierop verschuldigde belasting berekend wordt over een zelfde tijdspanne, en dus niet per kalenderjaar. Tevens staat vast dat de belasting verschuldigd op de niet aangegeven omzet voor het boekjaar 2001 (afgesloten op 30 juni 2002) in het proces-verbaal wordt begroot op € … + € … = € …. Dit bedrag wordt vervolgens verminderd met de som van € … met vermelding 'reeds rechtgezet in het 4° kwartaal 2003 : … (niet spontane regularisatie na aankondiging en uitvoering van controle'.

Op grond van deze gegevens moet aangenomen worden dat de regularisatie betrekking heeft op het derde en vierde kwartaal van 2001 en het eerste en tweede kwartaal van 2002. Bij gebreke aan meer gedetailleerde informatie over de intentie van eiseres bij de regularisatie, moet zij geacht worden eerst de oudste schulden te hebben willen aflossen, met name deze van het derde en vierde kwartaal 2001.

Volgens de raming van verweerster - doch in deze niet tegengesproken door eiseres - bedraagt de voor deze periode verschuldigde belasting de helft van deze verschuldigd voor het volledige boekjaar 20011, zijnde € ….

Vermits het bedrag van de regularisatie hoger is dan de verschuldigde belasting, vermeerderd met de administratieve geldboete van 20 % (€ …), is er geen verjaring ingetreden voor wat het derde en vierde kwartaal van 2001 betreft.

_____

1 Conclusie van verweerster, pagina 4 : verweerster vermeldt evenwel ten onrechte dat deze belasting verschuldigd is voor de periode van 1 juli 2002 tot 30 juni 2003. Het boekjaar 2001 heeft immers betrekking op de periode 1 juli 2001 tot en met 30 juni 2002.

Voor het eerste en tweede kwartaal is er daarentegen wel verjaring ingetreden. De verschuldigde belasting dient derhalve - onder voorbehoud van de overige nog te onderzoeken middelen - te worden verminderd met € … aan belasting en de daarop berekende administratieve geldboete, zijnde € …, en de hierop verschuldigde interesten.

3.2. Bewijskracht van de gevoerde boekhouding

Overeenkomstig artikel 15, § 1 van het Koninklijk Besluit nummer 1 van 29 december 1992 'met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde van 29 december 1992’ moet iedere belastingplichtige een boekhouding voeren die aangepast is aan de omvang van zijn activiteiten en die bovendien moet toelaten de BTW te kunnen toepassen en de toepassing te controleren.

Een regelmatige boekhouding waarvan alle gegevens juist en betrouwbaar zijn, is een bewijsmiddel om de aangegeven omzet te bepalen, ook als het een vereenvoudigde boekhouding is. Alleen indien bewijskrachtige gegevens ontbreken, mag de administratie de omzet vaststellen door middel van een forfaitaire berekening gesteund op vermoedens (TIBERGHIEN, Handboek voor Fiscaal Recht 2002, 5877).

In casu oordeelde de administratie dat de boekhouding van eiseres niet bewijskrachtig was. Zij steunde zich onder meer op volgende vaststellingen :

- de gegevens opgenomen in het dagontvangstenboek stemmen niet overeen met de bedragen opgenomen in de BTW-aangiften,

- de inschrijvingen in het dagontvangstenboek gebeuren door middel van losse bladen, zonder uitsplitsing in tarieven,

- de ontvangsten voor de periode van 12 tot en met 21 december 2001 werden niet ingeschreven,

- er kon geen inventarisboek worden voorgelegd.

Het feit dat de bedragen in het dagontvangstenboek hoger zijn dan deze aangegeven in de BTW-aangiften ontneemt op zich niet de bewijskracht van de boekhouding. Een dergelijke vaststelling bewijst enkel dat de aangiften niet correct werden ingediend, doch verschaft geen informatie over de boekhouding zelf.

Anders is het evenwel voor wat betreft de inschrijvingen in het dagontvangstenboek. Overeenkomstig artikel 15, § 1 van gezegd Koninklijk Besluit nummer 1 mag het door iedere belastingplichtige bij te houden dagboek van ontvangsten niet losbladig zijn. Bovendien moeten alle bladen genummerd zijn uiterlijk op het tijdstip waarop het boek in gebruik wordt genomen.

Losbladige dagontvangstenboeken laten immers niet toe met voldoende zekerheid vast te stellen dat de erin vermelde gegevens achteraf niet zijn bijgewerkt of gewijzigd.

Bovendien moeten de inschrijvingen in het dagontvangstenboek krachtens artikel 15, §§ 3 (f) en 4 van het Koninklijk Besluit nummer 1 aldus uitgesplitst worden dat zij toelaten de aangiften in te vullen. Zulks impliceert minstens dat de inkomsten dagelijks worden ingeschreven volgens het toe te passen BTW-tarief. Bij gebreke aan een dergelijke uitsplitsing - behoudens in het geval de belastingplichtige toepassing zou maken van een door de minister van Financiën goedgekeurde splitsingsmethode, wat hier niet het geval lijkt te zijn - kan het bedrag van de verschuldigde belasting niet met zekerheid worden bepaald.

Alleen reeds op grond van deze vaststellingen kan zonder meer besloten worden dat de boekhouding niet bewijskrachtig is. Zulks geldt des te meer wanneer in casu blijkt dat stukken uit het dagontvangstenboek ontbreken en bovendien geen inventaris kan worden voorgelegd, waardoor de administratie niet in staat is te controleren of de ingeschreven inkomsten precies overeenstemmen met de aangekochte producten en met de evolutie van de voorraad.

Het middel is ongegrond.

3.3. Berekening van de belasting d.m.v. het forfait voor frituurexploitanten

Krachtens artikel 56 W.BTW regelt de Koning, na overleg met de betrokken bedrijfsgroeperingen, de wijze waarop voor kleine ondernemingen de grondslag van de belasting forfaitair wordt vastgesteld.

Overeenkomstig artikel 1, § 1, 1° van het Koninklijk Besluit nummer 2 d.d. 7 november 1969 'met betrekking tot de vaststelling van forfaitaire grondslagen van aanslag voor de belasting over de toegevoegde waarde’ kan de forfaitaire grondslag door de administratie slechts worden toegepast ten aanzien van een fysieke persoon, een vennootschap onder firma, een gewone commanditaire vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid.

Terecht merkt eiseres op dat zij derhalve als naamloze vennootschap niet kon ressorteren onder het forfaitair systeem. Hieruit concludeert zij vervolgens dat de ingevorderde belasting op willekeurig wijze werd berekend vermits deze enkel berekend werd aan de hand van parameters gebruikt voor de forfaitaire begroting van de grondslag. De toepassing van het forfaitaire systeem kan haar niet worden opgedrongen. Bovendien zou de administratie - door toepassing te maken van bepaalde parameters uit het forfaitair systeem - zich hebben schuldig gemaakt aan een verboden opeenstapeling van vermoedens.

Overeenkomstig artikel 59, § 1 W.BTW kan de administratie de belastbare grondslag bewijzen door alle middelen van gemeen recht, met uitzondering van de eed, doch met inbegrip van vermoedens. Artikel 1349 van het Burgerlijk Wetboek omschrijft een vermoeden als een gevolgtrekking die wordt afgeleid uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit. Vermoedens kunnen derhalve niet worden gesteund op andere vermoedens, noch op feiten die twijfelachtig zijn (zie ook : TIBERGHIEN, o.c., 5922).

In tegenstelling tot hetgeen eiseres staande houdt, werd haar het forfaitaire systeem niet opgelegd. Eiseres heeft immers kwartaalaangiftes ingediend op grond van de normale regeling.

Slechts nadat na een grondige controle is gebleken dat de ingediende aangiftes niet waarheidsgetrouw waren ingevuld, dat bovendien de door eiseres gevoerde boekhouding niet bewijskrachtig was en dat eiseres ten slotte niet in staat bleek op enige andere wijze het sluitende bewijs te leveren van de door haar gerealiseerde omzet, heeft de administratie toepassing gemaakt van bepaalde parameters uit het forfaitair systeem om alsnog de belastbare grondslag vast te stellen.

Aldus heeft de administratie geenszins gebruik gemaakt van het forfaitaire systeem om de bewijskracht van de boekhouding te verwerpen. De onregelmatigheid - en dus het gebrek aan bewijskracht - werd zoals hoger besproken aangetoond door middel van een toetsing aan de dwingende bepalingen van het Koninklijk besluit nummer 1.

Omdat de belastbare grondslag niet werd bewezen - noch aan de hand van de foutieve aangiften, noch aan de hand van de niet bewijskrachtige boekhouding en evenmin aan de hand van andere stukken - werd de gerealiseerde omzet berekend op grond van enerzijds de vastgestelde hoeveelheid aangekochte grondstoffen en producten en anderzijds de vermoede bruto winstmarge.

De toegepaste bruto winstmarge is gesteund op het vermoeden dat de door eiseres toegepaste winstmarges overeenstemmen met de in de sector gangbare en gemiddelde marges, zoals deze door de administratie samen met de betrokken bedrijfsgroepering werden vastgesteld in het forfaitair systeem. Een dergelijk vermoeden voldoet dan ook aan de vereisten van artikel 1349 van het Burgerlijk Wetboek.

Bovendien is de toepassing van een aantal parameters uit het forfaitair systeem het enige vermoeden dat in casu werd aangewend voor de bepaling van de belastbare grondslag. Van een opeenstapeling van vermoedens kan dan ook geen sprake zijn.

Het middel is ongegrond.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering ontvankelijk en in de volgende mate gegrond,

Stelt vast dat de invordering van de belasting over de toegevoegde waarde, de administratieve geldboete en de interesten door middel van het dwangbevel d.d. 24 juni 2005, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 29 juni 2005, verjaard is voor wat betreft de bedragen die verschuldigd zijn voor het derde en vierde kwartaal 2001,

Stelt de gedeeltelijke nietigheid vast van het dwangbevel d.d. 24 juni 2005, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 29 juni 2005, in de mate dat het de invordering beoogt van hetgeen € … als belasting over de toegevoegde waarde en € … als administratieve geldboete overschrijdt, meer de wettelijke en moratoire interesten en de vervolgingskosten, en onder aftrek van de reeds geïnde en toegerekende bedragen,

Veroordeelt verweerster tot terugbetaling van alle eventueel onterecht geïnde of ingehouden bedragen, vermeerderd met de wettelijke interesten vanaf de datum van betaling of inhouding· en de gerechtelijke interesten vanaf heden,

Verwijst iedere partij in de eigen gedingkosten,

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 35ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 22 april 2008

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer P. H., rechter

Mevrouw I. D., griffier.

I.D. P. H.