Régime particulier, petite entreprise, droit à déduction de l’impôt · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 4 décembre 2007

Rechercher
Texte en néerlandais

Régime particulier, petite entreprise, droit à déduction de l’impôtTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/regime-particulier-petite-entreprise-droit-tribunal-bruges-2007-12-04-f3a1

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
4 décembre 2007

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

62 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 04.12.2007

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 06/2002/A Rep. nr. 2007/16645

De NV F. F., (KBO-nr. …), voorheen met vennootschapszetel te …, …, thans te …, …,

eiseres,

voor wie is opgetreden Meester J. D. G. (balie Brugge) loco Meester P. S., advocaat met kantoor te …, …,

tegen :

De FOD FINANCIËN, Belastingen en Invordering, Sector BTW, in de persoon van de e.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te BRUGGE, met kantoren te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,

verweerder,

voor wie is opgetreden Meester B. V. d. P. (balie Brugge) loco Meester J. V. d. P., advocaat met kantoor te …, …,

I. RECHTSPLEGING

Gelet op de dagvaarding houdende verzet dwangbevel de dato 15.06.2006.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 6 november 2007.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

2.1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer …, ingevolge de economische activiteit van het ontwikkelen van multimedia en TV-formats. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 7 maart 2005 werd door een ambtenaar van het controlekantoor te Blankenberge, een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgevingen de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde en dit voor de periode van 1 oktober 2004 tot 31 december 2004.

Naar aanleiding van dit toezicht werden een aantal overtredingen op de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde vastgesteld.

Bij gebrek aan een akkoordverklaring over de vastgestelde overtredingen werd door de heer D., op 5 april 2006, een proces-verbaal opgemaakt waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd (zie stuk 4 verweerder).

Wegens niet-betaling werd op 9 mei 2006 een dwangbevel uitgevaardigd dat op 12 mei 2006 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard (zie stuk 5 verweerder).

Dit dwangbevel werd op 15 mei 2006 bij aangetekend schrijven aan eiseres ter kennis gebracht.

2.2. Eiseres vraagt dat :

- De vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard.

- De tegenvordering wordt afgewezen als ongegrond.

- Het bestreden dwangbevel wordt nietig verklaard en dat dienvolgens voor recht wordt gezegd dat de erin opgenomen sommen niet verschuldigd zijn.

- Verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden, vermeerderd met de moratoire en gerechtelijke interesten.

- Verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in haar hoofde begroot op de dagvaardingskosten ten bedrage van 103,89 EUR en de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 364,40 EUR.

- Het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.

2.3. Verweerder vraagt dat de vordering van eiseres als ontvankelijk en ongegrond wordt afgewezen, dat de tegenvordering tot betaling van 500,00 EUR wegens tergend en roekeloos geding ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, aan zijn zijde begroot op de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 364,40 EUR.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de ontvankelijkheid van hoofd- en tegenvordering

Partijen voeren geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vorderingen kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, zijn de vorderingen ontvankelijk.

3.2. nopens de grond van de hoofdvordering

3.2.1. Eiseres stelt dat de hier in betwisting zijnde aankoopfacturen betrekking hebben op effectief geleverde prestaties door de vennootschapen F. BVBA en V. & V. BVBA en dat de hierop aangerekende BTW door haar werd voldaan, zodat de aftrek van de BTW dan ook ten onrechte werd geweigerd. Volgens eiseres maakt een dergelijke weigering een schending uit van de autonomie van rechtspersonen.

3.2.2. Na controle werd vastgesteld dat eiseres facturen had opgenomen in de boekhouding dewelke afkomstig waren van de BVBA V. & V. ende BVBA F.. Op deze facturen werd BTW aangerekend en door eiseres in aftrek gebracht. Voormelde 2 vennootschappen deden echter geen aangifte van de facturen in kwestie en hebben de gefactureerde en ontvangen BTW niet doorgestort.

Verder blijkt dat de BVBA F. tot 31.10.2004 onderworpen was aan de vrijstellingsregeling voorzien in artikel 56, § 2 W.BTW en dat zij derhalve geen BTW mocht aanrekenen op haar uitgaande facturen.

Uit de voorliggende stukken blijkt tenslotte ook dat voormelde 2 vennootschappen in 2004 hun zetel op hetzelfde adres hadden als eiseres (nI. …, …) en dat alle 3 de vennootschappen werden geleid door de dagelijkse bestuurder B. R..

Gelet op het voorgaande kan eiseres niet ernstig voorhouden dat zij geen weet had van de het feit dat de BVBA F. onderworpen was aan de vrijstellingsregeling en dat zij de ontvangen BTW niet heeft, doorgestort. Het loutere feit dat eiseres de BTW heeft voldaan, geeft haar nog geen recht op aftrek. De door de BVBA F. onterecht aangerekende BTW komt immers in geen geval voor aftrek in aanmerking.

Met betrekking tot de aankoopfacturen van de BVBA V. & V. stelt de rechtbank vast dat deze vennootschap geen aangifte heeft gedaan van de betreffende facturen of van enige belastbare activiteit. Verweerder heeft dan ook terecht die facturen, mede gelet op de voorgaande vaststellingen, als niet oprecht beschouwd. De door eiseres gevraagde aftrek kan ook hier niet worden toegestaan.

Alle verdere argumentatie is niet langer dienend. De hoofdvordering van eiseres dient derhalve als ongegrond te worden afgewezen.

3.3. nopens de grond van de tegenvordering

3.3.1. Verweerder vraagt op tegeneis een schadevergoeding van 500,00 EUR wegens tergend en roekeloos geding aangezien er hier duidelijk sprake is van kwaad opzet met als doel het zich verrijken ten nadele van de schatkist.

3.3.2. Het opstarten van een gerechtelijke procedure is in casu, gelet op de concrete omstandigheden, niet dilatoir en getuigt niet van een verregaande lichtzinnigheid of kwaadwilligheid waarvan ieder voorzichtig of behoedzaam mens zich dient te onthouden. Zich vergissen omtrent de draagwijdte van zijn rechten of een interpretatie van een wettekst voorstaan die niet door de rechtbank wordt overgenomen, is niet noodzakelijk een fout en kan niet rechtvaardigen dat een vordering wordt ingesteld wegens tergend en roekeloos geding.

De tegenvordering dient dan ook als ongegrond te worden afgewezen.

3.4. nopens de kosten

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet zij de gerechtskosten dragen.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de hoofdvordering ontvankelijk en ongegrond.

Verklaart de tegenvordering ontvankelijk en ongegrond;

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, aan·de zijde van verweerder begroot op 371,84 EUR geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op dinsdag vier december tweeduizend en zeven.

Aanwezig zijn :

H. N., alleenrechtsprekend rechter;

L. N., griffier.

N. L. H. N.