Principe non bis in idem, Principe du délai raisonnable · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 12/825/A 10 septembre 2013

Rechercher
Texte en néerlandais

Principe non bis in idem, Principe du délai raisonnable

https://juriel.be/fr/jurisprudence/principe-non-bis-in-idem-tribunal-bruges-2013-09-10-1389

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Numéro de rôle
12/825/A
Date
10 septembre 2013

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

55 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruges dd. 10.09.2013 (12/825/A)

Taxe sur la valeur ajoutée – Principe non bis in idem – Principe du délai raisonnable

Synthèse

Le principe non bis in idem n’est pas d’application lorsque les faits entraînent deux infractions différentes. Ce principe ne s’applique que lorsqu’une seule infraction est sanctionnée deux fois.

L’allégation selon laquelle le principe du délai raisonnable a été violé est non fondée. Il ne peut être reproché à l’administration la suspension du recouvrement jusqu’à la clôture de l’instance en matière pénale.

Texte intégral

Corps de la décision

La décision est seulement publiée dans la langue originale

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg, vierde Kamer,

Brugge dd. 10.09.2013

12/825/A

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgende vonnis verleend:

In de zaak 12/825/A

B. P., landbouwer, ingeschreven in de kruispuntbank ondernemingen onder het nummer… , wonende te … voor wie is opgetreden meester A.D., advocaat te … en meester B. B., advocaat te …

TEGEN

De BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIEN, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, sector BTW,vertegenwoordigd door de heer M. T., waarnemend gewestelijk directeur van de BTW te Brugge met kantoor te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4 in de persoon van de e.a. inspecteur van het tweede BTW-ontvangkantoor te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31

verweerder. voor wie is opgetreden mevrouw S. C. , e.a. inspecteur bij een fiscaal bestuur.

I. RECHTSPLEGING.

Gelet op het fiscaal verzoekschrift ingediend ter griffie de dato 21.03.2012.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels. .

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 4.06.2013.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in

gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK.

2.1. Lastens eiser werd op 10.05.2001 een proces-verbaal opgesteld inzake overtredingen op de wetgeving en de reglementering inzake douane en accijnzen (nl. het onwettig voorhanden hebben van 2.463.000 sigaretten niet voorzien van Belgische fiscale bandjes te Dranouter op 20.04.2001). Op 30.06.2005 werd hij hiervoor veroordeeld door het Hof van Beroep te Gent.

Ingevolge voormelde inbreuken werden er eveneens overtredingen begaan op de B1W-wetgeving en reglementering. Deze overtredingen werden opgenomen in een proces-verbaal van 25.03.2004. Op 12.10.2004 werd hiervoor een· dwangbevel uitgevaardigd dat op 14.10.2004 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard.

Op 21.03.2012 werd verzet aangetekend tegen dit dwangbevel.

2.2. Eiser vraagt dat:

- De vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard.

- Het bestreden dwangbevel van 12.10.2004 wordt nietig verklaard en dat dienvolgens voor recht wordt gezegd dat de erin opgenomen sommen niet verschuldigd zijn. .

- Verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding , in zijn hoofde begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 7.700,00 EUR.

2.3. Verweerder vraagt dat de vordering ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiser wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.

III. BEOORDELING.

3.1. nopens de ontvankelijkheid.

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheld van de vordering kunnen lelden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid , die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond.

3.2.1. Eiser stelt dat het non bis in idem-beginsel geschonden is.

Lastens eiser werd op 10.05.2001 een proces-verbaal opgesteld inzake overtredingen op de wetgeving en de reglementering inzake douane en accijnzen (nl. het onwettig voorhanden hebben van 2.463.000 sigaretten niet voorzien van Belgische fiscale bandjes te Dranouter op 20.04.2001). Op 30.06.2005 werd hij hiervoor veroordeeld door het Hof van Beroep te Gent (werd veroordeeld tot de ontdoken accijnsrechten J de . bijzondere accijns , de wettelijke nalatigheidsinteresten , 4 maanden gevangenisstraf met uitstel en een boete van 2.164.319,44 EUR met uitstel).

Ingevolge voormelde inbreuken werden er eveneens overtredingen begaan op de BTW-wetgeving en reglementering. Op 20.10.2004 werd aan eiser hiervoor een dwangbevel betekend waarbij het tweede B1W-ontvangkantoor te Kortrijk een totaal bedrag opeiste van 205.344,08 EUR, zijnde 67.286,95. EURBTW, 137.556,61 EUR boete, 3.229,44 EUR interesten en 271,08 EUR kosten. Een dergelijke BTW-boete. heeft ongetwijfeld een strafrechterlijk karakter.

Het non bis In, idem-beginsel krijgt geen toepassing wanneer feiten aanleiding geven tot twee overtredingen en speelt enkel wanneer één overtreding dubbel wordt bestraft.

In casu werden enerzijds inkomsten niet aangegeven inzake douane en accijnzen en werden anderzijds Inkomsten niet aangegeven inzake BTW.

Het non bis in idem-beginsel is dan ook niet geschonden.

3.2.2. De bewering van eiser dat de redelijke termijn geschonden is dient ook als ongegrond te worden afgewezen. Dat de invordering werd opgeschort tot na de definitieve afhandeling van de strafzaak kan aan de administratie niet worden verweten.

Alle verdere argumentatie is niet langer dienend. De vordering dient dan ook als ongegrond te worden afgewezen.

3.3. nopens de kosten

Eiser wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017 , 1ste . lid van het gerechtelijk wetboek moet hij de gerechtskosten dragen. Aangezien verweerder niet bijgestaan is door een advocaat , heeft hij geen. recht op een rechtsplegingsvergoeding en zijn de gerechtskosten in hoofde van verweerder onbestaande.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk doch wijst ze af als ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de gedingkosten , aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op 0,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtsgebouw te Brugge op tien september tweeduizend en dertien.

Aanwezig zijn: .

H. N., alleenrechtsprekend rechter;

M. S., griffier