Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 18.11.2013 (01/1027/A)
Taxe sur la valeur ajoutée - Preuve - Présomptions de fait
Résumé
La consignation dans un procès-verbal d'un document dont l'administration fiscale a eu connaissance a la valeur d'une constatation matérielle à laquelle s'attache une force probante. Cette force probante ne s'attache cependant pas aux déductions que l'administration fiscale tire de ces constatations et ne peut, à partir de la date de la rédaction du procès-verbal, que soutenir une présomption de fait.
Le tribunal constate que l'administration mentionne dans le procès-verbal que l'entreprise commerciale a toujours été exploitée dans des circonstances similaires, sans préciser les constatations de faits à partir desquelles ces conclusions sont déduites.
Le tribunal considère qu'étant donné que l'existence de conditions similaires d'exploitation n'est pas objectivement démontrée et que le dossier lui-même ne permet pas de présumer qu'une semblable recherche a été effectuée, l'administration s'est servie comme preuve de la régularisation en matière de TVA d'une extrapolation non autorisée et que, dès lors, cette régularisation manque de fondement juridique.
La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite
Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 18.11.2013
01/1027/A
Texte intégral
Corps de la décision
Rolnummer 01/1027/A In de zaak van:
BVBA V. D. S. - L. met zetel te …, met ondernemingsnummer
…,
EISERES, voor wie optreedt mr. S. S., advocaat te …,
Tegen:
BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Wetstraat 12 te 1000 Brussel, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door het BTW-Ontvangkantoor te…, waarvan de kantoren gevestigd zijn te …,
VERWEERDER, voor wie optreedt mr. E. V. A., advocaat …,
Vonnist de rechtbank als volgt:
1. DE RECHTSPLEGING
De partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 21 oktober 2013 waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. Het dossier van rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder de gedinginleidende akte van verzet met dagvaarding van 13 maart 2001, de conclusies van partijen en hun stukkenbundels.
2. DE VORDERING
De vordering van eiseres strekt er achtereenvolgens toe:
- het betwiste dwangbevel van 15 februari 2001 te vernietigen en te zeggen voor recht dat de bedragen erin vermeld ten titel van BTW, geldboeten en interesten niet verschuldigd zijn;
- verweerder dienvolgens te veroordelen tot terugbetaling aan eiseres van alle bedragen ten titel van BTW, geldboeten en interesten, die reeds door eiseres werden betaald of door verweerder werden ingehouden ter delging van de beweerde BTW-schuld, te verhogen met de wettelijke en gerechtelijke interesten;
- verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegings- en uitgavenvergoeding, begroot op 2.200,00 EUR.
3. DE RELEVANTE FEITEN-EN HET GESCHIL
De BVBA V. D. S. - L. identificeert zichzelf als een groothandelaar in doe-het-zelf-materiaal. In de loop van het jaar 2000 werden op de zetel van deze vennootschap diverse controles uitgevoerd betreffende de toepassing van de BTW-regementering over de periode van 1 januari 1996 tot 31 december 1998. Naar aanleiding van deze controles werd voor de opeenvolgende jaren 1997 en 1998 een akkoord afgesloten met de fiscale administratie, dit zowel op het vlak van de BTW als wat de directe belastingen betreft.
Op 14 december 2000 werd lastens eiseres een proces-verbaal opgesteld betreffende het jaar 1996, houdende opgave van een verdoken meeromzet ten bedrage van 3.740.283 oude Belgische franken. De administratie baseerde zich daarbij in hoofdorde op de vaststelling dat de boekhouding van eiseres niet bewijskrachtig was, gelet op het bestaan van zwarte lonen, zodat uit' deze boekhouding evenmin kon worden afgeleid wat de effectief gerealiseerde omzet, de bruto-winstmarge en nettowinst was voor het jaar 1996. .
In een schrijven van 8 januari 2001 protesteerde eiseres tegen de inhoud van het bedoelde proces-verbaal.
Op 15 februari 2001 vaardigde de BTW-administratie een dwangbevel uit lastens eiseres waarbij op grond van voornoemd proces-verbaal achterstallige BTW werd ingevorderd.
Eiseres liet vervolgens op 13 maart 2001 een akte van verzet met dagvaarding betekenen, waardoor het geschil aan de beoordeling van deze rechtbank werd voorgelegd.
4. BEOORDELING.
4.1. Met betrekking tot de samenvoeging en de vraag tot opschorting
4.1.1. In de conclusies voor verweerder werd om de samenvoeging gevraagd van de huidige procedure met de zaak, hangende voor deze rechtbank onder het AR 02l2727/A, nu de beide dossiers zouden teruggaan op hetzelfde dossier van de Sociale Inspectie.
Door eiseres werd in conclusies hieromtrent geen standpunt ingenomen. De rechter beslist soeverein over de noodzaak tot samenvoeging in het belang van de goede rechtsbedeling, teneinde onderling onverenigbare beslissingen te vermijden (artikel30 Ger.Wb.).
Hoewel beide dossiers met elkaar gemeen hebben dat de discussie deels betrekking heeft op eenzelfde rapport van de diensten van de sociale inspectie, is er tevens sprake van belangrijke verschillen, welke beletten de beide dossiers als inhoudelijk volstrekt identiek te benaderen. Het volstaat daartoe op te merken dat de huidige zaak een BTW-dossier betreft, terwijl het ander dossier de materie van de directe belastingen raakt.
Bijgevolg oordeelt de rechtbank dat er geen enkele objectieve noodzaak tot samenvoeging is. De rechtbank stelt ten andere vast dat verweerder hier ook niet meer op aangedrongen heeft ter terechtzitting van 21 oktober 2013.
4.1.2. In zijn syntheseconclusie van 1 september 2012 drong verweerder tevens aan op de opschorting van de behandeling van de zaak voor deze rechtbank en kamer tot na de tussenkomst van het arrest van het Arbeidshof te Gent, in de zaak aldaar hangende onder het rolnummer 2011/AG/296.
De zaak werd daartoe uitgesteld op de terechtzitting van 12 november 2012. Ter terechtzitting van 21 oktober 2012 werd door de beide raadslieden bevestigd dat het bedoelde arrest inmiddels is tussengekomen. Een kopie. van het arrest wordt thans door eiseres voorgelegd als haar stavingsstuk nr. 8.
4.2. Met betrekking tot de ontvankelijkheid
Verweerder voert zelf geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden.
Nu de rechtbank evenmin enige ambtshalve op te werpen gronden van onontvankelijkheid kan aantreffen, moet de vordering van eiseres alvast ontvankelijk worden bevonden.
4.3. Met betrekking tot de grond van de zaak
Betreffende de vermeende schending van de rechten van verdediging
4.3.1. Eiseres voert vooreerst aan dat:
Het proces-verbaal werd opgesteld op 14 december 2000;
Het dwangbevel werd uitgevaardigd op 15 februari 2001; ,
De machtiging tot inzage van het strafdossier door het auditoraat werd verleend op 29 november 2001;
De effectieve inzage geschiedde op 21 januari 2002.
Nu het proces-verbaal alsook het dwangbevel derhalve dateren van vóór de machtiging tot inzage, stelt eiseres dat de gegevens waarop dit proces-verbaal gebaseerd werd, op een onrechtmatige wijze werden verkregen.
Volgens eiseres komt het aan verweerder toe om aan te tonen dat hij op een rechtmatige wijze in het bezit van deze informatie is gekomen. Eiseres stelt daarenboven vast dat de machtiging werd verleend aan de Gewestelijke directeur te …, terwijl de eigenlijke inzage in dit geval werd uitgevoerd door een ambtenaar verbonden aan het controlecentrum te ….
Eiseres koppelt aan dit alles het besluit dat de gegevens uit het strafdossier uit de debatten moeten worden geweerd wegens schending van de rechten van verdediging en de rechtbank dienvolgens tevens tot de nietigheid dient te besluiten van het bestreden dwangbevel.
4.3.2. Verweerder stelt hier tegenover dat het proces-verbaal niet werd opgesteld op basis van de gegevens van het strafdossier maar wel op basis van de spontaan overgemaakte inlichtingen van het bestuur van de Sociale Inspectie op 27 juni 2000. De latere inzage van het strafdossier zou enkel tot doel hebben gehad na te gaan of er nog andere belangrijke elementen in het dossier aanwezig waren.
Verder wijst verweerder er op dat de machtiging werd verleend aan de heer R. L., die als gewestelijk directeur bevoegd zou zijn voor de beide controlecentra.
De inzage en afschriftname van de stukken uit het strafdossier zou derhalve volkomen in overeenstemming zijn met de wet, zodat er geen reden zou zijn om deze stukken uit het debat te verwijderen, dan wel op deze basis te besluiten tot de nietigheid van het dwangbevel.
4.3.3. De rechtbank kan in het proces-verbaal en bijhorend dwangbevel geen aanwijzingen aantreffen als zou de inhoud ervan geheel of gedeeltelijk berusten op gegevens die men uitsluitend heeft verkregen naar aanleiding van de latere inzage van het strafdossier.
De administratie heeft haar onderzoek gevoerd met als regelmatig uitgangspunt het haar spontaan meegedeelde onderzoeksverslag van de Sociale Inspectie Regio Oost-Vlaanderen.
Nu het proces-verbaal aldus niet blijkt te berusten op gegevens die werden verkregen naar aanleiding van de inzage in het strafdossier, zijn vermeende onregelmatigheden nopens de wijze waarop inzage werd genomen in wezen niet langer relevant.
De rechtbank heeft ten andere ter terechtzitting van 21 oktober 2013 opgemerkt dat door de raadsman van eiseres niet langer op deze grief wordt aangedrongen. Louter volledigheidshalve merkt de rechtbank. evenwel op dat verweerder ter zake terecht wijst op haar structuur en organisatie, en de daaruit volgende bevoegdheid van de heer R. L. als gewestelijk directeur voor het controle- centrum te … én het controlecentrum te …. Het gegeven op zich dat een ambtenaar verbonden aan dit laatste centrum het strafdossier heeft ingekeken, kan eiseres dus evenmin baten.
De rechtbank kan aldus in het dossier geen enkel gegeven aantreffen dat toelaat te besluiten tot een schending van de rechten van verdediging. Bijgevolg is er evenmin noodzaak tot het weren van enig stuk uit de debatten, dan wel de nietigverklaring van het bestreden dwangbevel op deze grondslag. Betreffende de bewijswaarde van het proces-verbaal en de vermeende ongeoorloofde bewijsvoering door feitelijke vermoedens
4.3.4. Eiseres haalt aan dat de bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal enkel geldt voor de persoonlijke vaststellingen van de verbalisanten die het proces-verbaal opstelden en dus niet voor vaststellingen die afkomstig zijn van andere ambtenaren.
In dit geval zou de fiscale administratie zich tevens hebben gebaseerd op gegevens uit het verslag van de sociale inspectie nopens de vermeende uitbetaling van zwarte lonen. Door melding te maken van de in dit verslag voorkomende cijfers zou verweerder dus in geen geval het bewijs leveren van de juistheid van deze cijfers.
Deze bevindingen zouden hoogstens kunnen dienen als basis voor een feitelijk vermoeden, aldus eiseres.
Indien de administratie wil steunen op feitelijke vermoedens, dan dient zij volgens eiseres aan te tonen dat deze vermoedens steunen op werkelijk bekende feiten. Van een bekend feit zou in deze geen sprake zijn nu verweerder zou steunen op gegevens die hem werden meegedeeld door de administratie der Directe Belastingen en die bovendien door haar worden betwist. Eiseres vermeldt in deze context de door haar ingediende bezwaarschriften tegen de supplementaire aanslagen voor de aanslagjaren 1996 tot en met 1999. Deze aanslagen maken thans eveneens het voorwerp uit van een procedure voor deze rechtbank en kamer.
Eiseres vervolgt dat ook de resultaten van het onderzoeksverslag van de Sociale Inspectie door haar in rechte werden aangevochten. Verweerder zou dan ook in strijd met de bewijstechniek van feitelijke vermoedens handelen door de inhoud van dit verslag zonder meer als waar te aanvaarden. Zolang de rechter zich niet over dit dossier heeft uitgesproken, is het volgens eiseres dus geenszins bewezen dat een aantal uren in het zwart werden betaald en/of de betrokken uren volledig of gedeeltelijk onofficieel werden vergoed. Een later ingetreden strafrechtelijke veroordeling zou evenmin post factum het bewijs kunnen opleveren van de bekende feiten, aangezien deze reeds bij de taxatie voorhanden moeten zijn.
Het onderzoeksverslag levert naar het oordeel van eiseres anderzijds ook niet het bewijs op dat de betwiste zwarte lonen door de vennootschap werden uit- betaald. Tegelijk zou uit de betaling van zwarte lonen evenmin zomaar kunnen worden afgeleid dat ook een zwarte omzet werd gerealiseerd.
Eiseres stelt dat er geen enkele reden is om te twijfelen aan de waarachtigheid van de in de boekhouding opgenomen omzetcijfers.
Verder kan eiseres niet instemmen met de berekeningswijze van de beweerde meeromzet. Deze zou immers berusten op een verboden extrapolatie van de berekening van de omzet voor de daaropvolgende jaren 1997 en 1998. Het percentage van 27% zou immers wel een bekend feit zijn voor de jaren 1997 en 1998 doch niet voor het jaar 1996. De rechtspraak zou een dergelijke praktijk in het verleden reeds scherp veroordeeld hebben.
De uitbatingsvoorwaarden van eiseres zouden overigens wel degelijk verschillend zijn geweest, hetgeen volgens eiseres onder meer zou blijken uit de vergelijking van het personeelsbestand in de betrokken jaren.
4.3.5. Verweerder repliceert dat in de loop van 2000 een reeks van gelijktijdige controles werden verricht door de BTW-administratie enerzijds en de administratie inzake directe belastingen anderzijds.
Alle vaststellingen in het BTW-dossier zouden zijn gedaan door Mevrouw R. in persoon, als ambtenaar daartoe gedelegeerd door de BTW-administratie. Verweerder ontkent dan ook dat hij zich zou beroepen op de resultaten van het fiscaalonderzoek inzake directe belastingen.
Nopens de bewijswaarde van het verslag van de sociale inspectie zou eiseres gemakkelijkheidshalve voorbijgaan aan het .feit dat in dit verslag ook individuele verklaringen werden opgenomen van het management van eiseres en de personeelsleden.
De vermelding in het proces-verbaal dat de zaak in gelijkaardige omstandigheden werd uitgebaat, impliceert volgens verweerder dat de verbaliserende ambtenaar zich hier ook effectief van vergewist heeft. Eiseres zou bovendien geen enkel bewijs aanbrengen van een substantiële wijziging van de uitbatingsomstandigheden. Het enkele feit dat het aantal aangegeven personeelsleden van jaar tot jaar verschilde, kan volgens verweerder niet volstaan nu uit de feiten is gebleken dat eiseres lonen in het zwart uitbetaalde.
Uit de balansen zou verder blijken dat het gemiddeld personeelsbestand berekend in voltijdse equivalenten "tamelijk stabiel bleef (7,9 voor de jaren 1995, 1996, 1997 en 1998 en 11,1 voor 1999)". Van enige verboden extrapolatie zou derhalve geen sprake zijn.
4.3.6. De bijzondere bewijswaarde welke kleeft aan de inhoud van het proces-verbaal van een fiscale ambtenaar strekt zich slechts uit tot de materiële en persoonlijke vaststellingen van betrokken ambtenaar.
Deze bijzondere bewijswaarde strekt zich niet uit tot de juridische of andere gevolgtrekkingen die de bedoelde ambtenaar uit deze vaststellingen afleidt. Alvorens de stukken in concreto te beoordelen, haalt de rechtbank tevens aan dat een dwangbevel inzake BTW een bestuurshandeling uitmaakt waarop de Wet Motivering Bestuurshandelingen van toepassing is zodat de administratie de juridische grondslagen en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de ·grondslag liggen van de belastingschuld waarvoor het dwangbevel werd uitgevaardigd (cf. Cass. (1e k) AR C.03.0354.N, 1 december 2005 (Belgische Staat / Fidelity Electronics Int. , a.B.) FJF 2007, afl. 3, 202 en http://www.monkey.be (1 september 2008».
De belastingplichtige moet aldus in de mogelijkheid worden geplaatst te onderzoeken op welke gegevens het dwangbevel berust en op welke wijze de gevorderde bedragen werden berekend. Het geheel van deze gegevens moet de belastingplichtige toelaten met kennis van zaken een gemotiveerd verzet aan te tekenen. Zodra blijkt dat de inhoud van het dwangbevel daartoe volstond, kan het bestuur geacht worden aan de motiveringsplicht te hebben voldaan.
De vordering van de administratie krijgt definitief gestalte bij het opmaken van het dwangbevel met aangehecht proces-verbaal (cf. Rb. Genf (6e k.) 24 oktober 2002, FJF 2003, afl. 4, 544 en http://www.monkey.be (1 september 2008) en http://tfrnet.larcier.be (12 mei 2003). Bij de redactie van het dwangbevel moet de administratie derhalve enkel die gegevens vermelden die haar vordering in rechte en in feite ondersteunen, zonder er op dat ogenblik reeds toe gehouden te zijn de eventueel reeds door de belastingplichtige aangevoerde grieven te weerleggen.
De juridische grondslag van de vordering kan na het betekenen van het dwangbevel niet meer worden gewijzigd. Met een in besluiten (neergelegd voor de rechtbank) bijkomende motivering van het dwangbevel, kan dan ook geen rekening worden gehouden (cf. Rb. Gent 3 oktober 2008 FJF 2009 (samenvatting), afl. 4, 417 en http://www.monkey.be (19 mei 2009); TFR 2010, afl. 373, 55 en http://tfrnet.larcier.be (26 januari 2010)
De Wet Motivering Bestuurshandelingen noch enige andere wettelijke bepaling belet anderzijds niet dat na het opstellen van een proces-verbaal en een dwangbevel met betrekking tot een bepaalde belastingschuld, het bestuur nieuwe juridische argumenten en feitelijke gegevens aanvoert, op voorwaarde dat deze argumenten en gegevens dienen ter ondersteuning van hetgeen in het proces-verbaal en het dwangbevel reeds is vastgesteld en vermeld met betrekking tot diezelfde belastingschuld (cf. Cass. (1e k.) AR C.03.0354.N, 1 december 2005 (Belgische Staat / Fidelity Electronles Int., a.B.) Arr.Cass. 2005, afl. 12, 2405, concl, THIJS, D.; FJF 2007, afl. 3, 202 en http://www.monkey.be (1 september 2008); http://www.cass.be(4januari2006).concl.THIJS. D.; Pas. 2005, afl. 12, 2396; TBP 2007 (weergave MEERSSCHAUT, F.), afl. 7,430; TFR 2006, afl. 307, 712 en http://tfrnet.larcier.be(25oktober2006),concl.THIJS, D., noot KIEKENS. A.
4.3.7. De relevante materiële vaststellingen betreffen in dit geval achtereenvolgens, blijkens de opgave in de aanhef van het proces-verbaal zelf · (1) de aan de bevoegde ambtenaar bij de controle van 19 oktober '2000 voorgelegde boeken en bescheiden, (2) het dossier van de Administratie van de Directe Belastingen en (3) het onderzoeksverslag van de Sociale Inspectie (stuk nr. 1 eiseres).
Uit het onderzoeksverslag van de Sociale Inspectie werd door verweerder afgeleid dat eiseres in 1996 zwarte lonen had uitbetaald. Verweerder liet daarbij in het proces-verbaal gelden dat dit verslag integraal berustte op verklaringen van (gewezen) werknemers en uit dit verslag ook de gedetailleerde berekening van deze zwarte lonen kan worden afgeleid. De uitbetaling van deze zwarte lonen bracht de administratie vervolgens tot de conclusie dat de boekhouding niet bewijskrachtig was (bij gebrek aan inboeking van deze lonen).
De administratie vervolgt .in het proces-verbaal dat onderzoek van de aanslagjaren 1997 en 1998 had uitgewezen dat de kasontvangsten onvoldoende bewijskrachtig waren bijgehouden en de aangegeven bruto-winstmarge onjuist was. In een daaropvolgende passage verwijst de administratie naar een voor deze aanslagjaren door de belastingplichtige ondertekend akkoord dd. 5 juni 2000 houdende toepassing van een bruto-winstmarge van 27%. De administratie stelt vervolgens:
"Vermits de zaak steeds in gelijkaardige omstandigheden werd uitgebaat, wordt de omzet van het jaar 1996 en de daaruit voortvloeiende winst bepaald aan de hand van de bovenvermelde winstmarge van 27%".
De woordelijke weergave van het verslag van de sociale inspectie, als een stuk waarvan de fiscale administratie inzage had genomen, geldt als een materiële vaststelling met bijzondere bewijswaarde. Deze bewijswaarde kleeft echter niet aan de analyse die de fiscale administratie van dit stuk maakte en welke op datum van het opstellen van het proces-verbaal slechts kon dienen ter ondersteuning van een feitelijk vermoeden.
Inmiddels is het doek evenwel gevallen over het strafrechtelijk luik met het 8 april 2013 tussengekomen arrest van het Arbeidshof te Gent, dat oordeelde dat de uitbetaling van zwarte lonen bleek uit de verklaringen gebundeld in het verslag van de sociale inspectie, verklaringen welke volgens het Hof niet op onrechtmatige wijze werden verkregen.
Aldus blijkt uit de latere beoordeling in rechte van het bedoelde verslag, dat de betaling van zwarte lonen hieruit met zekerheid kon worden afgeleid. Niets belet de administratie om zich thans op dit nieuwe stuk te ondersteunen tot staving van de gelijklopende analyse die zij eerder zelf had gemaakt in het proces-verbaal.
Aldus blijkt dat het bestaan van een systeem van zwarte lonen ook voor het jaar 1996 niet langer kan worden betwist. De argumentatie ter terechtzitting van 21 oktober 2013 toont ook aan dat eiseres haar: verweer tegen het dwangbevel overeenkomstig heeft bijgestuurd en thans andere accenten legt.
Wat het dossier van de directe belastingen betreft, blijkt de informatievergaring in wezen beperkt tot het voor de aanslagjaren 1997 en 1998 op 5 juni 2000 ondertekende akkoord, waarin de belastingplichtige onder meer instemde met de toepassing van een bruto-winstmarge van 27%.
De vermelding van het bestaan van dit akkoord, vastgesteld door de betrokken BTW-ambtenaar bij de inzage van het dossier van de collega's van de administratie der directe belastingen, maakt eveneens een materiële vaststelling met bijzondere bewijswaarde uit. Wanneer de BTW-administratie het bestaan van een dergelijk akkoord vaststelt als een materieel feit, dan geldt zulks tot bewijs van het tegendeel. Het bestaan van een akkoord in die zin wordt ten andere ook geenszins tegengesproken door eiseres, wel integendeel. Het ongenoegen van eiseres blijkt zich veeleer te richten op de teepassing die verweerder van het bedoelde akkoord heeft gemaakt, met name door deze . gegevens te extrapoleren naar het jaar 1996.
De partijen zijn het er terecht over eens dat de rechtspraak een dergelijke extrapolatie als bewijskrachtig aanvaardt, zij het dan op voorwaarde dat de uitbatingsvoorwaarden in de bedoelde jaren dezelfde zijn gebleven.
De rechtbank stelt vast dat de administratie in het proces-verbaal vermeldt dat de zaak steeds in gelijkaardige omstandigheden werd uitgebaat, zonder de feitelijke vaststellingen te specifiëren waaruit deze conclusie werd afgeleid. Uit het proces-verbaal blijkt tevens dat dit het product is van slechts één controle op de zetel van eiseres, met name het controlebezoek van 19 oktober 2000. Eiseres voelt zich voornamelijk gegriefd door het feit dat de administratie het bestaan van gelijkaardige uitbatingsvoorwaarden gewoon heeft aangenomen, zonder enige vorm van onderzoek.
Verweerder ontkent met klem dat de uitbatingsvoorwaarden niet werden geverifieerd, doch blijkt niet te beschikken over stukken die het bestaan van een dergelijk onderzoek bevestigen en toelaten de inhoud ervan te achterhalen. Ter terechtzitting van 21 oktober 2013 werd door de raadsman van verweerder mondeling toegelicht dat men op 19 oktober 2000 ter plaatse zou hebben "rondgekeken", doch bij gebrek aan enige schriftelijke neerslag is het niet alleen voor de belastingplichtige doch ook voor deze rechtbank een onmogelijke opgave het bestaan van een dergelijk "onderzoek" te toetsen en de inhoud en draagwijdte ervan te reconstrueren.
Het is in eerste orde aan de administratie om aan te tonen dat deze vaststelling berust op· een effectief onderzoek en men hier dus. niet gewoon "gemakkelijkheidshalve" van uitgegaan is.
Ten onrechte poogt de administratie deze bewijslast naar de belastingplichtige door te schuiven door van deze concrete gegevens te eisen die het bestaan van verschillende uitbatingsvoorwaarden aantonen. Het is weinig redelijk en ernstig dat de administratie in de gegeven omstandigheden (vaagheid van het eigen proces-verbaal) meent op haar woord te kunnen worden geloofd, niet alleen omtrent het bestaan van een onderzoek naar de uitbatingsvoorwaarden, doch ook omtrent het resultaat van dit onderzoek, zonder ook maar één enkel stuk te moeten bijbrengen en diezelfde administratie op haar beurt de belastingplichtige
die hiertegen opkomt prompt terecht wijst wegens een gebrek aan stavingsstukken. De administratie heeft de zaken voor de belastingplichtige ten andere ook niet vereenvoudigd met het gebrek aan toelichting over het vermeende onderzoek. De verduidelijking van de feitelijke en juridische grondslagen van het dwangbevel, in de geest van transparantie van het fiscaal onderzoek, is precies bedoeld om de belastingplichtige toe te laten zich van de grondslag van de navordering te vergewissen en de gegevens van de administratie te gebruiken als uitgangspunt voor het eigen verweer. Het is evident moelijker een verweer te organiseren tegen een onderzoek in het ijle, dan wanneer dit onderzoek schriftelijke speren heeft nagelaten die de belastingplichtige nadien zelf kan toetsen en onderzoeken.
Het proces-verbaal voldoet met de eenvoudige vaststelling van een gelijkaardige uitbating bovendien niet aan de hierboven aangehaalde motiveringsvereisten. De gegevens en vaststellingen waaruit men deze conclusie heeft afgeleid worden immers nergens veruitwendigd in het proces-verbaal, zodat dit stuk niet dienstig . kan zijn tot rechtvaardiging van de extrapolatie. Er anders over oordelen zou de deur openzetten voor een praktijk waarbij de administratie bij het opstellen van het proces-verbaal om het even wat zou kunnen poneren op grond van de eenvoudige bewering dat dit gebaseerd is op eigen onderzoek, ervan uitgaande dat men desgevallend aan de hand van een onderzoek a posteriori wel alsnog de nodige gegevens zal vinden om deze stelling te onderbouwen. Dergelijk onderzoek zal evident kaderen in de betwisting door de belastingplichtige, van wie verwacht wordt dat deze zijn grieven met stukken onderbouwt. Eén en ander komt er dan op neer dat de administratie de bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal in de taxatiefase aanwendt of liever misbruikt om zich vrij te stellen van de bij wet opgelegde onderzoeksplicht, om dan vervolgens in de bezwaarfase handig gebruik te maken van de verplichting van de belastingplichtige om zijn grieven te onderbouwen teneinde de eerdere nalatigheid uit de onderzoeksfase toe te dekken.
De belastingplichtige heeft overigens in dit geval wel degelijk een element aangereikt tot staving van zijn kritiek nopens de uitbatingsvoorwaarden voor het jaar 1996 enerzijds en de jaren 1997-1998 anderzijds.
Verweerder is te voortvarend in zijn kritiek dat de uitbetaling van zwarte lonen eiseres belet om ook maar enig argument nopens het personeelsbestand naar voor te brengen.
Uit het verslag van de sociale inspectie, waarvan de waarachtigheid door verweerder zelf wordt verdedigd, blijkt dat het personeelsbestand wel degelijk objectieve verschillen vertoonde voor de bedoelde jaren. De, overigens niet gestaafde of nader toegelichte, uitdrukking van het personeelsbestand in voltijdse equivalenten, kan de administratie niet baten. Het voltijds equivalent is een rekeneenheid waarmee de omvang van een dienstverband of de personeelssterkte kan worden uitgedrukt. Hiermee wordt dus niet het aantal personen bedoeld dat tewerkgesteld is met een voltijds arbeidscontract, maar wel het jaarlijks aantal gepresteerde uren van het personeel over een vijfdaagse werkweek, gedeeld door 251. Deze berekeningsmethode is in essentie bedoeld om een globaal en generaliserend beeld te bieden op het personeelsbestand. In die zin is het mogelijk dat twee jaren eenzelfde voltijds equivalent vertonen, doch de totale hoeveelheid, de identiteit en tewerkstellingsmodaliteiten van de personeelsleden er voor deze beide jaren totaal verschillend uitziet.
Het is bijgevolg mogelijk dat de uitbatingsvoorwaarden er ondanks eenzelfde of minstens sterk vergelijkbaar voltijds equivalent, voor de bedoelde jaren toch anders uitzien.
Minstens is er ter zake ruimte voor gegronde twijfel, welke in deze aan de belastingplichtige ten goede moet komen.
Samengevat oordeelt de rechtbank dat, nu het bestaan van gelijkaardige uitbatingsvoorwaarden voor het jaar 1996 niet objectief wordt aangetoond en het dossier zelfs niet toelaat aan te nemen dat hier überhaupt enig onderzoek naar verricht werd, de administratie zich tot bewijs van de navordering inzake BTW heeft bediend van een niet-toegelaten extrapolatie en deze navordering aldus wettelijke grondslag mist.
De vordering is derhalve gegrond.
Voor wat betreft de kosten van het geding
4.3.8. Verweerder dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de kosten (artikeI1017, lid 1 Ger. Wb.).
De vordering van eiseres is in geld waardeerbaar en dient voor de bepaling van het toepasselijk tarief van de rechtsplegingsvergoeding te worden gesitueerd in de schijf van 20.000,01 EUR tot en met 40.000,00 EUR, overeenstemmend met een basisbedrag van 2.200,00 EUR.
Er worden geen gronden aangevoerd die een afwijking van het basistarief verantwoorden.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Recht doende op tegenspraak.
Melding makende van het feit dat de bepalingen van artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.
Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk, en in de hierna bepaalde mate gegrond.
Verklaart het betwiste dwangbevel van 15 februari 2001 nietig en zegt dienvolgens voor recht dat de bedragen erin vermeld ten titel van BTW, geldboeten en interesten niet verschuldigd zijn.
Veroordeelt verweerder dienvolgens tot terugbetaling aan eiseres van alle bedragen ten titel van BTW; geldboeten en interesten, die reeds door eiseres werden betaald of door verweerder werden ingehouden ter delging van de beweerde BTW-schuld, te verhogen met de wettelijke en gerechtelijke interesten. Veroordeelt verweerder tevens tot de kosten van het geding aan de zijde van eiseres.
Begroot deze kosten als volgt: de basisrechtsplegingsvergoeding: 2.200,00 EUR
Aldus gewezen ,en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op achttien november tweeduizend en dertien, waar aanwezig waren: mevrouw A. D. C., rechter, voorzitter van deze kamer, mevrouw G. L., griffier.
Dit vonnis is, na beraadslaging door mevrouw A. D. C., rechter, die in de onmogelijkheid verkeert om het vonnis uit te spreken, gewezen door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, en in openbare terechtzitting van achttien november tweeduizend en dertien, conform het artikelen 782bis, uitgesproken door de heer C. S., toegevoegd rechter, bij beschikking dd. 13 november 2013 aangewezen door de Voorzitter van deze rechtbank om de voorzitter van de kamer op het ogenblijk van de uitspraak te vervangen, bijgestaan door mevrouw M. C., griffier.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.