Preuve, mesure de contrôle · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Gand 18 avril 2002

Rechercher
Texte en néerlandais

Preuve, mesure de contrôleTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/preuve-mesure-controle-tribunal-gand-2002-04-18-b385

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Gand
Date
18 avril 2002

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

73 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Gand du 18.04.2002

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

ZESDE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 18 APRIL 2002

Algemene rol nummer : 00/571/A

In de zaak van :

BVBA C. B., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Oudenaarde onder nummer …, en tevens ingeschreven in het BTW-register onder nummer BE …,

eiser,

voor wie optreedt mr. L. V. H., advocaat te …, …,

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door het hoofd van het BTW-Controlekantoor te Oudenaarde II,waarvan de kantoren gevestigd zijn te Oudenaarde, Marlboroughlaan 4.

verweerder,

voor wie optreedt mr. E. V. A., advocaat te …, …,

Vonnist de rechtbank als volgt :

1. RECHTSPLEGING

Gelet op de inleidende dagvaarding aan verweerder betekend op 22 februari 2000.

De rechtbank neemt kennis van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde stukken.

De partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 21.3.2002, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

2. DE VORDERING

De vordering van eiseres zoals laatst gelibelleerd in conclusie strekt ertoe in een vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

- in hoofdorde verweerder te veroordelen tot terugbetaling aan eiseres van alle door eiseres betaalde sommen of lastens eiseres ingehouden tegoeden te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf de dag van de betaling of de inhouding,

- in ondergeschikte orde de opgelegde boete kwijt te schelden minstens gevoelig te verminderen,

- verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding.

3. FEITEN

Eiseres heeft als economische activiteit het leveren en plaatsen van sanitaire- en elektrische installaties en van centrale verwarming, de verkoop en verhuur van computers, domotica en het bouwen van individuele huizen.

Bij eiseres wordt een controle inzake de toepassing van de BTW uitgevoerd over de periode 1.1.1995 tot 31.12.1996, wat resulteert in een proces-verbaal van 7.12.1999. Op grond van de artt. 59, § 1 en 64, § 1 W.BTW wordt de omzet van eiseres voor de jaren 1995 en 1996 respectievelijk verhoogd met 1.705.531 frank en 232.851 frank.

Op 13.12.1999 wordt aan eiseres een betalingsbericht toegezonden voor een bedrag van 592.157 frank zijnde :

BTW in hoofdsom : 398.533 frank zijnde

- 1995 :

maatstaf van heffing : niet aangegeven omzet 1.705.531 frank

BTW tarief : 20,5 %

verschuldigde BTW : 1.705.531 x 20,5 % = 349.634 frank

- 1996 :

maatstaf van heffing : niet aangegeven omzet 232.851 frank

BTW-tarief : 21 %;

verschuldigde BTW : 232.851 x 21 % = 48.899 frank

Boete : 114.624 frank

Intresten : 79.000 frank

Op 22.12.1999 meldt eiseres dat zij hiermede niet akkoord is, maar dat zij desondanks tot betaling zal overgaan mits toepassing van een afbetalingsplan.

Bij dagvaarding van 22.2.2000 maakt eiseres de zaak aanhangig bij deze rechtbank.

Eiseres laat gelden dat verweerder ten onrechte toepassing maakt van art. 59, § 1 W.BTW aangezien verweerder niet voorafgaand de boekhouding van eiseres in twijfel heeft getrokken; dat er in casu een verboden opeenstapeling van vermoedens is.

In de meest ondergeschikte orde vraagt eiseres de opgelegde boete kwijt te schelden of minstens gevoelig te verminderen.

Bij conclusie d.d.16.1.2001 vermindert verweerder, rekening houdend met door eiseres neergelegde stukken, de niet aangegeven omzet voor 1995 met 27.540 frank en voor 1996 met 46.410 frank en herleidt dienovereenkomstig zijn vordering.

4. BESPREKING

1. Art. 59 W.BTW vereist geenszins de voorafgaandelijke verwerping van de boekhouding.

Eiseres steunt zich ten onrechte op de rechtspraak die de directe belastingen betreft nu iedere belasting haar eigen regels volgt en de regels van een bepaalde belasting niet gelden voor de interpretatie of de toepassing van een andere belasting.

2. Op grond van art. 59, § 1 W.BTW kunnen overtredingen van de bepalingen van het W.BTW of van de te uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën.

Inzake BTW gelden de materiële vaststellingen, opgenomen in een proces-verbaal, tot bewijs van het tegendeel (art. 59, § 1, 2e lid W.BTW).

In art. 64, § 1 W.BTW wordt bepaald dat hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen behoudens tegenbewijs wordt geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder de voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.

3. Feitelijke vermoedens moeten de voorwaarden vervullen van de artt. 1349 tot 1353 B.W.

Het zijn gevolgtrekkingen waardoor op grond van vastgestelde en bewezen feiten die werkelijk gekend zijn en voldoende vaststaan, andere gegevens die niet of onvoldoende gekend zijn voor zeker kunnen worden gehouden. De gevolgtrekkingen hebben echter geen bewijswaarde wanneer zij uitgaan van feiten die twijfelachtig zijn.

4. In casu stelt de rechtbank vast dat verweerder bij de wedersamenstelling van de omzet het bewijs via feitelijke vermoedens heeft geschonden.

Bij de berekening van het zakencijfer werd er ten onrechte van uitgegaan dat alle effectief gepresteerde uren zoals vermeld op de loonstaten opgemaakt door het Sociaal Secretariaat VZW S. ook factureerbare uurlonen uitmaken.

Verweerder houdt hierbij geen rekening met het feit dat bij aanneming tegen forfaitaire prijs soms meer uren gepresteerd werden dan er aangerekend werden (zie terzake stukken 47 t/m 55 stukken eiseres).

Bovendien is het aannemelijk zoals gesteld door eiseres dat er een aantal niet factureerbare uren zijn omwille van offerte en studiekosten, het laden en lossen, onderhoud wagenpark en magazijn, sollicitatieproeven, garantieverplichtingen.

Dispositif

OP DIE GRONDEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak,

Melding makende dat de bepalingen van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

Alle meeromvattende of strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend;

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond,

Veroordeelt de Belgische staat tot terugbetaling aan eiseres van de bedragen door eiseres betaald of de tegoeden lastens eiseres ingehouden betreffende het betalingsbericht verzonden op 13.12.1999 ref. 299/1209/64581 bedragen te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf de dag van de betaling of de inhouding.

Veroordeelt verweerder tot de kosten geding tot dusver begroot als volgt :

- aan de zijde van eiseres :

dagvaardingskosten : € 189,64

rechtsplegingsvergoeding : € 327,22

- aan de zijde van verweerder :

rechtsplegingsvergoeding : € 327,22.

Aldus gevonnist en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent op achttien april tweeduizend en twee, waar aanwezig waren :

J. D. B., alleenzetelend rechter,

J. D. T., griffier.

J. D. T. J. D. B.