Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 16.10.2008
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT - ZESDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 16 OKTOBER 2008
Rolnummer 04/2304/A
In de zaak van :
D. K. A., wonende te …, … en met ondernemingsnummer …
EISERES, hebbende als raad Mter J. S., advocaat te …, …
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijke Directeur der directe belastingen Wetteren, met kantoren te 9230 Wetteren, Gentsesteenweg 93.
VERWEERDER, hebbende als raad Mter Ph. V., advocaat te …, …
En in de zaak van Rolnummer 06/4236/A
D. K. A., wonende te …, … en met ondernemingsnummer …
EISERES, hebbende als raad Mter J. S., advocaat te …, …
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijke Directeur der directe belastingen Wetteren, met kantoren te 9230 Wetteren, Gentsesteenweg 93.
VERWEERDER, hebben de als raad Mter Ph. V., advocaat te …, …
Vonnist de rechtbank als volgt :
Partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 18.9.2008 waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad werd genomen.
Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien in het bijzonder in de zaak.
AR 04/2304/A :
Het geding inleidend verzoekschrift neergelegd op 11.6.2004, de onderscheiden conclusies van de partijen evenals hun respectievelijke stukken;
AR 06/4236/A :
De geding inleidende dagvaarding, de onderscheiden conclusies van de partijen.
2. VORDERING
De vordering van eiseres strekt ertoe verzet te doen tegen het dwangbevel uitgevaardigd op 12.4.1999, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 14.4.1999 en aan eiseres betekend bij aangetekend schrijven dd.15.4.1999 en dd. 21.1.2004.
Krachtens genoemd dwangbevel wordt aan eiseres bevel gegeven om te betalen :
BTW : … EUR
Boete : … EUR
Intresten berekend tot 20.1.2004 : … EUR
Moratoire intresten tot 20.1.2004 : … EUR
Samen : … EUR meer intresten en aanhorigheden.
De vordering zoals laatst gesteld in conclusies strekt er meer bepaald toe :
"
Het verzoekschrift evenals de dagvaarding ontvankelijk en gegrond te verklaren;
Het dwangbevel van 12.4.1999 en de aanslag in de BTW te vernietigen en te zeggen voor recht dat het dwangbevel nietig is en van gen warde en eiseres hiervan te ontlasten;
De Belgische Staat te veroordelen tot betaling aan eiseres van alle geïnde bedragen BTW met betrekking tot dit dwangbevel, dit te vermeerderen met de intresten op de reeds geïnde sommen;
De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding en uitgavenvergoeding.."
3. FEITEN
Eiseres is geregistreerd als BTW-belastingplichtige voor haar activiteit van kleinhandel in kinderkleding, textielproducten, speelgoed en meubelen.
Ingevolge inzage van het fiscaal dossier van eiseres bij de administratie der directe belastingen en na vergelijking van de gegevens uit de BTW-aangifte bleek dat eiseres m.b.t. de omzet van 1994 en 1995 nog … frank BTW (… + …) verschuldigd was.
Op 25.3.1998 werd een correctieopgave verstuurd.
Op 15.2.1999 werd een bezwaarschrift ingediend tegen de correctieopgave. Eiseres kon zich niet akkoord verklaren met de meeromzet vermeld in de correctieopgave.
Op 1.4.1999 werd een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd (stuk 1 verweerder).
Op 12.4.1999 werd een dwangbevel uitgevaardigd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 14.4.1999 en aan eiseres ter kennis gebracht bij aangetekend schrijven dd. 15.4.1999.
Op 30.4.1999 werd een betaling verricht van … EUR.
Op 21.1.2004 werd het dwangbevel opnieuw bij aangetekend schrijven ter kennis gebracht van eiseres.
Op 12.2.2004 werd een bezwaarschrift ingediend dat op 26.3.2004 werd afgewezen.
Op 11.6.2004 legt eiseres een verzoekschrift neer bij onderhavige rechtbank, zaak gekend onder AR 04/2304/A.
Op 12.12.2006 tekent eiseres bij dagvaarding verzet aan tegen het dwangbevel, zaak gekend onder AR 06/4236/A.
4. BESPREKING
4.1. Nopens de samenvoeging
Partijen vragen de samenvoeging van de beide zaken met resp. AR 04/2304/A en AR 06/4236/A.
Hierop kan worden ingegaan gezien het hetzelfde geschil betreft tussen dezelfde partijen het ene ingeleid bij verzoekschrift het andere bij dagvaarding.
4.2. Nopens de ontvankelijkheid
4.2.1. Verweerderstelt dat de vordering in de zaak AR 04/2304/A onontvankelijk is wegens verkeerde inleiding van de zaak. Dit diende bij dagvaarding te gebeuren nu de eisbaarheid van de BTW zich heeft voorgedaan in 1994 en 1995.
4.2.2. De rechtbank stelt vast dat in de zaak AR 04/2304/A de zaak werd ingeleid bij tegensprekelijk verzoekschrift neergelegd op 11.6.2004.
4.2.3. Het art. 89, 2de lid W.BTW, in voege voor de wetten van 15 en 23 maart 1999 m.b.t. de beslechting en de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, bepaalde dat de tenuitvoerlegging van het dwangbevel slechts kan worden gestuit bij een door de belastingschuldige gedaan en met redenen omkleed verzet met dagvaarding.
Art.59 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen (in werking getreden op 6 april 1999) bepaalt dat art. 89, lid 2 W.BTW wordt vervangen door de volgende bepaling : "De tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan slechts worden gestuit door een vordering in rechte."
De wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken (B.S. 27/3/1999) is in werking getreden op 6 april 1999 stelt in art.9 : "(In het Gerechtelijk Wetboek worden volgende artikelen ingevoegd :)
art.1385decies : Tegen de belastingadministratie wordt de vordering inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32°, ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak (...)"
Nieuwe procedureregels zijn in principe onmiddellijk van toepassing. Dit principe geldt ook voor fiscale procedures. (TIBERGHIEN. A, Inleiding tot het Belgisch Fiscaal recht., Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, 1986, 283.) De wet voorziet evenwel zelf in een aantal overgangsbepalingen.
Zo stelt art. 97, lid 3 van de Wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van de fiscale geschillen dat voormeld art. 59 van toepassing is op de belastingen, intresten en fiscale boeten wanneer de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999.
In voormelde wet van 23.3.1999 wordt de overgangsbepaling van art.97 van de wet van 15 maart 1999 niet afgeschaft.
Gelet op het voorgaande dient te worden besloten dat de nieuwe regels met betrekking tot de wijze waarop het fiscaal geding wordt ingeleid (verzoekschrift in plaats van dagvaarding ) slechts van toepassing zijn op de geschillen inzake BTW die betrekking hebben op vorderingen of teruggaven waarvan de oorzaak van opeisbaarheid of teruggave zich vanaf 1 januari 1999 heeft voorgedaan (zie in dezelfde zin Rb. Gent dd. 9.11.2000, A.R. 00/1120/B, F.J.F. 2001/212; Rb. Brugge dd.18.12.2000, AR. 99/1354/A; Rb. Gent, 27.3.2003 A.R. 01/158/A).
4.2.4. ln casu heeft de verschuldigde BTW betrekking op de jaren 1994 en 1995. De oorzaak van eisbaarheid heeft zich bijgevolg noodzakelijk voorgedaan voor 1.1.1999 zodat de vordering bij dagvaarding diende ingesteld.
De vordering bij verzoekschrift in de zaak AR 04/2304/A is onontvankelijk.
4.3. Ten gronde
4.3.1. Uit bijlagen 1 t/m 7 van stuk 1 van verweerder blijkt dat voor het jaar 1994 en 1995 inzake directe belastingen door eiseres een akkoord werd gesloten over de verhoging van de nettowinst met respectievelijk … frank en … frank.
Op grond van deze gegevens stelt verweerder in zijn proces verbaal dd. 1.4.1999 dat er inzake directe belastingen een akkoord werd gesloten over een omzetverhoging ten bedrage van respectievelijk … frank en … frank met als gevolg dat er nog BTW moet voldaan worden over deze niet-aangegeven omzet.
4.3.2. Eiseres stelt dat verweerder zich niet kan beroepen op een akkoord inzake directe belastingen waarop de belastingplichtige later is teruggekomen. Voorts stelt eiseres dat verweerder niet bewijst dat een belastbaar inkomen uit tekenen en indiciën afkomstig is uit de beroepswerkzaamheid van eiseres. Vervolgens voert eiseres aan dat de bewijsvoering nietig is omdat zij vermoedens op vermoedens cumuleert.
4.3.3. De administratie van de BTW mag bij toepassing van art.59, § 1 W.BTW gebruik maken van elementen geput uit het fiscaal dossier van de belastingplichtige bij de administratie der directe belastingen.
De akkoorden afgesloten door eiseres moeten als een bekend feit worden beschouwd. Temeer eiseres niet aantoont dat deze door een wilsgebrek zijn aangetast. Hieruit kan de BTW administratie terecht afleiden dat de meerwinst voortspruit uit een hogere omzet aan belastbare BTW-handelingen. (zie in dezelfde zin Gent 18.2.2002, F.J.F. 2003/24; Rb. Brugge 5.3.2001 AR00/371/A stuk 10 verweerder).
Het is dan aan de belastingplichtige om het tegenbewijs te leveren.
In casu is er geen enkele aanduiding van verwerping van bedrijfslasten en eiseres heeft ook niet aangetoond dat de verhoging van de nettowinst voortkwam uit andere winsten dan deze die voortspruiten uit de omzet van de door haar gedreven handel.
Van een bewijsvoering van vermoedens op vermoedens is derhalve geen sprake.
Tevergeefs voert eiseres aan dat de beginselen van behoorlijk bestuur werden geschonden.
4.4. nopens de kosten
Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig ar. 1017,1°lid Ger.W. moet zij de gerechtskosten dragen.
Partijen verzoeken om toepassing van het basisbedrag der rechtsplegingsvergoeding en ramen de waarde van de vordering op … EUR.
Dispositif
OP DIE GRONDEN,
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak,
Melding makende dat de bepalingen van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Voegt de zaken AR 0412304/A en AR 06/4236/A samen.
Verklaart de vordering in de zaak AR 04/2304/A ontvankelijk.
Verklaart de vordering in de zaak AR 06/4236/A ontvankelijk en ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de kosten van geding begroot als volgt :
aan de zijde van eiseres :
- dagvaardingskosten : … EUR
aan de zijde van verweerder :
- rechtsplegingsvergoeding : … EUR
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op donderdag zestien·oktober tweeduizend en acht, waar aanwezig waren :
mevrouw J. D. B., rechter, voorzitter van deze kamer,
mevrouw G. L., griffier.
G. L. J. D. B.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.