Preuve, mesure de contrôle, droit à déduction de l’impôt · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 21 janvier 2008

Rechercher
Texte en néerlandais

Preuve, mesure de contrôle, droit à déduction de l’impôtTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/preuve-mesure-controle-droit-deduction-tribunal-bruges-2008-01-21-0560

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
21 janvier 2008

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

97 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 21.01.2008

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 04/3511/A Rep. nr. 2008/971

de NV G. G. W., (RPR Kortrijk nr. …), met zetel te …, …,

eiseres,

voor wie optreedt Meester S. L., advocaat met kantoor te …, …,

tegen :

De FOD FINANCIËN, Administratie van de ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, vertegenwoordigd door de e.a. verificateur bij de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, de heer W. B., met kantoor te 8800 ROESELARE, Rondekomstraat 30,

verweerder,

voor wie optreedt Meester F. W., advocaat met kantoor te …, ….

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het fiscaal verzoekschrift d.d. 23 november 2004.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 24 december 2007.

Artikel 2·en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE …. Zij is actief in de automobielsector als officiële concessiehouder voor Mercedes-Benz voor de verkoop van nieuwe personenwagens, bedrijfsvoertuigen en autocars. Verder verkoopt eiseres occasievoertuigen en voert zij onderhoud en herstellingen uit aan de voertuigen. Zij is derhalve onderworpen aam de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 19 mei 2003 werd door W. B., eerstaanwezend verificateur bij de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in die hoedanigheid ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit. Controlecentrum Roeselare, een controle uitgevoerd over de facturen met betrekking tot de periode van 1 januari 2000 tot 30 september 2002.

Op 12 januari 2004 werden de overtredingen en vaststellingen opgenomen in een proces-verbaal door voormelde ambtenaar. Volgens voormelde ambtenaar werd een bedrag van 12.896,31 EUR teveel afgetrokken als BTW, bovendien werd een boete opgelegd van 1.280,00 EUR en werd vastgesteld dat vanaf 21 oktober 2002 er wettelijke intresten verschuldigd zijn op het bedrag van 12.860,00 EUR.

Op 19 maart 2004 heeft eiseres een bedrag van 15.929,35 EUR betaald onder voorbehoud en zonder enige nadelige erkentenis.

Op 23 november 2004 heeft eiseres een fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie.

2. Eiseres vraagt dat :

- het verzoekschrift ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

- voor recht wordt gezegd dat de BTW waarvan sprake in het proces-verbaal d.d. 12 januari 2004 aftrekbaar is;

- terugbetaling wordt bevolen van alle sommen die op grond van het vernietigde proces-verbaal d.d. 12 januari 2004 zijn geïnd, te verhogen met de moratoire intresten;

- toepassing wordt bevolen van artikel 1154 BW vanaf de dag van de aanmaning tot betaling (besluiten van 29 september 2005) van de voor een jaar vervallen intresten op de moratoriumintresten tot de dag van de algehele betaling van de betaalde belasting en van de verschuldigde moratoriumintresten;

- verweerder wordt veroordeeld tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

Eiseres legt op de zitting van 24 december 2007 een kostennota neer waarbij zij vraagt om de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig het KB van 26 oktober 2007 te verhogen tot 2.500,00 EUR wegens de complexiteit van de zaak.

3. Verweerder vraagt dat de vordering van eiseres ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtplegingsvergoeding.

Verweerder legt op de zitting van 24 december 2007 vierde besluiten neer te leggen waarbij wordt gevraagd de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig het KB van 26 oktober 2007 te bepalen op het basisbedrag van 1.100,00 EUR.

III. BEOORDELING

A. Betreffende de toelaatbaarheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.

B. Betreffende de grond

1. betreffende het proces-verbaal

1.1. Partijen zijn het erover eens dat alleen de materiële vaststellingen door de verbaliserende ambtenaar opgenomen in het proces-verbaal d.d.12 januari 2004 de bijzondere bewijskracht hebben voorzien in artikel 59, § 1,tweede lid W.BTW.

De kwalificatie van de uitgaven ter gelegenheid van het stijlvol inhuldigingsfeest op 5, 6 en 7 oktober 2001 als kosten van onthaal en gedeeltelijk ook als kosten van logies, spijzen en dranken is een juridische gevolgtrekking die niet de bijzondere bewijskracht heeft in de zin van artikel 59, § 1, tweede lid W.BTW.

1.2. Eiseres stelt dat in het proces-verbaal geen bewijs wordt geleverd dat de uitgaven kosten van onthaal en kosten van logies, spijzen en dranken betreffen, minstens dat de bewijsvoering niet is gebaseerd op bepaalde vermoedens.

De verbaliserende ambtenaar heeft vastgesteld dat eiseres op 5, 6 en 7 oktober 2001 een inhuldigingsfeest heeft georganiseerd, wat o.a. bestond uit een modeshow en een receptie, en heeft wat dat betreft 8 facturen gecontroleerd, welke bij het proces-verbaal gevoegd zijn. De aard van de dienst of het goed van de betreffende facturen zijn uitdrukkelijk vermeld in het proces-verbaal. Verder verwijst de verbaliserende ambtenaar naar artikel 45, § 1 en § 3, 3° en 4° W.BTW. Op basis van dit alles stelt hij dat de uitgaven kosten van onthaal en kosten van logies, spijzen en dranken betreffen, waarvan de BTW niet aftrekbaar is.

De rechtbank stelt dan ook vast dat de verbaliserende ambtenaar de juiste en draagkrachtige juridische en feitelijke redenen van zijn beslissing heeft vermeld.

2. betreffende de schending van artikel 17, 6° lid van de Zesde BTW-richtlijn

2.1. Volgens artikel 17, 6° lid van de zesde BTW-richtlijn (in werking getreden op 1 januari 1978) mogen de lidstaten geen nieuwe aftrekbeperkingen invoeren, met dien verstande dat de bestaande aftrekbeperkingen die bestonden op het ogenblik van de inwerkingtreding van de zesde richtlijn behouden blijven (de zogenaamde standstill-bepaling).

De aftrekbeperking van artikel 45, § 3 W.BTW dateert van voor 1 januari 1978 zodat zij als overgangsbepaling van toepassing blijft.

2.2. Aangezien de wet inzake aftrek van voorbelasting op kosten van onthaal en kosten van logies, spijzen en dranken de aftrekbeperkingen sinds de inwerkingtreding van de zesde BTW-richtlijn niet heeft verruimd, heeft artikel 45, § 3 W.BTW het EG-recht niet geschonden.

Uit de bewoordingen van artikel 17, 6° lid van de zesde BTW-richtlijn blijkt bovendien dat een aftrekbeperking of -uitsluiting wel mogelijk is wat betreft uitgaven meteen professioneel karakter.

3. betreffende artikel 45, § 3, 3° en 4° W.BTW

3.1. Verweerder is van oordeel dat eiseres de BTW t.b.v. 12.896,31 EUR m.b.t. volgende facturen ten onrechte heeft afgetrokken :

- factuur d.d. 28/09/2001 van BVBA P. de la M.

- factuur d.d. 10/10/2001 van BVBA L. S. F.

- factuur d.d. 05/10/2001 van NV R.-a-P.

- factuur d.d. 01/10/2001 van BVBA A.

- factuur d.d. 24/09/2001 van BVBA P. de la M.

- factuur d.d. 05/10/2001 van NV C.

- factuur d.d. 08/10/2001 van NV M. & Zoon

- factuur d.d. 31/10/2001 van NV D.-L.

Verweerder is van oordeel dat de gefactureerde prestaties kosten van onthaal (facturen 1 tot 6 en 8) betreffen en/of kosten van spijzen en dranken (facturen 4 en 6 tot 8), waarvan de BTW krachtens het artikel 45, § 3, 3° en 4° W.BTW niet voor aftrek in aanmerking komt.

In zijn tweede besluiten d.d. 23 maart 2006 stelt verweerder dat, gelet op de beslissing E.T. 109.623 d.d. 24 juli 2005 en gelet op het feit dat niet betwist kan worden dat eiseres op de bewuste data het nieuwe model Mercedes SL heeft voorgesteld aan haar cliënteel en dan ook de andere Mercedes-modellen in de kijker heeft gesteld, hij bereid is een deel van de gedane uitgaven als publiciteit te aanvaarden. In zijn besluiten d.d. 12 oktober 2006 stelt verweerder dat hij wel van mening blijft dat een deel van de uitgaven enkel tot bedoeling hadden een algemeen gunstige atmosfeer ten overstaan van de onderneming te creëren en bijgevolg aan de omschrijving van kosten van onthaal voldoen.

3.2. Volgens eiseres had het gebeuren op 5, 6 en 7 oktober 2001 in al zijn aspecten een zuiver publicitair karakter en moet besloten worden dat de BTW op al de in het proces-verbaal opgesomde facturen volledig in aftrek kan worden gebracht.

3.3. De vraag die zich stelt is zodoende of de door eiseres gemaakte kosten raar aanleiding van het gebeuren op 5, 6 en 7 oktober 2001 in haar bedrijfsgebouwen als kosten van onthaal moeten worden aangemerkt dan wel als publiciteitskosten.

Overeenkomstig artikel 45, § 1, 1° W.BTW mag de belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is ter zake van de door hem verrichte leveringen en diensten, in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten en van de door hem ingevoerde goederen, voor zover hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van handelingen onderworpen aan de belasting.

Overeenkomstig artikel 45, § 3, 4° W.BTW komt niet voor aftrek in aanmerking de belasting ter zake van kosten van onthaal.

Kosten van onthaal zijn kosten gedaan voor onthaal en ontvangst, desgevallend gepaard gaande met vermaak of ontspanning, van aan het bedrijf vreemde bezoekers, inzonderheid klanten en leveranciers, met het oog op het bestendigen of verstevigen van zakelijke relaties. Wanneer de uitgave hoofdzakelijk en rechtstreeks tot doel heeft de eindkoper in te lichten over het bestaan en de hoedanigheid van een product of dienst met de bedoeling de verkoop ervan te bevorderen, dan betreft het een publiciteitskost (Cass., 8 april 2005, T.F.R., blz. 872).

3.4. Eiseres heeft uitnodigingen verzonden om in de periode van 6 tot 14 oktober 2001 het nieuwe model Mercedes SL te ontdekken samen met de andere Mercedes-modellen in het nieuwe bedrijfscomplex van eiseres.

Er is geen betwisting dat de nieuwe SL-klasse internationaal gelanceerd werd in het weekend van 6 en 7 oktober 2001. Aan deze lancering van het nieuwe model heeft eiseres gedurende een ruimere periode (van 5 tot 14 oktober) opendeurdagen gekoppeld om ook de andere Mercedes-modellen in de kijker te stellen en dit alles in het nieuwe bedrijfscomplex.

Ter gelegenheid van de lancering van het nieuwe model Mercedes SL werd door eiseres evenementen georganiseerd met een modeshow (op 6 oktober), een pannenkoekenstand en een grimestand (op 6 en 7 oktober), een receptie met speciale act (op 5 oktober), drankjes gedurende de ganse periode en werden in de bedrijfsgebouwen gehuurde planten en bloemen geplaatst.

Uit de feitelijke omstandigheden blijkt dat eiseres evenementen organiseerde om het nieuwe model Mercedes SL voor te stellen en om ook de andere Mercedes-modellen in de kijker te zetten. De door eiseres georganiseerde evenementen en gemaakte kosten hadden een effectief en coherent publicitair karakter en vonden plaats onder omstandigheden die aan de bezoekers vermaak en ontspanning boden. Het betreft kosten die werden gemaakt om de onderneming (het merk Mercedes-Benz in het algemeen en het bedrijf van eiseres in het bijzonder) bekend te maken, haar producten (het nieuwe model Mercedes SL in het bijzonder maar ook andere Mercedes-modellen in het algemeen) aan te prijzen en de genodigden te informeren.

De georganiseerde activiteiten waren onlosmakelijk verbonden met de publiciteit die door eiseres werd opgezet rond de lancering van het nieuwe model Mercedes SL en die moesten bijdragen tot de bekendheid van het bedrijf van eiseres en haar producten.

Het aanbieden van een hapje en een drankje is er duidelijk op gericht om de genodigden aan te zetten naar het gebeuren te komen. Het aanbieden van een hapje en een drankje vormt dan ook een geheel met het eigenlijke publicitair gebeuren.

Uit de uitnodigingen die door eiseres werden verstuurd blijkt niet dat het eerste doel van eiseres was haar nieuwe bedrijfsgebouw aan haar cliënteel voor te stellen. Het eerste doel van het hele gebeuren was duidelijk het nieuwe model Mercedes SL voor te stellen, het tweede doel was de voorstelling van andere Mercedes-modellen en dit alles gebeurde, eerder toevallig, in het nieuwe bedrijvencomplex van eiseres.

3.5. De rechtbank stelt dan ook vast dat de uitgaven die werden aangehaald in het proces-verbaal d.d. 12 januari 2004 (met inbegrip van de spijzen en dranken) kosten van publiciteit zijn, waarvan de BTW krachtens artikel 45, § 1, 1° W.BTW in aftrek mag worden gebracht, en die niet vallen onder de uitzonderingsbepalingen van artikel 45, § 3, 4° (kosten van onthaal) en 45, § 3, 3° (kosten van spijzen en dranken) W.BTW.

3.6. Op het ten onrechte betaalde bedrag is intrest verschuldigd overeenkomstig artikel 91, § 4 W.BTW.

In haar besluiten d.d. 29 september 2005 stelt eiseres verweerder in gebreke tot betaling van de voor een geheel jaar verschuldigde intresten op het door eiseres op 19 maart 2004 betaalde bedrag van 15.929,35 EUR. Bij gebreke aan betaling draagt eiseres de kapitalisatie van de intresten in toepassing van artikel 1154 BW.

De rechtbank stelt vast dat de voorwaarden voorzien in artikel 1154 BW voldaan zijn tot kapitalisatie van de intresten op 29 september 2005.

4. de overige grieven

De overige grieven van eiseres dienen niet te worden onderzocht nu het eventueel gegrond verklaren en aan niet tot een ruimer voordeel voor eiseres kan leiden.

C. Betreffende de kosten

Gezien verweerder in het ongelijk wordt gesteld, moet hij overeenkomstig artikel 1017, 1° lid Ger.W. de gerechtskosten dragen.

In haar onkostennota d.d. 24 december 2007 vraagt eiseres een verhoging van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig het KB van 27 oktober 2007 rekening houdende met de complexiteit van het geschil.

De complexiteit dient geschil per geschil beoordeeld te worden. Het is niet omdat het een fiscaal geschil betreft dat het automatisch een complex geschil zou betreffen. Het is evenmin omdat eiseres Europees recht en de communautaire BTW-regelgeving heeft aangehaald in haar besluiten dat het automatisch een complex geschil zou betreffen. Het geschil betrof louter een feitelijke kwalificatie van uitgaven, zodat de rechtsplegingsvergoeding niet kan verhoogd worden wegens de complexiteit van het geschil.

Het door eiseres gevorderde bedrag ligt tussen de 10.000 en 20.000 EUR zodat zij recht heeft op een rechtsplegingsvergoeding t.b.v. het basisbedrag van 1.100,00 EUR.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak;

Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.

Verklaart de eis toelaatbaar en in volgende mate gegrond.

Zegt voor recht dat de bedragen die zijn vermeld in het proces-verbaal d.d. 12 januari 2004 ten titel van BTW, geldboete en intresten niet verschuldigd zijn.

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling aan eiseres van de som van 15.929,35 EUR, te verhogen met de verwijlintresten aan de wettelijke rentevoet vanaf de inning of inhouding, daarin begrepen zijnde de gerechtelijke rente vanaf de datum van het verzoekschrift tot op de datum van volledige betaling.

Beveelt de toepassing van artikel 1154 BW, vanaf de dag van de aanmaning tot betaling (zijnde 29 september 2005) van de voor een jaar vervallen intresten, op de vermelde intresten tot de dag van de algehele betaling.

Veroordeelt verweerder tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, en aan de zijde van eiseres begroot op de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 1.100,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op maandag éénentwintig januari tweeduizend en acht.

Aanwezig zijn :

D. P. L., alleenrechtsprekend rechter;

L. N., griffier.

N. L. L. D. P.