Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 21.05.2013
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent - Zesde Fiscale Kamer - Openbare terechtzitting van 21 mei 2013
Rolnummer AR 12/248/A
In de zaak van :
1. V. S., bestuurder van vennootschappen, en zijn echtgenote
2. V. H. G., beide samen wonende te …, …;
EISERS, hebbende als raadslieden Mter. J. S. en Mter. S. L., advocaten te …, …, die optreden voor en namens het advocatenkantoor CVBA l.-S. Advocaten;
Tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12-14, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijke Directeur van de BTW, Registratie en Domeinen te Gent, met burelen te· 9050 Gent, G. Crommenlaan 6 bus 601
VERWEERDER, voor wie optreden mevr. K. V. en dhr. P. W., beiden inspecteur bij een fiscaal bestuur
Vonnist de rechtbank als volgt :
1. De rechtspleging
De partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 9 april 2013 waarna het debat gesloten werd en de zaak in beraad genomen. Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien in het bijzonder het gedinginleidende verzoekschrift d.d. 29 december 2011 en de laatste regelmatig neergelegde conclusies van de partijen (artikel 748bis Ger.W.).
2. De vordering
De eisers verhalen zich tegen het proces-verbaal d.d. 14 mei 2009, waarbij de Btw-administratie stelt dat de eisers aan de administratie de volgende bedragen verschuldigd zijn :
- BTW : … EUR,
- boete : … EUR,
- intresten : p.m.
De eisers vragen de rechtbank te zeggen voor recht dat zij de op grond van dit proces-verbaal geëiste bedragen niet verschuldigd zijn, de terugbetaling van de op grond van dit proces-verbaal ten onrechte geïnde bedragen, en de veroordeling van de Belgische Staat tot de kosten van het geding.
Bij wijze van tegenvordering vraagt de verweerder de rechtbank om de eisers te veroordelen tot de betaling van de voormelde fiscale schuld, zoals vermeld in het proces-verbaal van 14 mei 2009.
3. De relevante feiten en het geschil
De eisers zijn eigenaar van een bestaande woning gelegen te … aan de …, met kadastrale omschrijving afdeling 1, sectie C, nrs. 350s, 351d en 352f.
Op 10 juni 2006 werd aan de eisers een bouwvergunning verleend tot het verbouwen en uitbreiden van een bestaande woning gelegen te …, ….
Op 3 oktober 2008 werd door de eisers de aangifte nr. 1063 ingediend, voorgeschreven door artikel 64, § 4 W.BTW. De facturen en het bouwplan werden overgemaakt.
De eisers zijn van mening dat deze bouwwerkzaamheden kwalificeren als een verbouwing en om die reden het Btw-tarief van 6% van toepassing is.
De Btw-administratie deelt deze zienswijze niet. Op 24 november 2008 werd aan de eisers een minnelijke inregelstelling toegezonden voor goedkeuring en ondertekening.
Op 2 januari 2009 werd door de heer V. S. een bezwaarschrift ingediend bij de bevoegde Btw-administratie. In dit bezwaarschrift werd gesteld dat de eisers zich niet konden akkoord verklaren met de toepassing van het Btw-tarief van 21%. Door de verbaliserende ambtenaar werd op 6 januari 2009 geantwoord aan de heer V. S.. In deze brief deelt de administratie de redenen mee op grond waarvan ze meent haar standpunt te kunnen handhaven. Op vraag van de bouwheer werd op 24 februari 2009, naar aanleiding van de minnelijke inregelstelling, de verbouwing ter plaatse bekeken door de verbaliserende fiscale ambtenaar.
Vervolgens werden de verrichte vaststellingen door de heer Peter Willems op 14 mei 2009 geacteerd in een proces-verbaal. Een afschrift van dit proces-verbaal werd toegezonden aan de eisers waarbij werd medegedeeld dat een invorderingsorder werd opgemaakt en dat hij eerstdaags een betalingsbulletin zou ontvangen.
Op 29 december 2011 werd door de eisers een verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van deze rechtbank. Hierbij wordt de vordering ingesteld tot behoud van het Btw-tarief van 6% op de verrichte bouwwerkzaamheden.
4. Beoordeling
4.1. Met betrekking tot de bewijswaarde het proces-verbaal en de bewijslast.
4.1.1.
De eisers zijn van oordeel dat de stelling van de administratie, namelijk dat er sprake zou zijn van nieuwbouw, louter een deductie betreft die de administratie gemaakt heeft uit de door haar verrichte vaststellingen. Deze deductie betreft volgens de eisers geen bewijskrachtige materiële vaststelling. Volgens de eisers levert het proces-verbaal niet het bewijs van het standpunt van de administratie.
4.1.2.
Krachtens artikel 59, § 1, tweede lid W.BTW. leveren de processen-verbaal bewijs op zolang het tegendeel niet bewezen is. Dit houdt in dat alle materiële vaststellingen waarvan de verbalisant verklaart getuige geweest te zijn en dat alle handelingen die de verbalisant verklaart gesteld te hebben en die in het proces-verbaal opgenomen zijn, als waarachtig moeten worden beschouwd zolang hun onjuistheid niet is bewezen.
Artikel 1 van het Koninklijk besluit nr. 20 van 1970 luidt als volgt :
"Het normale tarief van de belasting over de toegevoegde waarde voor goederen en diensten bedoeld in het Wetboek bedraagt 21 pct.
In afwijking van het eerste lid wordt de belasting geheven tegen het verlaagd tarief van :
a) 6 pct. Voor de goederen en diensten opgenomen in tabel A van de bijlage bij dit besluit.
Dit verlaagd tarief mag evenwel niet toegepast worden als de diensten bedoeld in tabel A bijkomstig deel uitmaken van een complexe overeenkomst die hoofdzakelijk andere diensten tot voorwerp heeft; (...)".
Uit de tekst van artikel 1 van het Koninklijk Besluit nr. 20 van 20 juli 1970 volgt dat het normale Btw-tarief van 21% van toepassing is, tenzij de Btw belastingplichtige/hoofdelijke medecontractant het bewijs levert dat een lager Btw-tarief van toepassing is.
Krachtens artikel 1 van het Koninklijk Besluit nr. 20 van 20 juli 1970 dragen de eisers de bewijslast van de stelling dat het Btw-tarief van 6% van toepassing is. De administratie merkt terecht op dat de toepassing van het verlaagd Btw-tarief van 6% is een uitzondering op een algemene regel.
De eisers stellen dat de verbaliserende ambtenaar geen persoonlijke vaststellingen deed ter plaatse. Op vraag van de eisers heeft de heer P. W. op 24 februari 2009 een bezoek ter plaatse verricht (bewijsstuk 30 van heet administratief dossier). Er werd door de heer W. vastgesteld dat de werken volgens plan werden uitgevoerd.
4.2. Ten gronde.
4.2.1.
Tabel A van de bijlage bij het K.B. nr. 20 geeft een opsomming van de goederen en diensten die onderworpen zijn aan het tarief van 6%.
Rubriek XXXI, § 1, 1° van deze tabel A luidt als volgt :
"XXXI. Werk in onroerende staat met betrekking tot privé-woningen.
§ 1. Het werk in onroerende staat en de andere handelingen bedoeld in §3 worden onderworpen aan het verlaagd tarief, voor zover de volgende voorwaarden zijn vervuld :
1° de handelingen moeten de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben;..."
De wettelijke bepalingen verstrekken geen verdere omschrijving van de begrippen omvorming en renovatie.
De begrippen 'omvorming, renovatie, rehabilitatie en verbetering' ('transformation, rénovation, réhabilitation, amélioration), moeten in hun gewone betekenis worden uitgelegd : zowel voor renovatie, rehabilitatie als voor omvorming moet steeds verstaan worden dat een zekere 'actie' wordt uitgeoefend op een bestaand voorwerp, hier een bestaande woning. Deze begrippen omvatten in beginsel geen handelingen of behandelingen die op zich tot 'uitbreiding' inhouden.
4.2.2.
Aan de hand van de concrete feitelijke vaststellingen en de overgelegde stukken dient te worden nagegaan of de uitgevoerde werken een verbouwing of omvorming in de zin van de wet hebben beoogd, dan wel of deze werken hoofdzakelijk hebben geleid tot het tot stand brengen van een nieuw appartement. De werkelijke aard van de werken en het uiteindelijke resultaat primeren, ongeacht de benaming ervan in stedenbouwkundige vergunningen.
Door de verbaliserende ambtenaar werden de volgende vaststellingen verricht die werden geacteerd in zijn proces-verbaal van 14 mei 2009 :
- het betreft in casu een uitbreiding van een woning met een leefruimte, dressing, badkamer, inkom, bureel, berging en garage na afbraak van een oude garage.
- tevens is de oppervlakte van het nieuwe gebouw groter dan de helft van de totale oppervlakte na de uitvoering van de werken. Wanneer we de oppervlakte berekenen van het nieuwe gedeelte, nl. de woning, komen we tot een verhouding van 245,00 m2 nieuw ten opzichte van 199,06 m2 zijnde de helft van de totale oppervlakte na uitvoering van de werken of een overschrijding van 45,94 m2.
Op basis van het bouwplan worden door de fiscale administratie de volgende toelichtingen verstrekt :
• voor het berekenen van de oppervlakte van het overgebleven oude gedeelte gaat men geen rekening houden met de oppervlakte van het oude gedeelte dat afgebroken is en opnieuw gebouwd is;
• de garage en berging moeten als nieuw worden beschouwd, ook omdat deze zo zijn ingekleurd volgens de legende van het bouwplan;
• zoals blijkt uit het bouwplan werd de nieuwe woning uitgebreid met een leefruimte, dressing, badkamer, inkom, bureel, berging en garage.
Op 24 februari 2009 werd door de verbaliserende ambtenaar ter plaatse de juiste toestand van het gebouw bekeken in aanwezigheid van eiser. Zoals reeds vermeld werd door de fiscale ambtenaar vastgesteld dat de bouwwerken werden uitgevoerd overeenkomstig het bouwplan.
Op grond van een analyse van het bouwplan blijkt dat het de uitbreiding betreft van een woning met een leefruimte, dressing, badkamer, inkom, bureel, berging en garage, na afbraak van een oude garage.
De administratie merkt terecht op dat de legende bij het bouwplan de nieuwe structuur duidelijke aangeeft. Het voorgelegde bouwplan en de legende geven duidelijk aan welke muren nieuw zijn en welke muren behouden werden. De afgebroken muren die werden heropgebouwd zijn als terecht als nieuw aangeduid. Uit de analyse van het plan blijkt dat de oppervlakte met nieuwe buitenmuren kennelijk groter is dan de oppervlakte met bestaande buitenmuren.
De oude dragende muren van de garage en de berging werden volledig afgebroken en heropgebouwd, waarbij enkel de funderingen werd behouden. Voor de berekening van de oppervlakte van het oude gedeelte kan enkel rekening worden gehouden met het overgebleven oude gedeelte en niet met het gedeelte dat werd afgebroken en opnieuw gebouwd werd. Uit het bouwplan blijkt dat het nieuwe gedeelte groter is dan het behouden gedeelte. De administratie voert terecht aan dat de gebouwde garage moet worden opgenomen in de berekening van de te vergelijken oppervlakten oud/nieuw.
In het proces-verbaal van 14 mei 2009 werd de berekening opgenomen van de te vergelijken oppervlakten. Het nieuwe gedeelte van de woning is 245,00 m2. De oppervlakte van het gelijkvloers oude gedeelte, met bestaande kelder is 153,13 m2. Daarbij wordt de verhouding verkregen van 245,00 m2 nieuw ten opzichte van 152,13 m2 overgebleven gedeelte. De helft van de totale oppervlakte na de werken is 199,06 m2, hetgeen een overschrijding inhoudt van 45,94 m2.
Uit het geheel van deze gegevens volgt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van het verlaagd tarief van 6%. De administratie heeft op grond van deze objectieve vaststellingen terecht geoordeeld dat de werken wel degelijk een omvang hebben tengevolge waarvan deze niet kunnen worden aangemerkt als een verbouwing, maar over bouwen van een nieuwe woning.
4.3. Met betrekking tot de geldboete.
In het proces-verbaal is vermeld op grond van welke feitelijke vaststellingen en wetsbepalingen de verschuldigde bedragen aan BTW, boeten en interesten zijn berekend. De geldboete wordt gevorderd krachtens artikel 70, § 1 W.BTW. verminderd overeenkomstig het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987, tabel G, eerste afdeling, rubriek IV, van de bijlage bij dit besluit tot 10 % van de verschuldigde belasting en afgerond op … EUR. Uit de feitelijke overwegingen aangehaald in het proces-verbaal blijkt dat het belastbaar feit, de omvang en de oorzaak van de fiscale schuld en de geldboete zijn vermeld. Het proces-verbaal maakt melding van de afdoende motieven omtrent de verschuldigde bedragen aan BTW, boeten en interesten, waarop het is gesteund.
Het proces-verbaal stelt de eisers in staat het voorwerp en de oorzaak van de vordering van verweerder te kennen. De geldboete werd conform de wet opgelegd en er zijn geen redenen om de geldboete kwijt te schelden of te verminderen.
4.4. Met betrekking tot de tegenvordering
De administratie verzoekt de rechtbank haar een uitvoerbare titel te verschaffen, doch kennelijk met opzet de stuiting van de verjaring te verzekeren, verwijzend naar een arrest van het Hof van cassatie d.d. 18 november 2010 (AR F.09.0125.F, http://www.cass.be).
De rechtbank is van oordeel dat de fiscale administratie de wettelijke bevoegdheid en verplichting heeft zichzelf een titel te verschaffen met het oog op de eventuele gedwongen inning van de verschuldigde belasting.
4.5. Met betrekking tot de gerechtskosten
De eisers dienen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten te worden verwezen (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).
In toepassing van de artikelen 279 en 162, 4° van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is geen rolrecht verschuldigd.
Aangezien de Belgische Staat niet wordt vertegenwoordigd door een advocaat, is evenmin een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Recht doende op tegenspraak.
Melding makende van het feit dat de bepalingen van artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.
Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.
Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond.
Verklaart de tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond.
Veroordeelt de eisers tot de kosten van het geding.
Begroot deze kosten als volgt : … EUR
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op eenentwintig mei tweeduizend dertien, waar aanwezig waren :
- de heer S. R., rechter, voorzitter van deze kamer,
- mevrouw G. L., griffie.
G. L. S. R.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.