Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 13.03.2000
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL - 33ste kamer
VONNIS AR 98/10811/A
INZAKE :
Monsieur G. L., restauranthouder, wonende te …, …, Handelsregister Hasselt nummer …, uitbater van een restaurant te …,
Eiser,
Vertegenwoordigd door Meester B. V. & S., advocaten te …, …
TEGEN :
DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van het hoofd van het BTW-controlekantoor, Anderlecht I, wiens kantoren gevestigd zij te 1000 Brussel, Zuidlaan 33,
Verweerder,
Vertegenwoordigd door Meester V. loco Meester A. D., advocaat te …, …,
In deze zaak, in beraad genomen op 3 maart 2000, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit :
I. PROCEDURE
Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :
- het exploot van dagvaarding, betekend op 9 oktober 1998 bij exploot van gerechtsdeurwaarder A., verblijvende te …;
- de beschikking" artikel 747 Gerechtelijk Wetboek" uitgesproken op 15 januari 1999 door de voorzitter van deze rechtbank;
- de besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie op datum van 23 februari 1999;
- de besluiten en aanvullende besluiten van eiser, neergelegd ter griffie respectievelijk op 18 maart 1999 en op 23 februari 2000.
Gehoord de advocaten van partijen ter openbare zitting van 3 maart 2000, waarna het bundel met de stavingsstukken van verweerder neergelegd werd en de zaak in beraad genomen werd.
Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.
II. FEITEN EN RETROACTEN
De heer L., huidig eiser, is BTW-belastingplichtige voor de uitbating van een restaurant.
Op 7 februari 1998 vanaf 17.50 u. tot 8 februari 1998 om 2.25 u. werd door zes ambtenaren van het Controlekantoor van de Opsporings- en Documentatiediensten van de BTW te Hasselt een observatieopdracht uitgevoerd met betrekking tot de bezoekersfrekwentie van het restaurant van de heer L.. Hierbij werd vastgesteld hoeveel personen en/of groepen het restaurant bezochten, alsook het uur waarop dit gebeurde.
Bij het beëindigen van de observatieopdracht betraden vijf van de betrokken ambtenaren het restaurant, en confronteerden zij de heer L. met hun eerdere vaststellingen omtrent het klantenverloop.
Zij stelden vast dat de heer L. in overtreding was met de voorschriften van het W.B.T.W. en zijn uitvoeringsbesluiten, inzonderheid voor wat betreft de naleving van de wettelijke verplichtingen met betrekking tot het houden van een dagboek van ontvangsten, het uitreiken van BTW-ontvangstbewijzen en het voorleggen van opgemaakte stukken, zoals de borderellen waarop de bestellingen van de verbruikers werden genoteerd.
Ten gevolge hiervan werd op 10 februari 1998 een ontwerp van proces-verbaal opgesteld, waarin de volgens de BTW-administratie door de heer L. begane overtredingen op art. 22 van het K.B. nr. 1 van 29 december 1992 en op art. 61, § 1 W.B.T.W. werden opgenomen, en waarin werd vastgesteld dat op grond van art. 70, § 4 W.B.T.W. voor voornoemde overtredingen een boete van … BEF. tot … BEF. per overtreding verschuldigd was. Het definitief proces-verbaal werd opgemaakt op 5 mei 1998.
Op 22 juni 1998 vorderde de Belgische Staat, huidig verweerder, van de heer L. op grond van deze overtredingen een bedrag van … BEF. als fiscale geldboeten.
Op 6 juli 1998 heeft de heer L. deze boete betaald onder voorbehoud van alle rechten en zonder enige nadelige erkentenis.
Op 9 oktober 1998 dagvaardde de heer L. de Belgische Staat in terugbetaling van het door hem betaalde bedrag van … BEF., verhoogd met de wettelijke interesten sedert de dagvaarding en de kosten van het geding.
Eiser vraagt de rechtbank zijn vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren; dienvolgens de terugbetaling te bevelen van het bedrag van … BEF., verhoogd met de wettelijke interesten sedert de dagvaarding.
Verweerder besluit tot de ongegrondverklaring van de vordering.
III. IN RECHTE
A. WAT BETREFT DE TOELAATBAARHEID EN WETTIGHEID VAN DE VASTSTELLINGEN VAN DE BTW-AMBTENAREN
Eiser stelt dat noch art. 63, noch enige andere bepaling van het W.B.T.W. de ambtenaren van de BTW de bevoegdheid verleent om de handel en wandel van BTW-belastingplichtigen, en nog minder van hun cliënteel, heimelijk en vanuit een verdekte plaats buiten de lokalen waar hun activiteit wordt uitgeoefend, gericht en gepland, zonder zich bekend te maken, te observeren met een duidelijke intensiteit en duur.
Hij verwijst naar de gebonden bevoegdheden van de overheid, die enkel mag verrichten wat haar is toegelaten. Bovendien maakt dergelijke werkwijze van de BTW-administratie inbreuk op de privacy van de betrokken personen. Krachtens art. 8 (2) van het ·E:V:R.M. zijn dergelijke inbreuken slechts toelaatbaar voor zover zij bij wet voorzien zijn (de zg. legaliteitsvereiste), en bovendien proportioneel en legitiem zijn. Aangezien volgens hem niet voldaan is aan de legaliteitsvereiste, zijn de gedane vaststellingen onwettige bewijsmiddelen, waarmee geen rekening mag worden gehouden.
Overeenkomstig art. 63 W.B.T.W., moeten de BTWbelastingplichtigen de ambtenaren van de BTW, die in het bezit zijn van hun aanstellingsbewijs, op elk tijdstip en zonder voorafgaande verwittiging, vrije toegang verlenen tot de ruimten waar de activiteit wordt uitgeoefend.
Op grond van dezelfde bepaling mogen die ambtenaren eveneens op elk tijdstip, zonder voorafgaande verwittiging, vrij binnentreden in alle gebouwen, werkplaatsen, inrichtingen, lokalen of andere plaatsen die hogerstaand niet bedoeld werden en waar in het W .B.T.W. bedoelde handelingen verricht of vermoedelijk verricht worden. Tot de particuliere woningen of bewoonde lokalen hebben zij evenwel slechts toegang tussen vijf uur 's morgens en negen uur 's avonds en uitsluitend met de machtiging van de politierechter.
Het recht van toegang geldt voor alle ambtenaren belast met controlewerkzaamheden inzake BTW. Zijn bijgevolg bevoegd, alle vastbenoemde ambtenaren, die de administratieve eed hebben afgelegd (zie : Fiscale Documentatie Vandewinckele, Deel XIV, BTW, Diegem, CED-Samsom, s.d., losbl., nr. 63/2.18). De ambtenaren, die in casu de controle hebben uitgevoerd, waren alleszins bevoegd om die uit te voeren.
Wat de observatie door deze ambtenaren van het klantenverloop van het restaurant van eiser betreft, is de rechtbank van oordeel dat deze perfect kadert in de wettelijk geoorloofde controle, die in de beroepslokalen van eiser werd uitgevoerd, en als een voorbereiding daarvan beschouwd kan worden.
Eiser beroept zich in dat verband op art. 8 van het E.V.R.M., dat bepaalt dat eenieder recht heeft op bescherming van zijn privéleven, en dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van (...) het economisch welzijn van het land (...).
De verenigbaarheid van het optreden van de BTW-ambtenaren met het in art. 8 van het E.V.R.M. bepaalde recht op eerbiediging van het privé-leven dient getoetst te worden aan de hand van de volgende drie vragen : is de inbreuk in het privé-leven bepaald bij wet?; is deze inbreuk geïnspireerd door één of meerdere legitieme doelstellingen?; is de inbreuk proportioneel aan het doel van algemeen belang dat door de wetgever wordt nagestreefd? (zie VALSCHAERTS, M.C., Les pouvoirs d'investigation des administrations fiscales, spécialement dans leur rapport avec le respect de la vie privée de l'individu, Brussel, Bruylant, 1989, 24- 25).
Hiervoor wees de rechtbank er reeds op dat de observatie van het klantenverloop perfect kadert in de bij art. 63 W.B.T.W. toegelaten controle van de beroepslokalen van eiser. Bijgevolg is de rechtbank van oordeel dat aan de legaliteitsvereiste wel degelijk is voldaan. Verder heeft de inbreuk in kwestie op het privé-leven, naar het oordeel van de rechtbank een legitiem doel, nl. de juiste heffing van de BTW te verzekeren en fiscale fraude uit te schakelen. Zodoende is deze maatregel noodzakelijk voor het economisch welzijn van het land.
Ten slotte is deze inbreuk naar het oordeel van de rechtbank eveneens proportioneel aan het nagestreefde doel.
Derhalve meent de rechtbank dat de door de BTW-ambtenaren gedane vaststellingen niet alleen toelaatbaar, maar ook wettig waren.
B. WAT BETREFT DE BEWIJSWAARDE VAN HET PROCESVERBAAL EN HET BEWIJS VAN DE BEWEERDE OVERTREDINGEN
Eiser stelt verder dat de vaststellingen van de BTW-ambtenaren geen overtreding bewijzen. Het enige wat uit de gedane vaststellingen zou kunnen blijken, is dat er de bewuste avond een zeker verloop van potentiële klanten van zijn restaurant is geweest.
a) Wat betreft de bewijswaarde van het proces-verbaal
Vooreerst stelt eiser dat de bijzondere bewijswaarde, die art. 59, § 1 W.B.T.W. aan het proces-verbaal opgesteld door de ambtenaren van het ministerie van Financiën verbindt, beperkt blijft tot de werkelijke, effectieve vaststellingen, en zich bijgevolg niet uitstrekt tot de deducties uit deze vaststellingen. Hij leidt hieruit af dat indien in een proces-verbaal wordt vastgesteld dat bepaalde verklaringen werden afgelegd, men enkel tot het bewijs van het tegendeel het feit dat die verklaringen werden afgelegd moet aanvaarden, maar dat de inhoud van die verklaringen niet kan gelden tot bewijs van het tegendeel. De inhoud van deze verklaringen blijft dus te bewijzen door de BTW-administratie.
Inderdaad dient de rechtbank, wat betreft het proces-verbaal van 5 mei 1998, op te merken dat daarin uitsluitend de door verbalisanten persoonlijk binnen de perken van hun wettelijke opdracht regelmatig gedane materiële (zintuiglijke) vaststellingen de bijzondere wettelijke bewijswaarde van waarachtigheid tot het bewijs van hun onjuistheid hebben (zie : Fiscale Documentatie Vandewinckele, op. cit., nr. 59/46.2). Dit is het geval voor de vaststelling door de BTW-ambtenaren dat tijdens de gecontroleerde periode 304 personen het restaurant van eiser hebben bezocht en opnieuw hebben verlaten, en dat eiser in totaal 16 BTW-ontvangstbewijzen heeft uitgereikt, waarop in totaal 76 verbruikers werden vermeld, en dit voor een totaal bedrag van … BEF.
Daarentegen strekt deze bijzondere wettelijke bewijswaarde zich niet uit tot de gevolgtrekkingen en de vermoedens die de verbalisanten uit hun vaststellingen afleiden (zie : Cass., 17 april 1998 (A.R. C.97.61.F- Belgische Staat/Etablissements Claude Feltz N.V.), onuitgegeven; Antwerpen, 25 maart 1991, Fisc. Koerier, 1991, 301; Gent, 15 mei 1996, A.J.T., 1996-1997, 242;
Fisc. Koerier, 1996, 457; F.J.F., 1996, 390; T.G.R., 1997, 88; Rb. Dendermonde, 7 september 1982, B.T.W.-Revue, 71/3/86, p. 141, nr. II; Rb. Mechelen, 28 februari 1984, R.W., 1984-1985, 1662; Rb. Antwerpen, 10 september 1984, F.J.F., 1985, 30; Rb. Brugge, 4 juni 1986, F.J.F., 1988, 109; Rb. Luik, 26 oktober 1987, F.J.F., 1988, 196; Fiscale Documentatie Vandewinckele, op. cit., nr. 59/46.8).
Bijgevolg zijn de gevolgtrekkingen uit deze vaststellingen, met name de overtredingen van art. 22 van het K.B. nr. 1 en van art. 61 W.B.T.W., niet gedekt door de bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal.
Verweerder dient derhalve deze door hem ingeroepen overtredingen te bewijzen.
Hij kan dit bewijs met alle bewijsmiddelen van gemeen recht, met inbegrip van getuigen en vermoedens, maar met uitsluiting van de eed, leveren. Dit kan met name gebeuren aan de hand van feitelijke vermoedens, die vertrekken van bekende feiten.
Inzake feitelijke vermoedens zijn de wettelijke geldigheidsvoorwaarden van tweeërlei aard. Vooreerst is het bestaan vereist van bekende feiten of elementen, die als grondslag dienen. Daarnaast is er de noodzaak om uit die feiten gevolgtrekkingen af te leiden die, op grond van die feiten, voor verantwoording vatbaar zijn (zie : Fiscale Documentatie Vandewinckele, op. cit., nr. 59/15.8).
b) Wat betreft de beweerde overtreding van art. 22 van het K.B. nr. 1 van 29 december 1992
Volgens eiser ging de BTW-administratie, ten onrechte, uit van de premisse dat iedereen die zijn restaurant bezocht, aldaar consumpties verbruikte, waarvoor BTW-bonnetjes moesten worden afgegeven. Hierbij hield de BTW-administratie geen rekening met het aantal personen, dat zich in zijn restaurant bevond op het ogenblik van aanvang van de observatie van het restaurant. Evenmin kon zij weten hoeveel groepen het restaurant bezochten. Er kunnen verschillende personen in groep aan het restaurant toekomen, maar dit betekent volgens hem niet dat er niet nog meer personen zijn die tot die groep behoren. Een groep kan in verschillende fasen of deelgroepen toekomen. Welnu, de BTW-bonnetjes moeten maar per groep opgesteld worden. Verder kon de BTW-administratie volgens hem niet weten of alle personen, die het restaurant bezochten, er ook wel maaltijden nuttigden. Bepaalde personen konden het restaurant verlaten zonder iets te consumeren, of alleen iets drinken of een kleine maaltijd gebruiken, waarvoor geen BTW-bonnetjes moeten worden uitgeschreven.
In casu werden slechts 16 bonnetjes uitgereikt voor in totaal 76 personen en dus 16 groepen. Verweerder laat volgens hem na te bewijzen dat de overige bezoekers inderdaad een BTW-bonnetje moesten krijgen.
Krachtens art. 22, § 1, 2° van het K.B.nr. 1 is de exploitant van een restaurant ertoe gehouden aan zijn klant een rekening of ontvangstbewijs uit te reiken voor het verschaffen van maaltijden en van dranken, die bij die maaltijden worden verbruikt. Onder restaurant dient te worden verstaan, iedere inrichting waar warme of koude maaltijden worden verbruikt, ongeacht of die maaltijden bestaan uit één of meer schotels (zie : Fiscale Documentatie Vandewinckele, op.cit., nr. 50/74.5).In casu betwist eiser niet dat hij als restauranthouder aan deze verplichting onderworpen is. Anderzijds is het zo dat indien een restauranthouder verschillende klanten bedient, en één van hen de volledige uitgave bekostigt, slechts één document moet worden gebruikt (zie : Fiscale Documentatie Vandewinckele, op.cit., nr. 50/77.3).
Uit het proces-verbaal, dat de BTW-ambtenaren op 5 mei 1998 naar aanleiding van hun observatieopdracht hebben opgemaakt, blijkt dat tijdens de gecontroleerde periode 304 personen het restaurant hebben bezocht en opnieuw hebben verlaten, terwijl eiser in totaal 16 BTW-ontvangstbewijzen heeft uitgereikt, waarop in totaal 76 verbruikers vermeld werden.
Het gaat hier naar het oordeel van de rechtbank om een dermate belangrijk verschil dat verweerder daaruit op regelmatige wijze kon afleiden dat eiser een inbreuk heeft gepleegd op art. 22 van het K.B. nr. 1. Eiser blijft in gebreke een passende verklaring voor dit verschil te geven. Hij beperkt zich ertoe een aantal eventualiteiten en mogelijkheden naar voor te schuiven, zonder daarvan enig bewijs aan te brengen. Meer nog, eiser had, volgens het proces-verbaal van 5 mei 1998, de borderellen waarop de bestellingen genoteerd waren, die door de klanten werden gedaan, reeds weggegooid, zodat deze onbruikbaar waren geworden.
Bijgevolg is de rechtbank van oordeel dat verweerder de inbreuk van eiser op art. 22 van het K.B. nr. 1 heeft aangetoond.
c) Wat betreft de beweerde overtreding van art. 61, § 1 W.B.T.W.
Krachtens art. 61, § 1 W.B.T.W. is eenieder gehouden de boeken en stukken, die hij overeenkomstig art. 60 W.B.T.W. moet bewaren, op ieder verzoek van de BTW-ambtenaren, zonder verplaatsing, ter inzage voor te leggen teneinde de juiste heffing van de BTW in zijnen hoofde of in hoofde van derden te kunnen nagaan.
Ook in dat verband is de rechtbank van oordeel dat verweerder uit de in het proces-verbaal van 5 mei 1998 vermelde feiten, aan de hand van feitelijke vermoedens, rechtsgeldig kan afleiden dat eiser een inbreuk heeft gepleegd op voormeld art 61, § 1 W.B.T.W., met name door niet alle ontvangsten in het dagboek ontvangsten ingeschreven te hebben, alsook door de borderellen, waarop de bestellingen van de verbruikers werden genoteerd, niet voor te leggen.
Ook in dat verband blijft eiser in gebreke een passende verklaring te geven, maar beperkt hij zich ertoe te stellen dat de BTWadministratie ten onrechte voorhoudt dat het gemiddeld verbruik van … BEF. per persoon (d.w.z. … BEF. / 76 personen) laag lag.
Bijgevolg is de rechtbank van oordeel dat verweerder bewezen heeft dat eiser een inbreuk heeft gepleegd op art. 61, § 1 W.B.T.W.
C. WAT BETREFT DE OPGELEGDE GELDBOETES
- In hoofdorde - stelt eiser dat de BTW-administratie niet in staat is te bewijzen voor welke personen en, bijgevolg, hoeveel BTWbonnetjes hadden moeten uitgeschreven worden. Derhalve zijn de opgelegde boetes, naar zijn oordeel, willekeurig en vraagt hij dan ook deze boetes kwijt te schelden.
- In ondergeschikte orde - vraagt hij de boetes ernstig te herleiden. Daartoe roept hij eenheid van opzet tussen de diverse feiten in, zodat er maar sprake kan zijn van één enkele beboetbare inbreuk. Verder stelt hij dat er een absolute onevenredigheid bestaat tussen de opgelegde boetes en de aard van de overtredingen. Hij verwijst ter zake naar het arrest van het Arbitragehof van 24 februari 1999, dat heeft beslist dat de belastingplichtige de mogelijkheid moet hebben door een rechter te laten beoordelen of de administratieve sanctie, die de BTW-boete is, in rechte en in feite verantwoord is en of de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, zijn geëerbiedigd. Onder deze beginselen is ook het evenredigheidsbeginsel. Hoewel voormeld arrest van het Arbitragehof gewezen werd naar aanleiding van een prejudiciële vraag, en het bijgevolg in beginsel slechts gezag van gewijsde heeft ten aanzien van de zaak die tot de prejudiciële vraag aanleiding heeft gegeven, hoeft een andere rechter, die nadien over dezelfde kwestie dient te oordelen, geen nieuwe vraag te stellen, voor zover hij zich naar het voordien op prejudiciële vraag gewezen arrest voegt (zie : art. 26, § 2, 1° van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof; zie ook : KRINGS, E., "Beschouwingen over de gevolgen van de door het Arbitragehof gewezen arresten", R.W., 1985-86, 514).
Minstens vraagt eiser de rechtbank een nieuwe prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof.
Het staat buiten kijf dat deze rechtbank principieel bevoegd is om de opportuniteit van de opgelegde administratieve boeten te beoordelen, en deze in voorkomend geval kwijt te schelden of te verminderen, ofschoon verweerder in zijn besluiten daaraan nog schijnt te twijfelen.
De rechtbank stelt vast dat alle geldboeten in het proces-verbaal werden ingevorderd op grond van art. 70, § 4 W.B.T.W., wegens overtreding van voormeld art. 22 van het K.B. nr. 1 van 29 december 1992 en van art. 61, § 1 W.B.T.W. Deze boeten werden vastgesteld op … BEF., overeenkomstig rubriek XI, 6. A van het K.B. nr. 44 van 21 oktober 1993, voor het niet uitreiken van een rekening of ontvangstbewijs, en op … BEF., overeenkomstig rubriek XVI van hetzelfde K.B. nr. 44, voor het niet voorleggen van de boeken en/ of stukken waarvan sprake in art. 61, § 1 W.B.T.W.
Gelet op het feit dat eiser in gebreke blijft te verklaren waarom hij niet voldaan heeft aan de verplichtingen die hem door het W.B.T.W. en zijn uitvoeringsbesluiten werden opgelegd, en, meer nog, een mogelijke controle vanwege de BTW-ambtenaren heeft willen bemoeilijken of zelfs verhinderen door de bestellingsborderellen onbruikbaar te maken, is de rechtbank van oordeel dat de opgelegde boeten niet alleen in overeenstemming zijn met de wettelijke bepalingen, maar bovendien terecht werden opgelegd. Derhalve bestaat er geen aanleiding toe deze te verminderen.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.
Rechtsprekend in eerste aanleg, na tegenspraak,
Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,
Verklaart de vordering van de heer L. ontvankelijk, doch wijst ze af als ongegrond.
Veroordeelt de heer L. tot de kosten van het geding, begroot ten aanzien van de Belgische Staat op … BEF. (R.P.V.), en ten aanzien van hemzelf op … BEF. (dagvaarding : … BEF. + R.P.V. : … BEF.).
Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op datum van : 13 april 2000,
waar aanwezig waren en zitting namen :
de heer T., kamervoorzitter,
de heer V., rechter,
de heer C. d. L., rechter,
mevrouw T., adjunct-griffier.
T. C. d. L.
V. T.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.