Preuve, mesure de contrôle, disposition pénale, amende administrative, poursuite · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 31 janvier 2007

Rechercher
Texte en néerlandais

Preuve, mesure de contrôle, disposition pénale, amende administrative, poursuiteTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/preuve-mesure-controle-disposition-penale-tribunal-anvers-2007-01-31-d094

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
31 janvier 2007

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

102 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance d'Anvers du 31.01.2007

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op éénendertig januari tweeduizend en zeven in openbare zitting van de 2F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

L. B., rechter, voorzitter van de kamer,

P. W., rechter,

M. G., rechter,

N. D., griffier.

Inzake : AR nr. 03/675/A

NV D. J., met ondernemingsnummer …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….

eisende partij,

verschijnende bij meester E. D B. loco meester M. V. B., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, controlecentrum Boom, met kantoor gevestigd zijn te 2850 Boom, J. Van Cleemputplein 7.

verwerende partij,

verschijnende bij meester A. V. d. V. loco meester M. V., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

En inzake : AR nr. 05/04/A

NV D. J., met ondernemingsnummer …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….

eisende partij,

verschijnende bij meester E. D. B. loco meester M. V. B., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT,

A. Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, van wie het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12,

B. Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de eerstaanwezend Inspecteur (rekenplichtige) van het BTW-ontvangkantoor Antwerpen 3, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

verwerende partij,

verschijnende bij meester A. V. d. V. loco meester M. V., advocaat, kantoorhoudende te …, ….


Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, o.m. :

Inzake : AR nr. 03/675/A

- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 30 januari 2003,

- de conclusie van verwerende partij neergelegd ter griffie op 18 september 2003,

- de conclusie van eisende partij neergelegd ter griffie op 6 januari 2005,

- de conclusie van verwerende partij neergelegd ter griffie op 20 maart 2006,

- de conclusie van eisende partij neergelegd ter griffie op 30 juni 2006.

En inzake : AR nr. 05/04/A

- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder P. D. S. in vervanging van gerechtsdeurwaarder S. S. te … op 28 december 2004 voor wat betreft verwerende partij sub A en betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder D. C. te … op 28 december 2004 voor wat betreft verwerende partij sub B,

- de conclusie van verwerende partij neergelegd ter griffie op 2 mei 2005,

- de conclusie van verwerende partij neergelegd ter griffie op 20 maart 2006.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 3 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 3 januari 2007.


Inzake AR 03/675/A

De vordering strekt ertoe de bestreden beslissing van 30 oktober 2002 en het bestreden dwangbevel Reg. 127/233/2001, uitgevaardigd en uitvoerbaar verklaard op 18 december 2001, te vernietigen, dienvolgens te zeggen voor recht dat de nagevorderde BTW boete ten bedrage van … EUR evenals de gevorderde nalatigheidsintresten niet verschuldigd zijn, teruggave te bevelen van de bedragen die door eiseres ten onrechte zouden zijn betaald en/of ingehouden, vermeerderd met de wettelijke en de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding.

Inzake AR 05/4/A

De vordering strekt ertoe de bestreden beslissing van 30 oktober 2002 en het bestreden dwangbevel Reg. 127/233/2001, uitgevaardigd en uitvoerbaar verklaard op 18 december 2001, te vernietigen, dienvolgens te zeggen voor recht dat de nagevorderde BTW boete ten bedrage van … EUR evenals de gevorderde nalatigheidsintresten niet verschuldigd zijn, teruggave te bevelen van de bedragen die door eiseres ten onrechte zouden zijn betaald en/of ingehouden, vermeerderd met de wettelijke en de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding.

Samenvoeging

Deze 2 zaken, gekend onder AR 03/675/A en AR 05/4/A, zijn nauw samenhangend en worden omwille van een goede rechtsbedeling samengevoegd zodat de rechtbank uitspraak doet in één vonnis.

Beoordeling

Betreffende de toelaatbaarheid van de vordering ingeleid bij verzoekschrift inzake AR 03/675/A

Krachtens artikel 700 Ger.W. worden hoofdvorderingen bij dagvaarding voor de rechter gebracht, onverminderd de bijzondere regels inzake vrijwillige verschijning en rechtspleging op verzoekschrift. De artikelen 860 en 861 Ger.W. kunnen niet worden toegepast op de schending van deze regel die onder de rechterlijke organisatie ressorteert (Cass. 27 mei 1994, R.W. 1994-95, 1017).

Bijgevolg moet een vordering in de regel door middel van een dagvaarding bij gerechtsdeurwaarderexploot worden ingesteld en mag het verzoekschrift slechts gebruikt worden wanneer de wet het toelaat of voorschrijft.

Wanneer geen wettelijke afwijking is voorzien, is een gedinginleiding anders dan via dagvaarding of vrijwillige verschijning ongeldig en is de vordering aldus ontoelaatbaar.

Het oude artikel 89, lid 2 en 3 W.BTW, dat in voege was vóór de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen en de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, bepaalde dat de tenuitvoerlegging van het dwangbevel slechts kan worden gestuit bij door de belastingschuldige gedaan en met redenen omkleed verzet met dagvaarding en dat de vordering aanhangig wordt gemaakt bij de rechtbank waaronder het kantoor van de ambtenaar, die het dwangbevel heeft uitgevaardigd, ressorteert.

Artikel 59 van voornoemde wet van 15 maart 1999 (in werking getreden op 6 april 1999) bepaalt dat voornoemd artikel 89, lid 2 en 3 wordt vervangen door de volgende bepaling : "De tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan slechts worden gestuit door een vordering in rechte."

Verder werd ingevolge artikel 9 van voornoemde wet van 23 maart 1999 (eveneens in werking getreden op 6 april 1999) in het Gerechtelijk Wetboek onder meer artikel 1385decies ingevoegd, luidend als volgt : "Tegen de belastingadministratie wordt de vordering inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, lid 1, 32°, ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak... "

Krachtens artikel 3 Ger.W. is een nieuwe wet op de rechtspleging onmiddellijk van toepassing, behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald.

Bijgevolg wordt vanaf 6 april 1999 in de regel de vordering tegen de belastingadministratie bij verzoekschrift op tegenspraak ingesteld.

In artikel 97, lid 1 van voornoemde wet van 15 maart 1999 is echter een uitzondering bepaald op de onmiddellijke toepassing van deze nieuwe wet op de rechtspleging, namelijk : Voor zover zij de procedureregels wijzigen is voornoemd artikel 59, dat artikel 89, lid 2 en 3 W.BTW wijzigt, slechts van toepassing op de belastingen, intresten en fiscale boeten wanneer de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999.

Te dezen heeft de oorzaak van eisbaarheid van de belastingen, intresten en fiscale boeten zich voorgedaan vóór en ná 1 januari 1999.

Voor zover de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan vóór 1 januari 1999 is het oude artikel 89, lid 2 en 3 W.BTW van toepassing en diende de vordering dan ook ingesteld te worden door middel van een dagvaarding.

Aangezien de vordering echter bij verzoekschrift werd ingesteld en aangezien de wet het te dezen niet toeliet of voorschreef het verzoekschrift te gebruiken, is deze vordering dan ook ontoelaatbaar voor zover de oorzaak van eisbaarheid van de belastingen, intresten en fiscale boeten zich heeft voorgedaan vóór 1 januari 1999.

Betreffende de toelaatbaarheid van de vordering ingeleid bij dagvaarding inzake AR 05/4/A

Krachtens artikel 1385undecies Ger.W. worden slechts bijzondere termijnen voorzien om een vordering in rechte in te stellen ingeval een voorafgaand administratief beroep wordt georganiseerd.

Inzake BTW bestaat er echter geen georganiseerd administratief beroep zodat er geen bijzondere termijnen zijn om een vordering in rechte in te stellen en deze vordering dan ook toelaatbaar is.

Betreffende de boete

Eiseres heeft systematisch facturen niet tijdig opgenomen in haar BTW aangiften waarvoor bij toepassing van artikel 70, § 1 W.BTW en tabel G, eerste afdeling, rubriek V, tweede streepje van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW een administratieve geldboete van 20 % werd opgelegd.

De brand van 5 mei 1998 in het pand dat door eiseres aan haar klant ter beschikking werd gesteld, de betwisting ten gevolge van deze brand van eiseres met deze klant en de beweerde niet-betaling van de facturen door deze klant verhinderden eiseres geenszins de facturen tijdig op te nemen in haar BTW aangiften en er is dan ook geen sprake van overmacht.

De opgelegde geldboete is wettelijk en de rechtbank is van oordeel dat deze geldboete van 20 % in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuk en met de ernst van de feiten.

Betreffende de nalatigheidsintresten

Krachtens artikel 569, lid 1, 32° Ger. W. is de rechtbank van eerste aanleg exclusief bevoegd om kennis te nemen van de geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet.

Bijgevolg is de rechtbank van eerste aanleg bevoegd om uitspraak te doen over de wettelijkheid van om het even welke individuele toepassing van een belastingnorm, terwijl de Raad van State sedert 6 april 1999 enkel nog bevoegd is om uitspraak te doen over normatieve fiscale rechtshandelingen of in de gevallen waarin de wet de beoordelingsbevoegdheid expliciet aan de Raad van State heeft toegewezen (Gedr. St. Kamer 1997-98, nummer 1341/1, 35 : "Sommige individuele fiscale rechtshandelingen- zoals het (niet-) vrijstellen van de betaling van nalatigheidsintresten (artikel 417 WIB92) - konden tot dusver, bij gebreke aan bijzondere bevoegdheid van de rechterlijke macht, slechts bij de Raad van State worden aangevochten").

De vordering van eiseres tot vrijstelling van nalatigheidsintresten is onmiskenbaar een geschil betreffende de individuele toepassing van een belastingwet, waarvan de beoordelingsbevoegdheid niet expliciet is toegewezen aan de Raad van State, zodat de rechtbank bevoegd is en de vordering derhalve toelaatbaar is.

Krachtens artikel 84bis W.BTW mag de bevoegde gewestelijke directeur van de BTW, registratie en domeinen, onder door hem bepaalde voorwaarden, in bijzondere gevallen vrijstelling verlenen voor alle in artikel 91, § 1 en 2 bedoelde intresten of voor een deel ervan.

Uit artikel 84bis W.BTW volgt dat eiseres geen subjectief recht heeft te worden vrijgesteld van haar wettelijke verplichting om nalatigheidsintresten te betalen en dat de mogelijkheid om deze vrijstelling te bekomen een gunstmaatregel is die, volgens de tekst van dit artikel, enkel kan verleend worden door de gewestelijke directeur.

Alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van de gewestelijke directeur valt, valt met volle rechtsmacht onder de controle van de rechtbank, behoudens wanneer een bijzondere bepaling uitdrukkelijk aan de gewestelijke directeur een discretionaire bevoegdheid toekent omtrent een te nemen beslissing, in welk geval de rechtbank de gewestelijke directeur zijn beoordelingsvrijheid niet mag ontnemen en niet in zijn plaats mag treden (vergelijk Cass. 4 maart 2004 inzake rolnummer C030346N, http://www.cass.be , Cass. 17 april 2000, Arr. Cass. 2000, 258 en Cass. 2 februari 1998, R.W. 1998-99, 1142).

Nu eiseres geen subjectief recht heeft te worden vrijgesteld van haar wettelijke verplichting om nalatigheidsintresten te betalen en nu artikel 84bis W.BTW uitdrukkelijk aan de gewestelijke directeur een discretionaire bevoegdheid toekent omtrent de vrijstelling van de nalatigheidsintresten, mag de rechtbank niet in de plaats treden van de gewestelijke directeur.

Bovendien dient te worden opgemerkt dat de verschuldigdheid van nalatigheidsintresten een loutere schadeloosstelling is wegens de vertraging in de betaling van de BTW-schuld zodat deze verschuldigdheid geenszins een straf is en aldus geen strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6.1 EVRM.

Aangezien fiscale geschillen geen geschillen zijn over burgerlijke rechten en verplichtingen in de zin van artikel 6.1 EVRM en aangezien de verschuldigdheid van nalatigheidsintresten evenmin een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6.1 EVRM, heeft de rechtbank over deze verschuldigdheid geen controle met volle rechtsmacht op grond van artikel 6.1 EVRM (vergelijk EHRM 14 september 2004, F.J.F. 2005/126, EHRM 12 juli 2001, T.F.R. 2001/94 en Cass., 23 jan.1992, Pas., 1992, I, nr. 269, p.453).

Bijgevolg heeft de rechtbank geen rechtsmacht om vrijstelling van nalatigheidsintresten te verlenen en heeft zij enkel rechtsmacht om te oordelen over de wettelijkheid van de bestreden beslissing van de gewestelijke directeur.

De beslissing van de gewestelijke directeur dient te beantwoorden aan de motiveringsvereiste van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.

De bestreden beslissing beantwoordt aan deze motiveringsvereiste wanneer deze beslissing door haar inhoud geen twijfel laat omtrent de juridische en feitelijke overwegingen die hieraan ten grondslag liggen en die op voldoende wijze aan de belastingschuldige kenbaar moeten worden gemaakt teneinde hem toe te laten de gegrondheid ervan te beoordelen.

Bij de motiveringsverplichting wordt een onderscheid gemaakt naargelang de administratie een gebonden bevoegdheid dan wel een discretionaire bevoegdheid uitoefent :

- gebonden bevoegdheid, dit is wanneer de wet de inhoud of het voorwerp van de beslissing bepaalt die het bestuur moet nemen zodra de gestelde voorwaarden vervuld zijn, zodat er van beleidsvrijheid geen sprake is : de motivering speelt hierbij slechts een ondergeschikte rol (P. Van Orshoven, De uitdrukkelijke motivering van administratieve rechtshandelingen, R.W. 1991-92, 488),

- discretionaire bevoegdheid, dit is wanneer de administratie op grond van haar eigen appreciatie al dan niet kan optreden, of de keuze heeft van de maatregel die het meest geschikt voorkomt om het gestelde doel te bereiken : de motivering heeft vooral hierbij belang en de administratie dient dan ook meer uitleg te verschaffen dan bij een gebonden bevoegdheid.

De gewestelijke directeur beschikt met betrekking tot de "bijzondere gevallen" bedoeld in artikel 84bis W.BTW over een zeer ruime beoordelingsbevoegdheid en hij dient zich niet te voegen naar de ministeriële toelichtingen of circulaires, welke slechts als aanbeveling gelden; de beslissing van de gewestelijke directeur moet berusten op rechtens aanvaardbare motieven die steun vinden in werkelijk bestaande feiten.

Uit artikel 84bis W.BTW volgt aldus dat de gewestelijke directeur een discretionaire bevoegdheid uitoefent zodat de motivering van zijn beslissing dan ook van belang is en er dan ook meer uitleg moet worden verschaft dan bij een gebonden bevoegdheid.

In de bestreden beslissing is de afwijzing van het verzoek tot vrijstelling van nalatigheidsintresten voldoende gemotiveerd en deze beslissing berust ongetwijfeld op rechtens aanvaardbare motieven die steun vinden in werkelijk bestaande feiten.

De beslissing van de gewestelijke directeur beantwoordt aldus aan de motiveringsvereiste van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen zodat deze beslissing aldus wettelijk is.

Op basis van de werkelijk bestaande feiten is de rechtbank van oordeel dat er te dezen geen omstandigheden aanwezig zijn die beantwoorden aan het begrip "in bijzondere gevallen" zodat de gewestelijke directeur terecht geen vrijstelling van nalatigheidsintresten heeft verleend.

Betreffende de uitvoerbaar verklaring bij voorraad

Door partijen worden er geen redenen voorgebracht die nopen tot de uitvoerbaar verklaring bij voorraad van huidig vonnis.

Dispositif

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Na erover beraadslaagd te hebben.

Voegt de beide zaken, gekend onder AR 03/675/A en AR 05/4/A, samen wegens samenhang en in het belang van een goede rechtsbedeling en doet uitspraak in één vonnis.

Verklaart de vordering inzake AR 03/675/A ontoelaatbaar voor zover de oorzaak van eisbaarheid van de belastingen, intresten en fiscale boeten zich heeft voorgedaan vóór 1 januari 1999 en toelaatbaar voor zover de oorzaak van eisbaarheid van de belastingen, intresten en fiscale boeten zich heeft voorgedaan vanaf 1 januari 1999.

Verklaart de vordering inzake AR 05/4/A toelaatbaar.

Verklaart de vordering inzake AR 03/675/A voor zover deze zoals hoger vermeld toelaatbaar is en de vordering inzake AR 05/4/A ongegrond en wijst deze vorderingen af.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding tot op heden door verweerder begroot op tweemaal … EUR rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op éénmaal … EUR rechtsplegingsvergoeding voor beide samengevoegde zaken.

N. D. P. G. P. W. L. B.