Preuve, mesure de contrôle, disposition commune · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 30 novembre 2004

Rechercher
Texte en néerlandais

Preuve, mesure de contrôle, disposition communeTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/preuve-mesure-controle-disposition-commune-tribunal-bruges-2004-11-30-90ca

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
30 novembre 2004

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

117 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 30.11.2004

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND :

in de zaak AR.nr. : 03/2185/A

van

de NV G., met maatschappelijke zetel te …, … (voorheen met zetel te …, …, KBO-nr. … (ingeschreven in het handelsregister te Brugge onder nr. …)

eiseres,

vertegenwoordigd door meesters R. T. en C. B., advocaten te ….

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie der Belastingen over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in de persoon van de Ontvanger van het Ontvangkantoor te Brugge wiens burelen gevestigd zijn te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat nr.4,

verweerder,

de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie der Douane en Accijnzen, in de persoon van de heer Hoofdcontroleur der Opsporingssectie Douane en Accijnzen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 8000 Brugge, Sint Pieterskaai 72,

verweerder in gedwongen tussenkomst;

vertegenwoordigd door meester L. D. S., advocaat te ….


I. PROCEDURE

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 2 november 2004, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :

1. de geding inleidende dagvaarding van 5 december 1991 met verzet tegen het dwangbevel dat op 5 november·1991 is uitgevaardigd;

2. de conclusie voor verweerder van 5 maart 1992;

3. de conclusie voor eiseres van 25 juni 1992;

4. de conclusie voor eiseres van 5 april 1993;

5. de conclusie voor verweerder van 24 juli 2003;

6. de conclusie voor eiseres van 2 maart 2004 en

7. de conclusie voor verweerder van 27 maart 2004.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.

Il. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. De feiten die relevant zijn voor het geschil

Eiseres is als BTW-plichtige geregistreerd voor de verkoop van uurwerken, juwelen en siervoorwerpen.

Op 9 juli 1991 heeft de Franse Douanedirectie zich tot haar Belgische collega's in Brussel gericht met de melding dat er vermoedens bestonden dat een Parijs bedrijf aan eiseres juwelen verkocht had die voordien al waren aangegeven voor de uitvoer met vrijstelling van de BTW. Op basis van de verschillende machtigingen vanwege de Politierechtbank te Brugge, heeft de Administratie van Douane en Accijnzen, met bijstand van een hoofdcontroleur van de BTW die was gedetacheerd aan de BBI op 7 augustus 1991, een visitatie gedaan op de administratieve en exploitatiezetel van eiseres en op het privé-adres van haar gedelegeerd bestuurder. Er werden diverse documenten in beslag genomen, waaronder agenda's waarin minutieus alle verkopen van eiseres waren bijgehouden.

De BTW-administratie heeft van de in beslag genomen documenten inzage genomen. Uit de vergelijking van de in de BTW-aangiften vermelde cijfers en deze die in de aangetroffen agenda's staan, heeft de BTW-controle afgeleid dat er in de periode van het vierde kwartaal 1986 een bedrag van … frank (… euro) verkopen niet werden aangegeven. Dat bedrag werd geacht de aan de klanten aangerekende kostprijs te omvatten, verhoogd met de daarop verschuldigde BTW en speciale taks op luxeproducten.

Na uitrekening vertegenwoordigde dat bedrag :

(1) … frank (… euro) BTW en

(2) … frank (… euro) speciale taks op luxeproducten.

Van die vaststellingen, werd op 22 oktober 1991 een proces-verbaal opgemaakt waarin, naast de bedragen aan BTW en speciale taks op luxeproducten voor die periode ook nog een boete van 200 % van de verschuldigde rechten en de wettelijke interesten vanaf 21 augustus 1987 verschuldigd werden geacht.

Op 5 november 1991 werd een dwangbevel uitgevaardigd op basis van dat proces-verbaal. Aldus werden de volgende bedragen ten nadele van eiseres verschuldigd verklaard :

(1) … frank (… euro) BTW,

(2) … frank (… euro) speciale taks op luxeproducten,

(3) … frank (… euro) geldboete,

(4) de wettelijke interest op de BTW vanaf 21 januari 1987 en

(5) de moratoire interest op de verschuldigde geldboeten vanaf de kennisgeving van het dwangbevel.

Het dwangbevel werd op 7 november 1991 geviseerd en uitvoerbaar verklaard.

Per aangetekende brief van 13 november 1991 werd het dwangbevel aan eiseres betekend.

Met een dagvaarding van 5 december 1991 stelde eiseres haar huidige vordering in.

De gedelegeerd bestuurder van eiseres werd strafrechtelijk vervolgd voor niet-aangifte inzake directe belastingen, niet-aangifte in de BTW en weigering te antwoorden op een vraag om inlichtingen. De niet-aangifte in de BTW sloeg op de periode van oktober 1986 tot juli 1991 voor een totaal bedrag … frank (… euro), waarvan … frank (… euro) BTW en speciale taks op luxeproducten. De Correctionele Rechtbank van Brugge achtte in zijn vonnis van 25 maart 1996 de feiten bewezen, met dien verstande dat de tenlastelegging voor wat de Vennootschapsbelasting aangaat, slechts voor twee derden van de in de dagvaarding vermelde bedragen werd aangenomen. De gedelegeerde bestuurder van eiseres werd veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van een jaar (met uitstel) en tot betaling van een strafrechtelijke geldboete van … frank (… euro), meer de kosten. Eiseres werd burgerlijk aansprakelijk gesteld voor de boete en de kosten.

Bij arrest van 27 juni 1997 bevestigde het Hof van Beroep van Gent die uitspraak van de Correctionele Rechtbank behoudens dat de concrete cijfers waarvoor de gedelegeerd bestuurder van eiseres veroordeeld was, vervangen werden door voor een niet nader bepaald bedrag en dit zowel wat de niet-aangifte in de Vennootschapsbelasting als de niet-aangifte in de BTW betreft.

Het cassatieberoep tegen dat arrest werd op 6 juni 1999 verworpen.

2. De vorderingen van de partijen

Eiseres vordert dat de rechtbank

(1) de overlegging zou bevelen van het integrale dossier van de Administratie van Douane en Accijnzen;

(2) het bestreden dwangbevel zou nietig verklaren en zou zeggen voor recht dat de daarin opgenomen sommen niet verschuldigd zijn.

Eiseres vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten en dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar zou verklaren bij voorraad, zelfs wanneer een rechtsmiddel zou worden aangewend, zonder dat de uitvoering afhankelijk kan gesteld worden van een borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement.

Verweerder vordert dat de vordering van eiseres door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiseres zou verwezen worden in de gerechtskosten.

Verweerder in gedwongen tussenkomst heeft geen conclusie neergelegd en als zodanig geen standpunt ingenomen.

IIl. BESPREKING

1. De ontvankelijkheid van de vordering

Verweerder en verweerder in gedwongen tussenkomst voeren geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.

2. De grond van de vordering

De rechtbank overloopt de verschillende aspecten van de betwisting.

2.1. Overlegging volledig dossier van verweerder in gedwongen tussenkomst

Deze vordering van eiser kadert in haar argumentatie als zou het bewijs van verweerder slechts kunnen bekomen zijn door gebruik te maken van de resultaten van een visitatie door de diensten van verweerder in gedwongen tussenkomst (de douane-administratie), terwijl die visitatie machtsafwending inhield. In het bijzonder zou de visitatie slechts gebeurd zijn ten einde vaststellingen te doen die uitsluitend dienstig waren voor de BTW-administratie.

De rechtbank kan in dat verband verwijzen naar de argumentatie die door het Hof van Beroep van Gent in zijn arrest van 26 juni 1997 is aangenomen en waaruit is afgeleid dat de visitatie volledig rechtsgeldig heeft plaatsgevonden en dat het inwinnen van de informatie door de diensten van verweerder evenzeer rechtsgeldig gebeurde. Op dat punt heeft het genoemde arrest, dat overigens definitief is, gezag van gerechtelijk gewijsde, zodat de rechtbank niet mag onderzoeken of en tegelijk moet aannemen dat de bewijzen die uit die visitatie en de inzage ervan zijn voortgevloeid, rechtsgeldig bekomen zijn en een rechtsgeldig bewijsmiddel vormen in deze zaak.

Het Hof van Beroep heeft zich immers in het genoemde arrest, waarin eiseres ook partij was, over dezelfde feiten gebogen als de feiten die hier de oorzaak van de vordering uitmaken.

In die omstandigheden is de vraag tot overlegging van het volledig dossier door verweerder in tussenkomst overbodig want zonder voorwerp en is die vordering ongegrond.

2.2. Vernietiging van het dwangbevel

2.2.1. Wegens onwettig bekomen bewijsmateriaal en/of schending van artikel 93quaterdecies W.BTW (inzagerecht)

Hier kan verwezen worden naar de overwegingen onder randnummer 2.1. Hier geldt immers evenzeer dat deze rechtskwesties al door het Hof van Beroep te Gent zijn uitgewezen in het arrest van 26 juni 1997, op een manier die zich aan de rechtbank opdringt.

Deze grieven zijn dus ongegrond.

2.2.2. Gezag van gewijsde met betrekking tot de vaststelling van de verschuldigde bedragen

Eiseres voert aan dat het Hof van Beroep in zijn arrest van 26 juni 1997, op een manier die de rechtbank bindt, aangenomen heeft dat de verschuldigde bedragen niet blijken uit de voorgelegde documenten, waaronder de agenda's. Omdat eiseres geen bijkomende bewijsmiddelen dan deze die reeds in de correctionele zaak werden voorgelegd, aanvoert in dit burgerlijk geschil, zou de rechtbank, zonder schending van het gerechtelijk gewijsde van het arrest van 26 juni 1997, niet kunnen aannemen dat het dwangbevel – dat dezelfde cijfers bevat als deze die door het Hof van Beroep werden beoordeeld – gegrond is.

Dat het Hof van Beroep in zijn arrest tegelijk gesteld heeft dat het aan de fiscale rechtbank toekomt om de exacte cijfers te bepalen, zou daarmee niet in tegenspraak zijn.

Verweerder stelt daar tegenover dat eiseres de overwegingen van het Hof van Beroep uit hun verband haalt. Volgens verweerder heeft het Hof van Beroep slechts gesteld dat het, om de materialiteit van de ten laste gelegde feiten bewezen te achten, niet nodig was de exacte cijfers waarvoor de misdrijven begaan zijn, te kennen, terwijl het aan de fiscale rechters toekwam om die cijfers te bepalen. Uit het feit dat de strafrechters de in de dagvaarding opgesomde bedragen hebben herleid tot een “niet nader te bepalen bedrag”, mag volgens verweerder niet worden afgeleid dat die strafrechters die bedragen als onjuist beschouwen, maar zou slechts kunnen afgeleid worden dat zij de beoordeling van de bedragen overlieten aan de fiscale rechters.

Naar het oordeel van verweerder heeft het Hof van Beroep in het bijzonder aan de fiscale rechters overgelaten te bepalen of al dan niet rekening gehouden moet worden met officieuze aankopen die als beroepskosten in aftrek mogen gebracht worden van de inkomsten (wat de vennootschapsbelasting aangaat). Het zou slechts in dat verband zijn dat het klopt dat de voorgelegde stukken niet volstonden als bewijs van de cijfers.

Wat de omzet betreft, had het Hof van Beroep volgens verweerder geen twijfel gelet op de overweging dat de geschriften minutieus werden bijgehouden waaruit een grondige kennis en opvolging blijkt van de dagelijkse gang van zaken. Daarmee zou het Hof bevestigd hebben dat eiseres al haar verkopen, waaronder ook deze die niet werden aangegeven, nauwgezet opgetekend heeft in de in beslag genomen agenda’s wat elke twijfel zou uitsluiten omtrent de juistheid van de bedragen die daarin werden aangetekend. Aldus zou het Hof de meeromzet bewezen verklaard hebben voor de in het proces-verbaal van de BTW-administratie opgenomen bedragen.

Beoordeling

Het gezag van gewijsde in strafzaken geldt alleen voor dat wat zeker en noodzakelijk door de strafrechter is beslist, met betrekking tot de aan de beklaagde ten laste gelegde feiten en rekening houdend met de motieven die de noodzakelijke grondslag van de strafrechtelijke beslissing uitmaken.

Bij lezing van het genoemde arrest van het Hof van Beroep van Gent van 26 juni 1997 blijkt onmiskenbaar dat de strafrechtelijke beslissing van het Hof onder andere inhoudt dat het de bedragen die door eiseres in haar BTW-aangiften niet werden aangegeven in de periode van 1 oktober 1986 tot 31 juli 1991 als nog nader te bepalen bestempelt.

Er bestaat geen betwisting over dat dit feiten zijn die tot de tenlastelegging behoren waarover het Hof uitspraak gedaan heeft; de correctionele zaak had betrekking op een veel ruimere periode, maar voor die periode werd pas later proces-verbaal en dwangbevel opgemaakt zodat in dat verband een afzonderlijke burgerlijke procedure werd opgestart.

De rechtbank moet nu nog nagaan wat de noodzakelijke motieven zijn die het Hof van Beroep tot die beslissing heeft gebracht.

In de redenering van verweerder zou de beslissing om de bedragen als 'nog nader te bepalen' te bestempelen, het gevolg zijn van het feit dat het Hof, ook al lieten de stukken een exacte bepaling toe, het niet noodzakelijk achtte zo'n exacte bepaling te doen, omdat dit voor het vaststellen van de materialiteit van de ten laste gelegde feiten niet vereist was. Het Hof zou dit aan de fiscale rechters hebben overgelaten omdat dit hun natuurlijke opdracht was.

Volgens eiseres daarentegen heeft het Hof, om tot de beslissing te komen dat de bedragen nog nader te bepalen waren, noodzakelijk overwogen en beslist dat uit de voorgelegde documenten de exact verschuldigde bedragen niet blijken.

Het Hof van Beroep schreef in zijn arrest van 26 juni 1997 de volgende motivering met betrekking tot de bepaling van de bedragen :

2. Uit de beoordelingsgegevens van het strafdossier, het onderzoek alhier door het Hof en de overgelegde stukken in het strafdossier, zijn de tenlasteleggingen, zoals omschreven in de dagvaarding in hoofde van de beklaagde bewezen gebleven, met dien verstande dat de specifiek opgesomde bedragen zowel in de tenlastelegging A.I als in de tenlastelegging B, dienen vervangen te worden als 'op een niet nader te bepalen bedrag'.

De beklaagde werd op de openbare terechtzitting van 22 mei 1997 door het Hof uitgenodigd zich hieromtrent te verdedigen. Het betreft dezelfde feiten als deze waarvoor hij oorspronkelijk werd vervolgd.

3. Vooralsnog blijken uit de voorliggende stukken de exact verschuldigde bedragen niet, zodat de eerste rechter ten onrechte het feit B slechts voor 2/3 van de in de dagvaarding onder dit feit vermelde bedragen bewezen heeft verklaard en statueerde dat 1/3 van de in de dagvaarding onder feit B vermelde bedragen in hoofde van de beklaagde niet bewezen voorkomt.

De aanslagen zijn arbitrair gevestigd en maken het voorwerp uit van een bezwaar. Het behoort de fiscale rechter de juiste bedragen vast te stellen, temeer de beklaagde in zijn verzoeken tot kwijtschelding of vermindering van de boeten uitdrukkelijk heeft gesteld dat deze verzoeken zonder enige erkentenis werden opgemaakt.

Het feit B, heeft slechts betrekking op de aangiften in de Vennootschapsbelasting en de uitspraak over het arbitrair karakter van de 'aanslagen' lijkt ook slechts op de Vennootschapsbelasting betrekking te hebben. Toch moet de overweging van het Hof van Beroep dat uit de voorliggende stukken de exact verschuldigde bedragen vooralsnog niet blijken, noodzakelijk ook geacht worden betrekking te hebben op de cijfers van de BTW-schuld. Anders valt immers niet te verklaren waarom het Hof, anders zelfs dan de Correctionele Rechtbank van Brugge in eerste aanleg, ook de bedragen in de tenlastelegging A.I. (met betrekking tot de niet-aangifte van de BTW) als 'nog nader te bepalen' omschreef.

Het valt de rechtbank overigens op dat de overweging van het Hof dat het aan de fiscale rechter toekomt om de juiste bedragen vast te stellen, onmiddellijk volgt op de vaststelling van het Hof dat de aanslagen arbitrair zijn. Hoewel dit niet tot het voorwerp van de vordering van het Hof behoorde, kan daaruit wel met zekerheid worden afgeleid dat het Hof aan de hand van de haar voorgelegde documenten meende dat de aanslagen niet zonder meer juiste cijfers bevatten. In die zin heeft het Hof van Beroep met die overweging willen zeggen dat er nog een kritisch onderzoek naar de cijfers zou moeten gevoerd worden door de fiscale rechters.

Het gezag van rechterlijk gewijsde heeft als eigenschap dat verhinderd wordt dat wat het voorwerp is geweest van de beslissing - in hetzelfde of in een navolgend geding - andermaal wordt berecht: op die manier wordt voorkomen dat de beslissing van de tweede vordering onverenigbaar zou zijn met de eerste beslissing (Cass. 16 maart 1972, Arr.Cass., 1972, 670). Uit de natuur van dat streefdoel volgt dat het gezag van rechterlijk gewijsde zelfs speelt wanneer er geen volkomen identiteit bestaat tussen de in het eerste geding beslechte geschilpunten en deze die naderhand het voorwerp van betwisting tussen partijen uitmaken.

Uit de bovenstaande overwegingen concludeert de rechtbank dat hij eraan gebonden is om aan te nemen dat het aan de hand van de stukken en documenten die aan het Hof van Beroep van Gent werden voorgelegd in de betreffende strafzaak niet mogelijk is om exact te bepalen welke de bedragen zijn waarvoor eiseres voor de periode van 1 januari 1987 tot 31 juli 1991 voorwerp van het bestreden dwangbevel - BTW en speciale taks op luxeproducten verschuldigd is en dus ook de eventuele overeenkomstige boeten en interesten, verschuldigd is.

Verweerder kan zich in principe op de bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal van 4 februari 1992 beroepen. Vermits onbetwist is dat de feiten en cijfers uit dat proces-verbaal uit dezelfde stukken zijn afgeleid als deze die aan het Hof van Beroep zijn voorgelegd, ontdoet eiseres evenwel aan de hand van de vaststelling dat die stukken niet volstaan om de exacte cijfers van de schuld aan verweerder vast te stellen, op een afdoende manier dat proces-verbaal van zijn bijzondere bewijswaarde. Dat heeft tot gevolg dat het aan verweerder toekomt om nader bewijs voor te brengen. Hoewel verweerder daartoe herhaaldelijk, zij het impliciet is uitgenodigd, doet hij daartoe geen moeite.

In die omstandigheden bewijst verweerder niet wat de omvang is van de schuld voor het vierde kwartaal van 1986 en is de vordering van eiseres gegrond.

3. De gerechtskosten

Verweerder wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet hij de gerechtskosten dragen.

Verweerder in gedwongen tussenkomst heeft geen gerechtskosten gemaakt.

4. Uitvoerbaarheid bij voorraad

Verweerder neemt hierover geen standpunt in. Hij beroept zich niet op een bijzondere toestand die (nog meer) uitstel van betaling zou verantwoorden en stelt evenmin dat de rechtbank geen uitstel van tenuitvoerlegging zou kunnen verlenen. Aldus geldt het principe van artikel 1333 Ger.Wb. De rechtbank is van oordeel dat het kantonnement (zie verder) voldoende garanties biedt tegen het risico op de onmogelijkheid tot recuperatie. De uitvoerbaarheid bij voorraad wordt daarom toegestaan.

De voorlopige tenuitvoerlegging kan niet afhankelijk gemaakt worden van het stellen van een zekerheid.

Voor de uitsluiting van het kantonnement - indien deze uitspraak daartoe al zou kunnen aanleiding geven - ziet de rechtbank nochtans geen reden.

Eiseres laat na te bewijzen dat zij een ernstig nadeel zou ondergaan wanneer, ingevolge het kantonnement, de regeling van de haar eventueel toekomende betaling zou vertraagd worden (art. 1406 Ger.Wb.).

Dispositif

IV. UITSPRAAK

De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.

Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vorderingen ontvankelijk, wijst de vordering tot voorlegging van het dossier door verweerder in tussenkomst af als ongegrond en verklaart de vordering jegens verweerder gegrond.

De rechtbank vernietigt daarom het dwangbevel dat op 5 november 1991 ten nadele van eiseres werd uitgevaardigd en op 7 november 1991 geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard.

De rechtbank verwijst verweerder in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast :

aan de zijde van eiseres :

- dagvaarding met verzet : … euro

- rechtsplegingsvergoeding : … euro

terwijl de kosten aan de zijde van verweerder niet moeten vastgesteld worden vermits ze door hem zelf moeten gedragen worden en terwijl verweerder op gedwongen tussenkomst geen gerechtskosten gemaakt heeft.

De rechtbank verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, ongeacht welk rechtsmiddel er zou tegen worden aangewend en zonder dat de uitvoering ervan afhankelijk kan gemaakt worden van een borgstelling.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op dertig november tweeduizend en vier.

De rechtbank is als volgt samengesteld :

D. V., alleenrechtsprekend rechter

A. V., griffier

A. V. D. V.