Poursuite · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Hasselt 1er octobre 2009

Rechercher
Texte en néerlandais

PoursuiteTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-tribunal-hasselt-2009-10-01-6ba3

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Hasselt
Date
1er octobre 2009

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

58 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Hasselt du 01.10.2009

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER A, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

IN ZAKE AR nr. 09/1277/A

W. W. T. J., militair, geboren te … op …, en zijn echtgenote

S. A. G. J., ondernemer, geboren te … op …, beiden samenwonende te …, ….

eisers,

vertegenwoordigd door mr. B. loco mr. S. J., advocaat te …, ….

tegen :

ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, in de persoon van de e.a. inspecteur van het Tweede BTW-ontvangkantoor, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 47.

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. R. F., advocaat te …, ….

VOLGT HET VONNIS :

Gelet op :

- het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 08.05.2009;

- de conclusies en stukken van verweerder;

- de besluiten van eisers.


I. BEOORDELING

1. Ontvankelijkheid

Er worden door verweerder geen middelen van ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

2. Ten gronde

2.1. De vordering van eisers

Ten gronde is er geen discussie meer tussen partijen. Verweerder erkende bij monde van zijn raadsman op de inleidende zitting van 03.06.2009 dat de BTW-vordering, zoals uitgedrukt in het dwangbevel van 18.03.2009, op grond van art. 81, § 1 W.BTW verjaard is en dat de vordering van eisers derhalve dient toegekend te worden. Dit standpunt werd bevestigd in besluiten, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 24.08.2009.

De vordering van eisers is dan ook gegrond.

2.2. M.b.t. de rechtsplegingsvergoeding

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (BS 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art. 13 en 14).

Partijen hebben ter zake standpunt ingenomen.

In casu wordt de in het dwangbevel gestelde fiscale vordering betwist.

Eisers vorderen immers te horen zeggen voor recht dat het dwangbevel van 18.03.2009 nietig en generlei waarde is en dat de erin gevorderde sommen zijnde de BTW t.b.v. 34.222,50 euro, vervallen intresten t.b.v. 9.581,60 euro, de verschuldigde intresten van 0,8 % per maand vanaf 21.03.2009, alsook de vervolgingskosten niet verschuldigd zijn.

Verweerder stelt dat het een niet in geld waardeerbare vordering betreft.

Deze vordering is evenwel in geld waardeerbaar.

Eisers vorderen een rechtsplegingsvergoeding begroot op het basisbedrag van 2.500,00 euro voor in geld waardeerbare vorderingen zoals vastgesteld in het KB van 29.10.2007 in de categorie van"40.000,01 euro tot 60.000,00 euro".

Verweerder verzoekt de rechtbank de rechtsplegingsvergoeding te begroten op het minimumbedrag van 75,00 euro voor niet in geld waardeerbare vorderingen rekening houdend met het feit dat :

- hij eisers reeds vanaf de kennisname van het verzoekschrift neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 08.05.2009 heeft laten weten af te zien van de in het dwangbevel gestelde vordering;

- bereid was om de zaak op de inleidingszitting van 03.06.2009 van de rol te laten schrappen met eensluidende conclusies en mits afgezien werd door beide partijen om van rechtsplegingsvergoeding af te zien, doch eisers wilden hier niet op ingaan;

- het geen complexe zaak betreft en de wetgeving dienaangaande zeer duidelijk is.

Eisers zijn van oordeel dat er geen enkele reden is om af te wijken van het basisbedrag. Zij motiveren dat :

- de redactie van het fiscaal verhaal en de studie van het dossier meerdere uren in beslag heeft genomen en dat het een complexe zaak betreft;

- de verliezende partij, in casu verweerder, over voldoende financiële draagkracht beschikt om de gebeurlijk rechtsplegingsvergoeding te betalen;

- de contractueel bepaalde vergoedingen inzake ereloon tussen eisers en hun raadsman;

- het kennelijk onredelijk karakter van de situatie.

De rechtbank is van oordeel dat het voorliggend geschil geen complexe fiscale materie betreft en bovendien snel en zonder veel argumentatie werd afgehandeld ingevolge het akkoord van verweerder, hetgeen de toekenning van de minimum rechtsplegingsvergoeding voor in geld waardeerbare zaken voor de categorie "40.000,01 euro tot 60.000,00 euro", zoals vereffend in het beschikkend gedeelte, verantwoordt.


De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak,

Verklaart de vordering van eisers ontvankelijk en gegrond,

Verklaart het verzet van eisers tegen het dwangbevel van 18.03.2009, gekend sub RCIV …, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 20.03.2009 door de wnd. e.a. inspecteur van de BTW te Leopoldsburg, aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt, gegrond.

Zegt voor recht dat eisers niet gehouden zijn tot betaling van de hierin gevorderde bedragen.

Beveelt voor zoveel als nodig de terugbetaling van alle bedragen die in uitvoering van dit dwangbevel reeds zouden zijn geïnd of ingehouden, te vermeerderen met de wettelijke intresten.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding en vereffent deze in hoofde van eisers op 1.000,00 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer A, op het gerechtshof te Hasselt op 01.10.2009, alwaar aanwezig waren :

Mevrouw M. C., enige rechter, en

De heer L. P., griffier.

L. P. M. C.