Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 01.09.2010
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hiernavolgend vonnis verleend :
In de zaak 09/2851/A Rep. nr. 2010/10451
de NV ’T F., (Ondernemingsnr. …), uitbating van café, met maatschappelijke zetel te …, …, … met bijhuis te …, …,
eiseres,
voor wie optreedt Meester F. V., advocaat met kantoor te …, …,
tegen :
De FOD FINANCIËN, Belastingen en Invordering, sector BTW, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën,
1. in de persoon van de e.a. inspecteur van het 1e BTW-controle kantoor te Kortrijk, met kantoren gevestigd te 8500 Kortrijk, Hoverniersstraat 31,
2. in de persoon van de Rekenplichtige van het 1e BTW-Ontvangkantoor te Kortrijk, met kantoren gevestigd te 8500 Kortrijk, Hoverniersstraat 31,
verweerder,
voor wie optreedt Meester F. W., advocaat met kantoor te …, …,
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het fiscaal verzoekschrift de dato 30 september 2009.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overlegde stukken.
Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 23 juni 2010.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS DER ZAAK
2.1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE … voor de activiteit van de uitbating van een café. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Eiseres heeft zich in het kader van de directe belastingen voor de boekjaren 2002 en 2003 per 15 september 2005 akkoord verklaard met de meeropbrengsten ten bedrage van … EUR (inclusief BTW) of … EUR (exclusief BTW) voor het boekjaar 2002 en ten bedrage van … EUR (inclusief BTW) of … EUR (exclusief BTW).
Bij regularisatieopgave op 11 november 2006 verzonden aan eiseres, werd haar door de BTW-administratie kennis gegeven van de door de BTW berekende verschuldigde BTW op het verschil in omzet.
De vastgestelde overtredingen en vaststellingen werden opgenomen in het proces-verbaal de dato 23 maart 2009 opgemaakt door I. R., inspecteur bij de Federale Overheidsdienst Financiën, administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, sector BTW, op het moment van de feiten verbonden aan het eerste BTW-Controlekantoor van Kortrijk.
Op 23 maart 2009 werd voormeld proces-verbaal aan eiseres betekend bij aangetekende brief.
Op 17 augustus 2009 werd door A.-S. N., wnd. eerstaanwezend inspecteur van het 1e BTW-Ontvangkantoor van Kortrijk een dwangbevel uitgevaardigd dat op 18 augustus 2009 geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd door F. S., wnd. e.a. inspecteur BTW-controle Kortrijk 1, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur van de BTW te Brugge.
Op 30 september 2009 legde eiseres een fiscaal verzoekschrift ter griffie dezer rechtbank neer.
2.2. Eiseres vraagt dat het fiscaal verzoekschrift ontvankelijk en gegrond wordt verklaard, dat dienvolgens gezegd wordt voor recht dat het dwangbevel nietig is, minstens onwettelijk of ongegrond en dat terugbetaling bevolen wordt van alle eventuele betaalde of ingehouden bedragen, meer de intresten vanaf de datum van betaling of inhouding en dat verweerder veroordeeld wordt tot de gedingkosten.
2.3. Verweerder vraagt dat: eiseres veroordeeld wordt tot de gedingkosten.
III. BEOORDELING
3.1. nopens de ontvankelijkheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van deze vordering kunnen leiden. Nu de Rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.
3.2. nopens de grond
3.2.1. nopens de vraag tot voorlegging van alle documenten in verband met de kennisgeving aan de BTW-administratie
a. Eiseres vraagt de voorlegging door de administratie van het stuk 281 C afkomstig van het DB-kantoor Gent buitenland.
b. Ondertussen heeft verweerder het stuk aan eiseres meegedeeld (zie syntheseconclusie eiseres, neergelegd de dato 10 maart 2010 - stuk 8, rechtsplegingsdossier), zodat deze grief zonder voorwerp is geworden.
3.2.2. nopens artikel 81bis, § 1, derde lid, 3° W.BTW en het verbod inzake rechtsmisbruik
a. Eiseres stelt dat de BTW-administratie niet het recht heeft om elementen te taxeren die de administratie reeds bekend waren of bekend konden zijn vóór het verstrijken van de driejarige aanslagtermijn.
b. Verweerder stelt dat opdat de zevenjarige verjaringstermijn van toepassing zou zijn, er moet, maar volstaat dat bewijskrachtige gegevens aantonen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven of onrechtmatige aftrek werd verricht.
c. In casu werd de kwestieuze taxatie door de BTW-administratie verricht op 24 augustus 2009 bij toepassing van artikel 81bis, § 1, derde lid, 3° W.BTW.
De vorderingen tot voldoening van BTW, intresten en administratieve geldboeten waarvan de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan na 31 december 1998, verjaren in beginsel na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op het jaar waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die BTW, intresten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan (artikel 81bis, §1 W.BTW).
In afwijking van deze verjaringstermijn treedt de verjaring van de vordering tot voldoening van de BTW in een aantal gevallen pas in na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan (artikel 81bis, § 1, lid 3 W.BTW).
Dit is ondermeer het geval in de situatie, geformuleerd in artikel 81bis, § 1, lid 3, 3° W.BTW, met name wanneer bewijskrachtige gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, aantonen dat belastbare gegevens niet werden aangegeven in België of dat ten onrechte BTW in aftrek werd gebracht.
Desaangaande statueert de rechtbank van eerste aanleg te Luik terecht dat artikel 81bis, § 1, lid 3, 3° W.BTW slechts toegepast kan worden in ernstige zeer specifieke situaties daar de in deze bepaling voorziene termijn de vijfjarige termijn, toen toepasselijk in geval van frauduleuze inbreuken, overschrijdt.
Aldus dient deze bepaling zeer strikt geïnterpreteerd te worden en mag deze niet toegepast worden wanneer een gewone controle van de belastingplichtige tijdens de driejarige verjaringstermijn dezelfde gegevens aan het licht had kunnen brengen (Rb. Luik 19 juni 2006, F.J.F. n° 2007/204 en Rb. Luik 26 februari 2006, F.J.F. n° 2007/205).
In casu dient nagegaan te worden of de bewijskrachtige gegevens waarop de BTW-administratie haar vordering steunt, haar bekend waren binnen de driejarige verjaringstermijn.
De BTW-administratie beroept zich op de resultatenrekeningen over de inkomstenjaren 2002 en 2003 en stelt dat zij slechts op grond van de akkoordverklaring de dato 15 september 2005 aan deze gegevens kon geraken. Deze stelling kan niet gevolgd worden.
In casu stelt de rechtbank vast dat uit de jaarrekeningen over de inkomstenjaren 2002 en 2003 van NV ’t F. de omzet die voor de betrokken boekjaren werd gerealiseerd, blijkt. Het formulier 281 C de dato 22 september 2005 bevestigt dat de kwestieuze meeropbrengsten ten bedrage van … EUR voor het boekjaar 2002 en ten bedrage van … EUR voor het boekjaar 2003 de enige gegevens waren die vóór het ondertekenen van de akkoordverklaring de dato 15 september 2005, nog niet aan de administratie bekend waren (stuk 2 - administratief dossier).
Bovendien werden de weerhouden akkoordverklaringen de dato 15 september 2005, die door de BTW-administratie ook als bewijskrachtige gegevens worden weerhouden, intern tussen de diverse diensten per 22 september 2005 aan elkaar meegedeeld (stuk 2 - administratief dossier).
Bijgevolg had de administratie op het moment van de akkoordverklaring of ten laatste op 22 september 2005 de tijd om binnen de normale 3-jarige verjaringstermijn de taxatie te vestigen voor het jaar 2002.
Voor de meeropbrengst van het inkomstenjaar 2003 verstreek de termijn om de BTW-taxatie door te voeren pas op 31 december 2006.
De BTW-administratie heeft aldus, door zich voor de taxatie voor de jaren 2002 en 2003 te steunen op artikel 81bis, § 1, al. 3, 3° W.BTW, ondanks het feit dat zij de taxatie binnen de driejarige termijn had kunnen uitvoeren op basis van de haar bekende gegevens, voormeld artikel geschonden.
De fiscale vordering is gegrond.
3.3. nopens de kosten
Verweerder wordt in het ongelijk gesteld en moet overeenkomstig artikel 1017, 1° lid Ger. W. de gerechtskosten te dragen. De gerechtskosten belopen het basisbedrag der rechtsplegingsvergoeding zijnde … EUR, zoals gevorderd.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
De Rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet terzake dienend.
Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk en gegrond.
Zegt voor recht dat het bestreden dwangbevel nietig is en dat het bestreden dwangbevel en de betekening ervan geen enkel gevolg mag hebben.
Beveelt de terugbetaling van alle eventueel betaalde of ingehouden bedragen ingevolge het vernietigde dwangbevel, verhoogd met de intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de datum van inhouding.
Veroordeelt verweerder tot de gedingkosten aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en aan de zijde van eiseres begroot op … EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op woensdag één september tweeduizend en tien.
Aanwezig zijn :
H. A., alleenrechtsprekend rechter;
L. N., griffier.
N. L. A. H.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.