Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Veurne du 03.04.1992
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
De Rechtbank van Eerste Aanleg van het gerechtelijk arrondissement VEURNE - 5 B kamer, wijzend in burgerlijke zaken, heeft het volgende vonnis verleend :
AR nr. 10/4640
In de zaak :
De Personenvennootschap met Beperkte Aansprakelijkheid “T. D.”, met maatschappelijke zetel te …, …;
eiseres,
hebbende als raadsman Meester P. D., advocaat te …, …;
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens kantoren zijn gevestigd te Brussel, Wetstraat, 14, op vervolging en benaarstiging. van de Heer Hoofdcontroleur der BTW te Nieuwpoort, wiens kantoren zijn gevestigd te 8620 Nieuwpoort, Financiecentrum, Juul Filliaertweg, 41;
verweerder,
hebbende als raadsman Meester P. D., advocaat te …, …;
Gezien de dagvaarding betekend op 24 augustus 1988;
Gezien de conclusies voor de Belgische Staat, Ministerie van Financiën, neergelegd op 2 juni 1989, 11 mei 1990 en 2 mei 1991;
Gezien de conclusies voor de BVBA T. D., neergelegd op 3 november 1989, en 9 oktober 1990;
Gehoord partijen in hun middelen en conclusies;
Gezien, het advies van het Openbaar Ministerie ter zitting van 15 november 1991;
Gezien de stukken.
GEGEVENS
Tijdens de jaren 1984,1985 en 1986 werd door eiseres een woonhuis met burelen opgericht te …, …. De bouwvergunning die werd uitgereikt zou klaarblijkelijk als bestemming hebben vermeld : "de oprichting van een woning voor huisbewaarder met burelen".
Naar aanleiding van een per 16 oktober 1986 uitgevoerde controle door verweerster, is gebleken dat de woning in realiteit betrokken werd, niet door een afzonderlijke huisbewaarder, doch door de zaakvoerder van de vennootschap zelf met zijn gezin. Dit gegeven wordt door geen der partijen betwist.
Van deze feiten is een proces-verbaal opgesteld op 4 november 1987. Dit stuk wordt evenwel slechts in kopie door partijen voorgelegd (dossier verweerster, st. 3).
Uit de voorgelegde briefwisseling blijkt dat er zich inmiddels - met name nà de bevindingen van 16 oktober 1986 en voor voormeld proces-verbaal van november 1987 - besprekingen tussen partijen hebben voorgedaan. In ieder geval wordt hiernaar verwezen in de brief van de administratie dd. 4 november 1987 (dossier verweerster, st. 4). De protestbrief van de raadsman van eiseres dd. 19 maart 1987 dient klaarblijkelijk in dit kader gezien (dossier verweerster, st. 2).
In voormeld proces-verbaal is verder door de fiscale administratie het privaat gedeelte geraamd geworden op 55 %, en het beroepsgedeelte van de woning op 45 % (st. 3).
De ten onrechte afgetrokken BTW wordt derhalve bepaald op 55 %, hetzij … F, te vermeerderen met de boeten en de rente voor een bedrag van respectievelijk … F en … F, hetzij in het totaal … F.
Het betalingsbericht waarnaar eiseres verwijst in de dagvaarding, daterend van 16 november 1987, wordt door partijen niet voorgelegd.
Weliswaar wordt niet betwist dat een bedrag van … F·, hetzij voormeld bedrag vermeerderd met inmiddels vervallen rente, is betaald op 14 januari 1988. Bij brief dd. 4 januari 1988 van de raadsman van eiseres werd deze betaling aangekondigd als een betaling onder voorbehoud var alle rechten.
VOORWERP VAN DE EIS
De vordering beoogt de veroordeling van verweerster tot terugbetaling van het bedrag van … F, méér de moratoire rente vanaf de betalingsdatum, zijnde 14 januari 1988, tot de dag der terugbetaling, méér de kosten. De vordering beoogt tevens de uitsluiting van heffing van enige boete.
IN RECHTE
De stelling van eiseres is gecentraliseerd rond drie aspecten : de rechten van de verdediging en de schending van art. 84.1 vooreerst, vervolgens de toepasselijkheid van de bewijswaarde en -kracht van het P.V. in casu, en tenslotte de betwisting ten gronde omtrent de aftrek.
Deze middelen dienen overlopen.
SCHENDING ART. 84.1 W.BTW
De schending van de rechten van de verdediging en van art. 84 wordt door eiseres gebaseerd op het feit dat de regularisatie-opgave en het P.V. niet gemotiveerd zijn, hetgeen de belastingplichtige niet zou hebben toegelaten om met kennis van zaken te antwoorden op de vaststellingen, dit zowel voorafgaandelijk aan het inleiden van de procedure, als nadien, bij de aanvang ervan.
In realiteit vermelden zowel de naheffingsopgave als het P.V. op afdoende wijze zowel dat de door eiseres gehanteerde aftrekmogelijkheid door de administratie betwist wordt, als de motieven van deze betwisting, met name het reële beroepsmatige karakter, en het feit dat "de voorbelasting op de oprichtingswaarde van het gebouw, dienstig als burelen en woonhuis, slechts aftrekbaar (is) in die mate dat de beroepsmatigheid aanvaardbaar is en niet overschreden werd" (dossier verweerster, st. 1) en tenslotte omdat " … de aangerekende BTW in een hogere verhouding in aftrek werd gebracht dan hetgeen wettelijk toegelaten was, bij toepassing van art. 45" (ibidem, st. 3).
Bovendien blijkt uit de brief dd. 19 maart 1987 en het aldaar gevoerde verweer door de raadsman van eiseres dat eiseres zich van meet af aan de precieze toedracht van de betwisting wel degelijk realiseerde.
Een schending van de rechten van de verdediging blijkt op dit vlak dan ook niet voorhanden.
Een concrete schending van art. 84 W.BTW wordt bovendien niet aangetoond, terwijl uit het feitenrelaas gebleken is dat tussen partijen besprekingen werden gevoerd. In ieder geval verwijst de brief van 4 november 1987 naar dergelijke besprekingen.
Een schending van voormeld artikel blijkt dan ook evenmin voorhanden.
BEWIJSWAARDE P.V.
Eiseres houdt verder voor dat de vaststellingen in het P.V. nopens het geheel of gedeeltelijk gebruik van een aantal lokalen in een woning slechts een subjectieve interpretatie uitmaken, waarvoor de bewijswaarde en - kracht van het P.V. niet geldt.
Inzake BTW leveren de processen-verbaal bewijs op, zolang het tegendeel niet is bewezen (art. 59 1), met dien verstande evenwel dat deze wettelijke bewijswaarde beperkt wordt tot de materiële vaststellingen die de ambtenaren hebben gedaan. De gevolgtrekkingen bijvoorbeeld die de ambtenaren afleiden, worden in beginsel niet als dusdanig beschouwd, en hebben niet dezelfde bewijswaarde (GEINGER, H., De onderzoeksmachten van de BTW-administratie, in, Actuele problemen van fiscaal recht, bI. 188).
In casu is in het P.V. vastgesteld geworden dat bepaalde lokalen geheel of gedeeltelijk gebruikt worden in de uitoefening van de beroepswerkzaamheid van eiseres :
- bureel 1 (in living) 50 %
- vergaderzaal, bureel 2,
ontvangstruimte, bureel 3
WC 3, douche, eetplaats,
fietsenberging personeel 100 %
- archiefruimte op verdieping 100 %
- stookplaats 50 %
- WC 2 50 %
In datzelfde P.V. wordt de oppervlakte van deze bedrijfsruimten berekend aan de hand van het uitvoeringsplan, hetgeen in verhouding tot de totale oppervlakte 44,9 % oplevert, hetzij afgerond 45 %.
Het komt de Rechtbank voor dat de fiscale administratie in beginsel haar vaststellingen dusdanig dient te beschrijven, preciseren en detailleren, dat een behoorlijke navolgende controle kan worden uitgevoerd. Het kan bezwaarlijk ontkend worden dat het litigieuze proces-verbaal weliswaar essentiële gegevens bevat, doch uiterst summier is opgesteld.
Anderzijds kan evenmin betwist worden dat eiseres nagelaten heeft om zelf op concrete en gedetailleerde wijze de vaststellingen qua gebruik aan de werkelijkheid te toetsen en/of hun onjuistheid aan te tonen.
In de gegeven omstandigheden dient de bewijswaarde van art. 59 dan ook toegekend aan het litigieuze P.V
AFTREKBAARHEID
Eiseres baseert zich vooreerst op het nut van een huisbewaarder voor een transportfirma, en hekelt in dit verband het feit dat de fiscale administratie een onderscheid maakt al naargelang de persoon van de huisbewaarder. Zij verwijst naar het feit dat zo een aparte huisbewaarder wordt ingehuurd, de volledige aftrek toegestaan wordt, hetgeen niet het geval is wanneer de zaakvoerder van de transportfirma zelf deze taak op zich neemt. Verder beroept eiseres zich op het feit dat de litigieuze woning een bedrijfsmiddel uitmaakt, aangewend teneinde het maatschappelijk doel van de vennootschap te realiseren, derhalve het transport. Zij verwerpt het door de administratie gehanteerde onderscheid tussen rechtstreekse en onrechtstreekse aanwending van bedrijfsmiddelen, en derhalve het verwijzen naar de verhuring/ terbeschikkingstelling als een afzonderlijke bedrijfsactiviteit.
De basisdiscussie betreft derhalve de mogelijkheid, en desgevallend de omvang van de aftrekmogelijkheid van de belasting. In realiteit betreft de discussie derhalve de interpretatie van een van de hypotheses van art. 45 W.BTW dat m.n. de aftrek toelaat van de belasting geheven van de aan de belastingplichtige geleverde goederen en verleende diensten voor zover hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van 1° handelingen onderworpen aan de belasting.
De stelling van eiseres is dat de goederen en diensten geleverd met betrekking tot het bouwen van de woning dienstig zijn voor de bedrijfsactiviteit van de vennootschap, en een bedrijfsmiddel uitmaken.
Er kan terzake geen discussie bestaan voor zover de woning effectief gebruikt wordt in het kader van de bedrijfsactiviteit van eiseres. Aldus heeft de fiscale administratie de aftrek ten belope van 45 % aanvaard.
Anders is het voor het gedeelte van de woning dat voor privaat gebruik in aanmerking komt. Het is aanneembaar dat de permanente aanwezigheid van een zaakvoerder op de zetel van de vennootschap nuttig, en economisch verantwoord is, en dat deze persoon aldus een aantal taken kan uitoefenen die doorgaans aan een huisbewaarder worden toevertrouwd.
Teneinde voor de aftrekmogelijkheid in aanmerking te komen volstaat het evenwel niet dat deze aanwezigheid in dit gebouw "in het kader van" en "ter bevordering van de bedrijfswerkzaamheid" geschiedt (Cass., 2 december 1988, Arr. Cass.,1988-89, 397), en derhalve nuttig voorkomt, doch is het integendeel vereist dat het gebouw opgetrokken en geleverd werd voor het verrichten van de handelingen onderworpen aan de belasting, hetzij voor het transportbedrijf. Het bedrijfseconomische nut beantwoordt niet noodzakelijkerwijze aan het gebruik vereist door art. 45 voormeld. In casu is dit verband en/of nut hoogstens onrechtstreeks, en derhalve onvoldoende.
De verwijzing naar de bestemming komt irrelevant voor nu de facturen waarnaar eiseres verwijst, niet eens worden voorgelegd. De vermelding anderzijds op de bouwvergunning - die al evenmin wordt voorgelegd - zou hoe dan ook geen uitsluitsel hebben kunnen bieden, gezien de vage vermelding niet toelaat te preciseren welke persoon de woning in zijn hoedanigheid van huisbewaarder zou betrekken.
Bovendien blijkt geenszins dat de voorgewende aanwezigheid in het bedrijf van eiseres, hoewel nuttig, wel degelijk vereist is en/of een noodzaak zou uitmaken. Aldus dient een goede of zelfs permanente bereikbaarheid niet noodzakelijkerwijze gerealiseerd te worden vanuit de bedrijfsgebouwen. Het incorporeren van de private woning in de bedrijfsgebouwen kan bijvoorbeeld al evenzeer als een voordeel bedoeld geweest zijn voor de zaakvoerder van de vennootschap. Er worden. door eiseres in dit verband geen gegevens voorgelegd van aard terzake uitsluitsel te bieden, (bijvoorbeeld omtrent o.m. de grootte van het bedrijf, het aantal chauffeurs, aard van het transport e.d.m.) die één en ander eventueel beter hadden kunnen verantwoorden. Aldus dient geconcludeerd dat de zelfs de voorgewende bedrijfseconomische noodzaak alleen geponeerd wordt, doch niet bewezen.
De verwijzing naar het stelsel van de inkomstenbelastingen komt evenmin relevant voor, nu het BTW-stelsel de aftrekbaarheid strikt en specifiek heeft geregeld.
De verwijzing naar de regeling die door de fiscale administratie aanvaard wordt inzake de woongelegenheid van een derde-huisbewaarder, doet geen afbreuk aan voormeld beginsel, nu in dit geval alleen het gebruik van de woongelegenheid in aanmerking wordt genomen voor zover het strikt verantwoord is voor de behoeften van de onderneming, en dit kader niet wordt overschreden. Het eventueel bijkomend voordeel wordt in die omstandigheden immers als "volkomen te verwaarlozen (beschouwd), (en) als zijnde volledig ondergeschikt en inherent aan zijn dienstprestaties, zodat het gebouw van de huisbewaring in zijn geheel als een exploitatiemiddel beschouwd mag worden" (Gent, 27 september 1988, BTW-revue, 88.11.89.). Uit hetgeen voorafgaat is gebleken dat dit in de gegeven omstandigheden niet het geval is, minstens dat eiseres terzake faalt in haar bewijslast.
Er dient volledigheidshalve aan toegevoegd dat het door de administratie weerhouden privé-percentage het louter accessoir karakter van het woningvoordeel - voor zover dit zou worden ingeroepen volkomen weerlegt. Het betreft immers méér dan de helft (55 %). Bovendien dient een uitzondering op de gemene aftrekregeling limitatief te worden geïnterpreteerd, en kan deze niet per analogie worden uitgebreid.
De vordering komt dan ook ongegrond voor.
VRIJSTELLING VAN BOETE
Eiseres verwerpt de toepassing van de boeten, gezien het om een rechtskwestie gaat, en de toepassing alsdan niet redelijk zou voorkomen. Er wordt aan toegevoegd dat dergelijke boetes een strafkarakter hebben overeenkomstig art. 6 E.V.R.M. en niet door de fiscale administratie kunnen worden beoordeeld.
Verweerster anderzijds ontzegt de rechter de beoordeling van de hoegrootheid van de boete, nu deze van rechtswege opgelopen zijn. Verweerster verwijst in dit verband bovendien naar het feit dat de boete in realiteit verminderd werd.
Waar "in beginsel" art. 6.1 E.V:R.M. geen toepassing vindt op de rechten en de verplichtingen die hun oorsprong vinden in het belastingrecht (o.m. Cass., 20 april 1990, Arr. Cass., 1989-90, 1080), komt het de Rechtbank voor dat dit beginsel niet van toepassing is in zoverre een vervolging van strafrechtelijke aard wordt beoogd. Het feit dat bepaalde straffen als "administratieve" of fiscale boetes worden bestempeld, mag geen aanleiding zijn om het E.V.R.M. uit te hollen (E.H.R.M. 21 februari 1984, inzake Oztürk, T.F.R., 1984, 89; -LEMMENS, P., De invloed van het Europees verdrag over de rechten van de Mens op bepaalde aspecten van de strafprocedure in België, R.W., 1988-89, 794; -TOURNICOURT, R., Fiscaal strafrecht, in, Fiscale Geschriften 1, nr. 155).
Niet alleen het wettig karakter, doch ook de opportuniteit van de boete kan dan ook door de rechterlijke macht worden beoordeeld (ibidem, nr. 6 in fine).
In realiteit blijken de boetes evenwel te zijn verminderd tot … F (dossier verweerster, st. 1) "overeenkomstig het barema houdende de richtlijnen voor de vermindering der geldboeten inzake BTW". Dit bedrag zou volgens een voorgelegd computeruittreksel, naderhand toch nog zijn aangepast tot … F (Ibidem, st. 6).
De eerste herleiding tot een bedrag van … F komt passend voor en dient opgelegd. Er is geen aanleiding voorhanden tot de verhoging.
Gelet op art. 2 en volgende van de Wet van 15 juni 1935 op het Taalgebruik in Gerechtszaken,
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK, rechtdoende in burgerlijke zaken, in eerste aanleg en op tegenspraak,
Verklaart de vordering toelaatbaar, en slechts in volgende mate gegrond :
Zegt voor recht dat eiseres een bedrag verschuldigd is van … F aan BTW, … F aan boete; … F aan rente, hetzij in het totaal … F;
Veroordeelt derhalve verweerster om aan eiseres een bedrag terug te betalen van … frank (… BEF), méér de gerechtelijke rente op dit bedrag sedert 24 augustus 1988 tot algehele betaling;
Compenseert de rechtsplegingsvergoedingen, doch legt de kosten van de dagvaarding en rolstelling ten laste van eiseres;
Verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van drie april negentienhonderd tweeënnegentig.
Aanwezig :
Mevr. B. D., Alleenzetelend Rechter, Voorzitter van de vijfde kamer B ;
E. D., Eerste Substituut Procureur des Konings en
Mevr. l. P., ea Klerkgriffier.
L. P. B. D.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.