Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 23.05.2002
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
V O N N I S van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent - ZESDE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 23 mei 2002
AR 99/1356/A en 00/670/A
In de (beide) zaken van :
De NV MMC C., met zetel te …, …, HR Gent nr. …;
eiseres,
hebbende als raadsman Mter. L. D. M., advocaat te …, …;
tegen :
De BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, in de persoon van de Rekenplichtige van het tweede BTW-ontvangkantoor te Gent, wiens kantoor gevestigd is te 9000 Gent, Martelaarslaan 23;
verweerder,
hebbende als raadsman Mter. D. M., advocaat te …, …;
vonnist de rechtbank als volgt :
I. PROCEDURE
1.1. Partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van deze rechtbank en kamer van 25 april 2002; De debatten werden gesloten en de zaak werd in beraad genomen;
1.2. De resp. dossiers van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder de resp. gedinginleidende dagvaardingen d.d. 3 mei 1999 en d.d. 1 maart 2000, de onderscheiden conclusies en dossiers van partijen;
Partijen vragen samenvoeging van de beide dossiers wegens samenhang;
II. DE VORDERING
2.1. De vordering van eiseres, zoals laatst gelibelleerd en aangepast in besluiten (en mits ambtshalve verbetering van een aantal materiële vergissingen, o.m. vermelding op de voorpagina van de conclusie van het verkeerde AR nummer), inzake AR 99/1356/A luidt als volgt :
"Te zeggen voor recht dat de vordering van de concluderende partij ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en aldus, na samenvoeging met het dossier gekend onder AR 00/670/A :
- Het dwangbevel d.d. 19 februari 1999 en de bijhorende aanslag nietig te verklaren;
- De kosten van betekening van het dwangbevel en de kosten van het uitvoerend beslag lastens verweerder blijven;
- Het uitvoerend beslag gelegd lastens de concluderende partij op 30 maart 1999 geen rechtsgrond heeft;
- Verweerder gehouden is tot betaling van een schadevergoeding uit hoofde van tergend en roekeloos gedrag ten belope van 6.197,34 EUR (250.000 BEF), meer de gerechtelijke intresten;
- Verweerder gehouden is tot de gerechtskosten inclusief de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding;
- Het te vellen vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, …”
2.2. De vordering van eiseres, zoals laatst gelibelleerd en aangepast in besluiten (en mits ambtshalve verbetering van een aantal materiële vergissingen, o.m. vermelding op de voorpagina van de conclusie van het verkeerde AR nummer), inzake AR 00/670/A luidt als volgt :
"Te zeggen voor recht dat de vordering van de concluderende partij ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en aldus, na samenvoeging met het dossier gekend onder AR 99/1356/A :
- Het dwangbevel d.d. 16 februari 2000 en de bijhorende aanslag nietig te verklaren;
- De kosten van betekening lastens verweerder blijven;
- Verweerder gehouden is tot betaling van een schadevergoeding uit hoofde van tergend en roekeloos gedrag ten belope van 6.197,34 EUR (250.000 BEF) meer de gerechtelijke intresten;
- Verweerder gehouden is tot de gerechtskosten inclusief de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding;
- Het te vellen vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren te verklaren, …”
III. FEITEN EN GESCHIL
3.1. Tot en met 31 maart 1998 waren de dienstprestaties als uitvoerend artiest vrijgesteld van BTW overeenkomstig artikel 44 par. 2, 8° Wb. BTW; Vanaf 1 april 1998 zijn deze dienstprestaties onderworpen aan het BTW-tarief van 6 procent;
Het geschil ten gronde kan herleid worden tot de vraag of eiseres dient beschouwd te worden als "uitvoerend artiest" in de zin van voormeld artikel 44, par. 2, 8° Wb. BTW of niet;
Eiseres meent dat zij dient te worden beschouwd als "uitvoerend artiest" en dat zij derhalve kan aanspraak maken op vrijstelling (tot en met 31 maart 1998) of op het tarief van 6 % (vanaf 1 april 1998);
Verweerder meent dat eiseres allerminst prestaties levert die te beschouwen als deze van een "uitvoerend artiest", doch om dienstprestaties van algemene aard die integraal onderworpen zijn aan het normale BTW-tarief;
3.2. Voormelde omschreven (relatief eenvoudige) betwisting is evenwel de betwisting die blijkt uit het laatste (nieuwe) standpunt van de administratie van verweerder;
Dit maakt een en ander op het eerste gezicht enigszins ingewikkeld :
3.2.1.
Op 12 februari 1999 werd lastens eiseres een PV (stuk 1 van verweerder) opgemaakt naar aanleiding van een BTW-controle voor de periode van 1 januari 1994 tot 31 maart 1998 door de BTW-controle te AALTER; Uit dit PV bleek dat eiseres een bedrag van 740.699 BEF (voor de koherentie met het onderliggend dossier, worden nog in onderhavige weergave van de feiten de oorspronkelijke bedragen in BEF vermeld, het dispositief van onderhavig vonnis vermeldt uiteraard de bedragen in EURO) aan BTW, meer de boete (art. 70, par. 1 Wb. BTW) en de wettelijke intresten (art. 91, par. 1 Wb. BTW) verschuldigd is;
Dit PV was gebaseerd op het feit dat eiseres het statuut heeft van gemengde belastingplichtige met gedeeltelijk recht op aftrek van de BTW, dit overeenkomstig art. 46 par. 1 Wb. BTW; De gemengde belastingplicht volgde uit het feit dat eiseres een deel van haar (uitgaande) handelingen vrijstelde van de BTW overeenkomstig artikel 44, par. 2, 8° Wb. BTW (waarbij eiseres - gedeeltelijk - als "uitvoerend artiest" wordt beschouwd);
Dit PV gaf aanleiding tot het dwangbevel dat op 19 februari 1999 werd betekend aan eiseres, waarbij voor een verschuldigd saldo op 30 maart 1999 uitvoerend beslag werd gelegd;
Bij dagvaarding d.d. 3 mei 1999 leidde eiseres de procedure in, gekend onder AR 99/1356/A;
3.2.2.
Op 10 februari 2000 werd lastens eiseres een nieuw PV ( stuk 2 van verweerder) opgemaakt naar aanleiding van een BTW-controle voor de periode van 1 januari 1995 tot 31 december 1999 (het jaar 1994 werd niet meer gecontroleerd wegens ingetreden verjaring); Uit dit PV bleek dat eiseres een bedrag van 1.192.021 BEF aan BTW, meer de boete (art. 70, par. 1 Wb. BTW) en de wettelijke intresten (art. 91, par. 1 Wb. BTW) verschuldigd is;
Verweerder stelt dat in feite dit proces-verbaal het eerder opgemaakte proces-verbaal d.d. 12 februari 1999 (stuk 1 van verweerder), voorwerp van de voormelde eerst ingeleide procedure (nl. bij dagvaarding d.d. 3 mei 1999, procedure gekend onder AR 99/1356/A);
In dit proces-verbaal van 10 februari 2000 wijzigt de administratie haar eerder ingenomen standpunt en gaat verweerder ervan uit dat de handelingen waarvoor de vrijstelling van artikel 44, par. 2, 8° Wb. BTW werden ingeroepen, integraal belastbaar zijn aan het normale BTW-tarief (waarbij eiseres dus niet langer beschouwd wordt als gemengd belastingplichtige in de zin van artikel·46 ,par. 1, Wb. BTW);
Dit nieuwe PV gaf aanleiding tot het dwangbevel dat op 16 februari 2000 werd uitvoerbaar verklaard en op 17 februari 2000 werd betekend aan eiseres;
Bij dagvaarding d.d. 1 maart 2000 leidde eiseres de tweede procedure in, gekend onder AR 00/670/A;
3.2.3.
Deze werkwijze van de administratie ''an sich'' (nl. hangende een ingeleide procedure, op het terrein het standpunt wijzigen en aldus ingrijpen in het voorwerp en de aard van de oorspronkelijke betwisting) wordt door eiseres op de korrel genomen;
3.3.
Eiseres heeft naar eigen zeggen een dubbele activiteit, nl. enerzijds het fungeren als tussenpersoon voor het organiseren van muziekconcerten (activiteit welke vergoed wordt op basis van commissies gefactureerd met 21 % aan de organisator van het evenement) en anderzijds de activiteit van uitvoerend muzikant (activiteit welke vergoed wordt op basis van een artistieke gage, gefactureerd aan 6 % vanaf 1 april 1998, voor die datum gold terzake een vrijstelling);
Eiseres stelt dat dit systeem door haar reeds gedurende twintig jaar toegepast wordt en boogt terzake op een akkoord met de fiscus;
Zo heeft eiseres in de gecontroleerde periode bedragen ontvangen waarvoor geen BTW (periode voor april 1998) of slechts 6 % BTW (periode vanaf april 1998) werd aangerekend, o.m. een deel van de artistieke gage voor optredens van de B. B. "G. S." en "E.", een deel van de artistieke gage voor de optredens van "H.'' en van de zangeres "P.";
3.3.1.
Eiseres (een vennootschap) verantwoordt haar bewering eigenlijk zelf "uitvoerend artiest" te zijn, zelfs m.b.t. de optredens van voormelde artiesten "G. S.", "E.", "H." en "P." o.m. als volgt :
"
…
Bij een optreden van een muziekgroep zijn een aantal zaken onontbeerlijk om een geslaagde voorstelling te hebben, nl. een zanger en muziek (en hopelijk veel publiek). Zonder muziek heb je immers geen song, welke bij zangers als E., P., G. S. en dergelijke even belangrijk is, soms zelfs meer dan de tekst.
Dit wordt door de verweerster erkent wanneer ze schrijft dat de deuntjes essentieel zijn. Een goed klinkend deuntje is reeds een belangrijke stap richting succes
…” ( besluiten eiseres p. 9)
Evenals :
"…
Tijdens het optreden heeft de zanger behoefte aan muziek. Vermits er geen live-band aanwezig is, doet de door de heer V. L., gedelegeerd bestuurder bij de concluderende partij, gecreëerde muziek dienst als vervangend orkest.
En zonder die muziek kan de zanger niet optreden. Vermits de heer V. L. de muziek componeert, er het eigendomsrecht op heeft en als het ware “optreedt”, valt de concluderende partij onder het toepassingsgebied van de uitsluitingsclausule voorzien in de BTW-Wetgeving. Een optreden is immers een combinatie van tekst en muziek : diegene die dit brengen zijn te beschouwen als artiesten. De heer D. (zanger van de groep E., toevoeging van de Rechtbank) zingt en de concluderende partij zorgt voor de muziek.
Voor deze door de concluderende partij geleverde prestaties ontvangt de heer D. een factuur vanwege de concluderende partij waarop 6 % wordt aangerekend.
"… (besluiten eiseres p. 10)
Evenals :
"…
Tenslotte heeft concluderende partij het concept van de voorstelling en de opstelling van het podium bedacht, gecreëerd en betaald. Op zich reeds een artistieke prestatie.
Degene die op het podium staat, is in feite van ondergeschikt belang vermits zijn inbreng nihil is (onderlijning door de Rechtbank). Het exclusiviteitscontract vermeldt evenzeer dat de maatschappij de leiding heeft zonder enige inbreng van degene die de tekst inzingt/inspreekt.
"… (besluiten eiseres p. 10 - 11).
3.3.2.
Verweerder stelt daar tegenover dat niet relevant is wie de betrokken muziekstukken heeft gecomponeerd t.a.v. de al of niet belastbaarheid van het deel van de gage (i.v.m. de optredens van muziekgroepen) welke door eiseres worden opgestreken : De organisatoren (en onrechtstreeks het publiek) betalen immers een gage per optreden aan de muziekgroep (of zijn bemiddelaar). Hiermee heeft eiseres niets vandoen. Voor de organisatoren en het publiek is de artiest waarvoor men komt en betaalt immers de eigenlijke uitvoerder op het podium, zijnde "G. S.", "E.", "P.", of "H.". Het interesseert hen daarbij geenszins wie de naar voor gebrachte nummers uiteindelijk zou gecomponeerd hebben. Het doet ook niet terzake of de nummers "live" worden gezongen op het podium of enkel "geplaybackt"; In het kader van dergelijke optredens zijn volgens verweerder dan ook de "uitvoerende artiesten" de mensen die effectief op het podium de muziek naar voor brengen. De organisatoren en het publiek hebben geen enkele notie van de tussenkomst en/of zelfs het bestaan van de NV MMC C.. Hoe zou deze laatste vennootschap aldus "uitvoerend artiest" kunnen zijn ?
Verweerder legt ter illustratie een exclusiviteitscontract voor d.d. 9 maart 1995 (op basis waarvan eiseres een deel ontvangt van de ontvangen gages door de artiesten die aan haar contractueel verbonden zijn) tussen eiseres en de heer F. D. (frontman van E.), zijnde de bijlage 1 van het proces-verbaal van 10 februari 2000 (stuk 2 van verweerder), in welk contract sprake is van de "artiest" in de persoon van de heer F. D. en waarbij onder punt 4 van het contract het volgende werd gestipuleerd :
"De Maatschappij (eiseres) heeft recht op 40 % van de bruto ontvangsten van de Artiest, voortkomende uit optredens, concerten, fotosessies, filmopnamen, presentatiewerk, actes de présence, etc., kortom al hetgene de Artiest als Artiest zelf uitvoert. Deze 40 % die de Maatschappij ontvangt, bevat alle commissies uit te betalen aan agenten, boekingskantoren, begeleiders, aangesteld door en in opdracht van de Maatschappij of de Artiest."
Aldus illustreert verweerder dat eiseres eigenlijk louter ''achter de schermen'' werkt; M.b.t. de litigieuze "gages" (alle genoemde inkomsten voorwerp van huidig geding vloeien voort uit een deel van de gage i.v.m. optredens van de diverse artiesten) komt eiseres zelfs niet tussen in de contacten (en contracten) tussen de kwestige artiesten en de inrichters van optredens : Verweerder verwijst naar de eigen argumentatie in de dagvaarding d.d. 1 maart 2000 en in besluiten van eiseres waarin deze laatste uitdrukkelijk stelt niets te maken te hebben met de contracten tussen een derde persoon (inrichter van een concert) en de kwestige artiesten... Aldus is eiseres ten aanzien van de organisatoren en het publiek een buitenstaander en waarschijnlijk zelfs een onbekende; Volgens verweerder kan eiseres t.a.v. dergelijke optredens dan ook onmogelijk zelf als "uitvoerend artiest" beschouwd worden;
Verweerder betwist bovendien het bestaan van een jarenlang akkoord tussen fiscus en eiseres : dit wordt o.m. geïllustreerd door het feit dat eiseres steeds de BTW integraal in aftrek bracht… mocht er al een akkoord zijn, waarom werd dit dan niet toegepast door eiseres ? Bovendien legt eiseres geen enkele briefwisseling voor omtrent het zogenaamde individuele akkoord dat reeds 20 jaar zou bestaan, noch enig ander stuk waaruit blijkt dat de administratie van verweerder met volle kennis van zaken in de afgelopen periode similaire activiteiten aan de huidige litigieuze activiteiten impliciet doch zeker heeft aanvaard…”
Ook m.b.t. de litigieuze betwisting bestond er geen voor akkoord ondertekende inregelstelling, nu een "onder voorbehoud ondertekende inregelstelling'' niet kan gelden als geldig akkoord;
IV. BESPREKING
4.1. m.b.t. de samenvoeging van de beide dossiers met resp. AR nrs. 99/1356/A en 00/670/A
De beide dossiers worden - mede op vraag van beide partijen - samengevoegd;
De beide dossiers zijn inderdaad nauw samenhangend (zo nauw zelfs dat een partij de conclusies met vordering in het ene dossier heeft neergelegd in het andere en omgekeerd) en een gezamenlijke beslechting dringt zich inderdaad op in het licht van de goede rechtsbedeling;
4.2. ten gronde
4.2.1. de t.a.v. de voorliggende betwisting relevante wettelijke bepalingen zijn :
4.2.1.1. artikel 18 par. 1 Wb. BTW
"Als een dienst wordt beschouwd elke handeling die geen levering van een goed is in de zin van dit wetboek.
Als een dienst wordt onder meer beschouwd de uitvoering van een contract dat tot voorwerp heeft :
1° een materieel of intellectueel werk waaronder maakloonwerk.
…"
4.2.1.2. artikel 44, par. 2 Wb. BTW
"…
par. 2. Van de belasting zijn eveneens vrijgesteld :
…
8° de diensten aan organisatoren van voordrachten verstrekt door voordrachtgevers die als zodanig handelen; de diensten aan organisatoren van schouwspelen en concerten, aan uitgevers van grammofoonplaten en van andere klankdragers en aan makers van films en van andere beelddragers verstrekt door acteurs, orkestleiders, muzikanten en andere artiesten voor de uitvoering van toneelwerken, balletten, films, muziekstukken, circus-, variété-, of cabaretvoorstellingen; de diensten aan organisatoren van sportwedstrijden of sportfeesten verstrekt door deelnemers aan de wedstrijden of feesten;
4.2.1.3. Bij KB d.d. 30 maart 1998 (BS 2 april 1998) zijn de diensten van "uitvoerende artiesten" sinds 1 april 1998 onderworpen aan het verlaagd BTW-tarief van 6 %; De omschrijving van de bedoelde diensten werd opgenomen in het KB nr. 20, Tabel A, rubriek XXIX;
4.2.2.
De lectuur van hogervermeld artikel 44, par. 2 Wb. BTW laat er weinig twijfel over bestaan;
Bij een concert van ''G. S.", ''E.'', ''P.", ... is het in geen geval eiseres die op het podium staat;
Het feit dat haar afgevaardigde bestuurder misschien de componist is van de muziek, maakt nog niet dat eiseres te beschouwen is als de artiest die het concert ''uitvoert'';
Het komt de Rechtbank voor dat de “uitvoering” van een concert zoals bedoeld in voormelde wettekst, nog altijd de lijfelijke aanwezigheid vereist van de uitvoerder op het podium;
4.2.3.
De heffing van belastingen vindt haar grondslag in de fiscale wet, welke van openbare orde is;
De belastingadministratie kan dan ook niet gebonden zijn door een eventueel akkoord (In casu kan m.b.t. de litigieuze betwisting zelfs geen sprake zijn van enig valabel akkoord, nu terzake de inregelstelling werd ondertekend "onder voorbehoud") dat gesloten is met miskenning van de wet;
M.a.w. kan de fiscus steeds op onwettig gesloten akkoorden terugkomen;
Hier treedt het vertrouwensbeginsel wel temperend op;
De algemene beginselen van behoorlijk bestuur, die ook ten aanzien van de fiscus gelden, sluiten het recht op rechtszekerheid in : dat recht houdt onder meer in dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat door hem niet anders kan worden opgevat dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid (zie : Cass. 27 maart 1992, o.m. verschenen in N.F.M., 1993, 70 met noot K. LEUS);
Dit houdt onder meer in dat de fiscus niet retroactief kan en mag terugkomen op het door hem ingenomen standpunt of houding, indien deze houding een vaste gedragslijn is : er moet m.a.w. enerzijds een vaste gedragslijn van de fiscus zijn en anderzijds moet de belastingplichtige zich gedragen hebben conform deze gedragslijn (zie - met uitgebreid geciteerde rechtspraak en rechtsleer in het vonnis - terzake : Rb. Brussel, 12 oktober 2001, T.F.R., p. 216 e.v., met noot F. VANBIERVLIET, "Het vertrouwensbeginsel : de laatste reddingsboei voor een belastingplichtige ?'');
In casu bewijst eiseres evenwel allerminst haar bewering dat er reeds sedert 20 jaar een vaste gedragslijn bestaat van de fiscus, in de mate dat eiseres gedurende deze periode reeds similaire activiteiten heeft en deze door de fiscus – met volle kennis van zaken over de juiste aard van deze activiteiten - laat belasten zoals zij thans voorhoudt;
In casu gedraagt eiseres zich bovendien niet conform de door haar beweerde gedragslijn;
Hoogstens toont eiseres aan dat de administratie bij de administratieve en gerechtelijke afhandeling van onderhavig geschil nogal onhandig is te werk gegaan (deels doordat de betrokken ambtenaren door eiseres op het verkeerde been werden gezet);
4.2.4.
De resp. vorderingen van eiseres zijn dan ook ongegrond;
Dispositif
OP DIE GRONDEN,
DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak,
Gelet op de artikelen 2, 24, 34, 37 en 41 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken;
Alle andersluidende conclusies van de hand wijzend;
Voegt de beide dossiers (AR nrs. 99/1356/A en 00/670/A) samen;
Verklaart de respectievelijke vorderingen van eiseres ontvankelijk doch ongegrond.
Wijst eiseres ervan af en veroordeelt haar tot de kosten;
Begroot deze kosten :
- in hoofde van eiseres op resp. 90,06 EUR + 68;44 EUR (3.633 ·BEF + 2.761 BEF) dagvaardingskosten + 334, 66 EUR (13.500 BEF) rechtsplegingsvergoeding;
- in hoofde van verweerder op 334,66 EUR (13.500 BEF) rechtsplegingsvergoeding;
Aldus gewezen en uitgesproken door de zesde fiscale kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent in de openbare terechtzitting van donderdag 23 mei 2002, waar aanwezig waren :
alleenzetelend rechter, M. V. D. B.,
griffier, R. D. C..
R. D. C. M. V. D. B.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.