Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruxelles 4 février 2013

Rechercher
Texte en néerlandais

Poursuite, instance, droits et privilèges du TrésorTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-tribunal-bruxelles-2013-02-04-371a

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruxelles
Date
4 février 2013

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

82 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruxelles du 04.02.2013

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 33ste Kamer

AR 1998/8825/A

- Federale Belastingen - BTW

- op tegenspraak

- tussenvonnis - heropening der debatten op maandag 7 april 2014 om 14 uur voor 60 min.

Inzake van :

De vennootschap naar Duits recht G. & Co m.b.H., met maatschappelijke zetel te … (…), … en ingeschreven in het handelsregister te Hamburg onder het nummer HRB …,

eisende partij,

vertegenwoordigd door Mr. E. G., advocaat te …, …;

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Fiscaliteit, sector BTW, in persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het Centraal BTW-ontvangkantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen, met kantoor te 1000 Brussel, Cantersteen 47,

verweerder,

vertegenwoordigd door Mr. N. D., advocaat te …, …;

In deze zaak, in beraad genomen op 07/01/2013, spreekt de rechtbank het navolgend vonnis uit :

Gelet op :

• het exploot van dagvaarding tegen een dwangbevel, op verzoek van eiseres betekend aan verweerder op 19/08/1998;

• de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747 Ger. W. van 21/02/2012;

• de conclusie en de (tweede) conclusie voor eiseres, neergelegd ter griffie op respectievelijk 12/08/2011 en 28/09/2012;

• de besluiten) de besluiten en de synthesebesluiten voor verweerder, neergelegd ter griffie op respectievelijk 30/09/2005, 18/06/2012, 30/11/2012 en 03/12/2012;

• de stukken voor eiseres, neergelegd ter griffie op 03/01/2013; en

• de stukken voor verweerder, neergelegd ter zitting op 07/01/2013.

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 07/01/2013, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

Voor verweerder werden op 30/11/2012 originele besluiten neergelegd en daarenboven per fax aanvullende en synthesebesluiten (in origineel nogmaals op 03/12/2012). De raadsman van verweerder verduidelijkte ter zitting dat de definitieve versie van deze synthesebesluiten waarmee de rechtbank overeenkomstig art. 748bis Ger. W. rekening dient te houden de "aanvullende en synthesebesluiten” zijn die werden neergelegd ter griffie op 30/11/2012 per fax en vervolgens op 03/12/2012 in origineel.

1. FEITEN

1. Eiseres is douane-expediteur en gaf in de periode augustus 1991 - oktober 1991 in haar hoedanigheid van “aangever intracommunautair douanevervoer” 40 T2-documenten af voor ladingen brandstof die vanuit Duitsland naar België werden vervoerd. Deze documenten zouden nooit zijn aangeboden of aangezuiverd in het douanekantoor van bestemming (in België).

Van deze feiten werd door de administratie der douane en accijnzen op 05/12/1994 een proces-verbaal opgesteld) onder meer lastens eiseres als "aangevers en als verantwoordelijken voor de [...] niet aangezuiverde documenten". (stuk 2 verweerder).

Op grond van de gegevens opgenomen in dit proces-verbaal werd door de administratie van de BTW in een proces-verbaal van 08/08/1996 vastgesteld dat ingevolge de BTW-wetgeving de hierna volgende bedragen nog verschuldigd waren (stuk 3 verweerder) :

BTW BEF 6.615.368 (thans € 163.990,68)

Verminderde proportionele boete : BEF 991.500 (thans € 24.578,64)

Intresten vanaf 21/11/1991.

Op 09/08/1996 werd voor deze bedragen een dwangbevel met referentie "Legger 28, deel 35, art. 200" opgesteld, dat op dezelfde dag geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard.

Op 13/08/1996 werd dit dwangbevel bij exploot van gerechtsdeurwaarder H. C., met standplaats te …, betekend aan "G. GMBH" op het adres te … te … (…) (stuk 5 verweerder).

2. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN

2. De vordering van eiseres strekt ertoe te zeggen dat de aangehaalde BTW, geldboeten en intresten verjaard zijn en bijgevolg het bestreden dwangbevel van nul en generlei waarde te verklaren. Tevens vordert zij de teruggave van de ten onrechte betaalde of ingehouden bedragen.

Ondergeschikt vordert zij voorbehoud te verlenen om ten gronde verder verweer te voeren.

De Belgische Staat concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

3. BEOORDELING

3.1. Ontvankelijkheid

3. Verweerder werpt geen gronden van niet-ontvankelijkheid van de vordering op. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering van eiseres. Deze is ontvankelijk.

3.2. Ten gronde

3.2.1. Wat betreft de verjaring

4.

4.1. Eiseres werpt op dat de vordering verjaard is. Krachtens het oude artikel 81, § A W.BTW verjaart de vordering tot voldoening van de BTW, intresten en geldboeten door een periode van 5 jaar vanaf de dag waarop zij is ontstaan. Een stuiting van de termijnen is mogelijk overeenkomstig art. 2244 B.W., doch in deze wordt geen regelmatige stuitingsdaad bewezen. Ten eerste werd het dwangbevel ten onrechte opgesteld lastens G. GMBH, terwijl eiseres G. & Co m.b.H. is en geschiedde dit ten aanzien van een filiaal (in …) dat reeds sinds 11/09/1995 gesloten werd. De betekening gebeurde bijgevolg ook aan een foutief adres en eiseres kreeg slechts kennis van dit dwangbevel en exploot op 04/08/1998 (stuk 1 eiseres).

Verweerder meent dat de vordering niet verjaard is. Verweerder is voortgegaan op de vermeldingen op de T2-documenten en het proces-verbaal van 05/12/1994 en de betekening gebeurde correct op het adres van het filiaal van eiseres zoals dit bleek uit deze stukken. De Belgische Staat had noch de mogelijkheid, noch de verplichting verder onderzoek te doen naar het adres van eiseres.

4.2. Hoewel partijen hierbij niet stilstaan, dient naar mening van de rechtbank het een en het ander onderscheiden te worden. Enerzijds rijst de vraag naar de regelmatigheid van het dwangbevel van 08/08/1996 en anderzijds rijst de vraag naar de regelmatigheid van het exploot van betekening van 13/08/1996 van dit dwangbevel.

Terwijl het eerste onderworpen is aan art. 85 W.BTW, valt het tweede onder de bepalingen van het gerechtelijk wetboek.

5.

5.1. Het dwangbevel van 09/08/1996 is zoals aangehaald onderworpen aan art. 85 W.BTW. Hierin worden aan dit dwangbevel geen specifieke geldigheidsvoorwaarden gekoppeld, doch dit dient te voldoen aan de bepalingen van de wet betreffende de motivering van bestuurshandelingen, alsmede aan de beginselen van behoorlijk bestuur. Nu inzake BTW het dwangbevel een formele stap is in de vaststelling van de belasting, dient hierin op grond van de beginselen van behoorlijk bestuur en met name het zorgvuldigheidsbeginsel, met de nodige diligentie onder meer de juiste belastingplichtige bepaald te worden.

Zowel het dwangbevel van 09/08/1996 als het proces-verbaal van 08/08/1996 zijn op dit punt evenwel correct. Deze zijn immers gebaseerd op het proces-verbaal van 05/12/1994 van de administratie der Douane en Accijnzen. Dit proces-verbaal werd opgesteld onder meer lastens "G. & Co GmbH" gevestigd te …, … (p. 4 van dit proces-verbaal). Zowel de toenmalige werknemers van deze firma die werden verhoord (mevr. D.-A. en de heer K., p. 50-54), als de toenmalige algemeen directeur (de heer D. B., p. 54-56) werden verhoord in dit proces-verbaal en formuleerden op dit punt geen enkele bemerking. In het proces-verbaal van 08/08/1996 wordt dus terecht GmbH G. & Co aangeduid als belastingplichtige.

Het huidige verweer van eiseres dat G. & Co GmbH en G. & Co m.b.H. andere rechtspersonen zouden zijn, wordt niet hard gemaakt. Eiseres brengt hieromtrent geen enkel stuk bij en bij weten van de rechtbank bestaat geen Duitse vorm van rechtspersoonlijkheid gekend onder "m.b.H.". De stelling van eiseres wordt trouwens tegengesproken door haar eigen stuk 4. Dit uittreksel uit het handelsregister verduidelijkt in kolom 6 in de eerste regel dat eiseres een "Geselschaft mit beschränkter Haftung" is (dus een GmbH). Ook de betekening op 04/08/1998 van het bevel tot betaling door het "Hauptzollamt Emmerich" gebeurde aan eiseres als "G. & Co. GmbH". Tot slot hebben de aangestelden van eiseres hier tijdens hun verhoor nooit enige opmerking over gemaakt.

5.2. Daarnaast rijst de vraag of het proces-verbaal en/of dwangbevel onregelmatig zouden zijn door de vermelding van het adres van het filiaal van eiseres, dat ondertussen gesloten was. De rechtbank meent dat verweerder op dit punt geen onzorgvuldigheid kan verweten worden. Met name dient rekening gehouden te worden met de bijzondere praktische moeilijkheden op dit punt daar eiseres in het buitenland gevestigd was. Bovendien volgende het proces-verbaal van de BTW­administratie (08/08/2006) niet onredelijk lang na het proces-verbaal van de administratie der douane en accijnzen (05/12/1994). Tot slot kan ook van de belastingplichtige die weet heeft van een dergelijke omvangrijke procedure die tegen hem lopende is, verwacht worden dat deze de nodige voorzorgen neemt.

Eiseres was onmiskenbaar op de hoogte van de vaststellingen van 05/12/1994 (haar aangestelden werden verhoord), zodat van haar kon verwacht worden dat zij ook uit eigen beweging de administratie op de hoogte zou brengen van de sluiting van een filiaal dat bij deze problematiek betrokken was (zie omtrent de verplichting om de administratie inzake directe belastingen op de hoogte te houden van een adreswijziging tijdens de procedure : Cass. 12/06/1992, Arr.Cass. 1991-92, 972; Brussel 17/12/1993, FJF 1994, 492 en Brussel 21/01/2009, FJF 2009, 1113).

Er is bijgevolg geen reden om de onregelmatigheid van het dwangbevel vast te stellen.

6.

6.1. De vraag rijst vervolgens of de betekening van het dwangbevel bij exploot van 13/08/1996 onregelmatig was. Zoals aangehaald dient hiervoor teruggegrepen te worden naar de regels van het gerechtelijk wetboek.

6.2. Wat betreft de aanduiding van de juiste rechtspersoon (G. & Co GmbH of G. & Co m.b.H.) wordt verwezen naar de overwegingen onder punt 5.1 die hier onverkort van toepassing zijn.

6.2. Overeenkomstig art. 42, al. 1, 6° Ger. W. kon het dwangbevel rechtsgeldig betekend worden aan het filiaal van eiseres in Duitsland. Tussen de in deze bepaling opgenomen mogelijke betekeningsplaatsen is geen hiërarchie opgenomen. Bovendien is sprake van "op hun maatschappelijke zetel, op hun filiaal of op hun verblijfszetel in België". Deze bepaling beperkt de betekening aan een filiaal niet tot deze filialen in België gevestigd.

Evenmin volgt uit deze bepaling en art. 40 Ger. W. dat op de administratie de verplichting zou rusten om in elke fase van de administratieve procedure de adresgegevens de controleren en corrigeren (vgl. Antwerpen 06/09/2011, FJF 2012, 243 en Gent 01/03/2011, Fiscoloog 2011, nr. 1249, p. 5). Tevens kan worden verwezen naar de overwegingen onder punt 5.2 dat ook van eiseres de nodige zorgvuldigheid kan verwacht worden met het melden aan de administratie van de eigen adreswijzigingen).

Ten overvloede moet vastgesteld worden, doch partijen staan hierbij niet verder stil, dat een dergelijke foutieve vermelding van adres en dus betekening aan een foutief adres niet ipso facto moet leiden tot de nietigheid van het exploot. De betreffende vermeldingen (art. 43, al. 1, 3° Ger. W.) vallen immers niet onder de absolute nietigheden (art. 862 Ger. W.), zodat de nietigheid van dit exploot slechts kan ingeroepen worden ingeval van belangenschade (art. 861 Ger. W.). Enige belangenschade wordt niet opgeworpen.

7. Nu er geen sprake is van een onregelmatige stuitingsdaad, is de vordering van verweerder niet verjaard. Deze middelen van eiseres zijn niet gegrond.

Ter zitting verklaarde de raadsman van verweerder geen bezwaar te hebben tegen een heropening der debatten teneinde eiseres toe te laten ten gronde haar middelen te ontwikkelen. Het komt gepast voor op dit punt reeds de hierna volgende conclusietermijnen te voorzien.

De uitspraak over de kosten wordt aangehouden.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 3, 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en tot op heden wat betreft de ingeroepen middelen van verjaring ongegrond.

Beveelt de heropening der debatten teneinde eiseres toe te laten haar middelen ten gronde te ontwikkelen en stelt hiertoe de hierna volgende conclusietermijnen en zittingsdag vast:

Eiseres : 28 juni 2013

Verweerder : 27 december 2013

Stelt de rechtsdag vast op datum van 7 april 2014 om 14 uur voor de 33e kamer voor 60 minuten pleidooien.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 4 februari 2013.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer J. V. B. : toegevoegd rechter

Mevrouw N. L., griffier.

N. L. J. V. B.