Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 11 avril 2012

Rechercher
Texte en néerlandais

Poursuite, instance, droits et privilèges du TrésorTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-tribunal-bruges-2012-04-11-1466

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
11 avril 2012

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

114 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 11.04.2012

Résume non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 10/3549/A

de B.V.B.A. K. P.-A., (Ondernemingsnr. …), met zetel te …, …,

eiseres

voor wie is opgetreden Meester L. D. V. loco Meester L. D. M., advocaat met kantoor te …, …,

TEGEN

De F.O.D. FINANCIËN, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de e.a. inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te OOSTENDE, met kantoor te 8400 OOSTENDE, Vrijhavenstraat 1,

verweerder

voor wie is opgetreden de heer V. P., e.a. inspecteur bij een fiscaal bestuur,

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het verzoekschrift op tegenspraak de dato 15 november 2010.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 14 maart 2012.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS DER ZAAK

2.1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW­registratienummer BE … voor de activiteit van vervaardiging van eetkamer-, zitkamer-, slaapkamer- en badkamermeubelen.

Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 2 maart 2010 werd door E. V., eerstaanwezend inspecteur bij de Administratie van de BTW, ter beschikking gesteld van de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, Controlecentrum leper, een toezicht uitgeoefend bij eiseres op de toepassing van de BTW-wetgeving en BTW-reglementering met betrekking tot de periode van 1 januari 2007 tot 31 december 2008.

Op telefonisch verzoek van eiseres werd de controle, op 15 december 2009 schriftelijk aangekondigd voor 11 februari 2010 verdaagd tot voormelde datum. Terzelfdertijd werd door C. V., fiscaal deskundige, een controle uitgevoerd op de toepassing van de wetgeving inzake directe belastingen.

Verweerder stelde vast dat gedeelten van de met BTW gerealiseerde omzet niet werd opgenomen in de periodieke BTW-aangiften en de desbetreffende BTW niet werd betaald.

Tevens werd vastgesteld dat in de jaren 2007 en 2008 verschuldigde BTW werd weggeboekt naar de rekening uitzonderlijke opbrengsten.

Op 21 juni 2010 werd aan eiseres een correctieopgave toegezonden waarop eiseres antwoordde op 20 juli 2010.

Voor de niet betwiste punten werd op 13 augustus een nieuwe correctieopgave naar eiseres toegezonden, die eiseres voor akkoord ondertekende.

Voor de betwiste punten werd op 18 oktober 2010 een proces-verbaal opgesteld door E. V., eerstaanwezend Inspecteur bij de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, in die hoedanigheid ter beschikking gesteld van de algemene administratie van de fiscaliteit, Ondernemings­ en Inkomensfiscaliteit, verbonden aan het Controlecentrum leper.

Op 26 oktober 2010 wordt op basis van voormeld proces-verbaal een dwangbevel uitgevaardigd door E. D. D., waarnemend eerstaanwezend inspecteur.

Voormeld dwangbevel wordt op 29 oktober 2010 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door P. L., waarnemend directeur. Dit dwangbevel wordt op 10 november 2010 aan eiseres per gerechtsdeurwaardersexploot betekend.

Door eiseres wordt op 15 november 2010 een verzoekschrift op tegenspraak ter griffie van de rechtbank alhier neergelegd.

2.2. Eiseres vraagt dat : de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard, het bestreden dwangbevel integraal vernietigd wordt wanneer verweerder het bewijs niet bijbrengt van het rechtsgeldig mandaat door de gewestelijke directeur aan P. L., dan wel dat het dwangbevel vernietigd wordt daar de vordering verjaard is minstens niet bewezen; dat verweerder veroordeeld wordt tot terugbetaling van de door de administratie ingehouden of geboekte sommen of betaalde sommen, meer de moratoriumintresten, subsidiair, dat de opgelegde boete geheel, minstens gedeeltelijk kwijtgescholden wordt dan wel herleid tot een passend bedrag en verweerder veroordeeld wordt tot terugbetaling van dit bedrag meer de moratoriumintresten en verweerder veroordeeld wordt tot de gedingkosten.

2.3. Verweerder vraagt dat: de vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard wordt en eiseres veroordeeld wordt tot de gedingkosten.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder werpt geen middelen op die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de Rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond

3.2.1. nopens het dwangbevel

Eiseres werpt op dat conform artikel 85, § 1 eerste lid W.BTW het dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar dient verklaard te worden door de gewestelijke directeur van de BTW of door de door hem aangewezen ambtenaar en verzoekt verweerder het bewijs te leveren van het door de gewestelijke directeur gegeven mandaat aan P. L., die het kwestieuze dwangbevel in casu heeft geviseerd en uitvoerbaar verklaard.

Verweerder legt de desaangaande verstrekte delegatie voor, waaruit blijkt dat de gewestelijke directeur op 2 juli 2009 aan P. L. krachtens artikel 85, § 1 W.BTW tot nader orde delegatie verleend heeft om alle dwangbevelen te viseren en uitvoerbaar te verklaren (stuk 20 - administratief dossier).

P. L. bezat aldus het vereiste mandaat om het dwangbevel te viseren en uitvoerbaar te verklaren op 29 oktober 2010.

Het middel mist grondslag.

3.2.2. nopens de verjaring

a.Verweerster vordert desaangaande een bedrag aan BTW van … EUR.

b.Eiseres laat gelden dat de invordering van voormeld bedrag aan BTW verjaard is.

c.Artikel 81, W.BTW luidt : "De vordering tot voldoening van de belasting, van de intresten en van de administratieve geldboeten begint te verjaren vanaf de dag dat deze vordering ontstaat".

Artikel 81bis, § 1, 1° lid W.BTW luidt : "Er is verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de intresten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van de belasting, intresten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan".

In afwijking op deze driejarige verjaringstermijn bestond tot de Programmawet van 22 december 2008 een vijfjarige verjaringstermijn die door artikel 191 van deze Progammawet naar zeven jaar werd verlegd in de gevallen omschreven in de artikelen 81bis, § 1, 2° lid, 1° - 4° W.BTW.

Deze nieuwe versie van artikel 81 bis, § 1, 2° lid W.BTW is van toepassing op de oude vorderingstermijnen die op 29 december 2008 nog liepen.

Artikel 81bis, § 1, 2° lid is onder meer van toepassing wanneer : " (...)

3° bewijskrachtige gegevens waarvan de administratie kennis heeft gekregen, aantonen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België, dat er handelingen ten onrechte werden vrijgesteld of dat er belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke verordeningsbepalingen die daarop van toepassing zijn.

4° De overtreding is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden".

Artikel 84ter W.BTW luidt : "Indien zij voornemens is de verjaringstermijn bepaald in artikel 81bis, § 1, tweede lid, 4° toe te passen, moet de administratie bevoegd voor de belasting op de toegevoegde waarde, op straffe van nietigheid van de rechtzetting voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betrokken periode".

d.Onderhavige vordering heeft betrekking op de kwestieuze verschuldigde BTW betreffende de periode 1999 tot en met 2003. Tot en met het jaar 2002 valt de betwiste vordering buiten de vorderingstermijn zoals bepaald in artikel 81bis, § 1, tweede lid W.BTW.

e.De rechtsvraag in onderhavig geschil betreft de vraag of het recht tot invordering van de verschuldigde BTW al dan niet verjaard is en meer in het bijzonder of de herhaalde opneming van deze schuld in de boekhouding van eiseres meer bepaald door opname van de schuld in de balansrekeningen, en in de jaarrekeningen van eiseres kan beschouwd worden als een erkenning van de schuld in de zin van artikel 2248 B.W.

Overeenkomstig artikel 2248 B.W. stuit de erkenning van het recht van hem tegen wie de verjaring loopt, gedaan door de schuldenaar of de bezitter, de verjaring.

f.Overeenkomstig artikel 1330 B.W. leveren boeken van kooplieden bewijs op tegen hen. De BTW-schuld werd in de jaarlijkse balans ingeschreven en in de neergelegde jaarrekeningen opgenomen.

Er werd in casu in de eigen boekhouding van eiseres niet het minste voorbehoud geformuleerd (door bv. Mutatis mutandis te boeken conform CBN­advies 128-6 of door gewoonweg geen schuld te boeken maar het betwiste bedrag en de reden van de betwisting te vermelden in de toelichting bij de Jaarrekening).

De vermeldingen in de balans en in de jaarrekening van eiseres kunnen in casu dan ook beschouwd worden als een valabele (overeenkomstig artikel 2248 B.W.) verjaringsstuitende schulderkenning vanwege eiseres (zie ook Hof van Beroep Antwerpen, 13 oktober 2009, stuk 13 administratief dossier).

De vordering met betrekking tot de jaren 1999 tot en met 2002 is niet met verjaring behept.

Het middel mist grondslag.

3.2.3. nopens de voorafgaande kennisgeving

a.Conform artikel 84 ter W.BTW moet de administratie bevoegd voor de BTW wanneer zij een beroep wenst te doen op de verlegde verjaringstermijn ingeval van fraude op straffe van nietigheid van de rechtzetting voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode.

Uit de samenlezing van de artikelen 81, 81bis en 84ter W.BTW blijkt dat de verjaringstermijn (zijnde een controle- en vestigingstermijn) van de BTW­ administratie beperkt is tot drie jaar.

Zodra deze verjaringstermijn is verstreken is er in principe verjaring van de belastingschuld.

Alleen in het geval voorzien in artikel 81bis, § 1, 4° W.BTW kan na de termijn van drie jaar nog een controle worden uitgevoerd, maar wel onder de voorwaarde dat een voorafgaande kennisgeving is gebeurd conform artikel 84ter W.BTW.

b.Wat betreft de onregelmatigheden vastgesteld tijdens de driejarige controleperiode 2007 en 2008 konden de kwestieuze bedragen, waarvoor nog geen verjaring was tussengekomen, onderzocht en ingevorderd worden zonder een voorafgaande kennisgeving te verzenden.

c.Na de termijn van drie jaar kan de administratie alleen nog een controle uitvoeren onder de voorwaarde dat een voorafgaande kennisgeving is gebeurd conform artikel 84ter W.BTW.

Op 3 maart 2010 heeft de administratie bij gewone en aangetekende brief een kennisgeving aan eiseres gezonden als bedoeld in artikel 84ter W.BTW voor de jaren 2004, 2005 en 2006.

Met een schrijven van 15 december 2009 heeft de controlerende ambtenaar een fiscaal toezicht aangekondigd voor 11 februari 2010 met in bijlage een vragenlijst betreffende de jaren 1/1/2007 - 31/12/2008 (stuk 2 administratief dossier).

Uit het proces-verbaal de dato 18 oktober 2010 blijkt dat de controlerende ambtenaar op 2 maart 2010 de boekhouding betreffende de periode 1/1/2001 - 31/12/2008 heeft ingekeken, niet dat deze ambtenaar enige onderzoeksdaden heeft gesteld voor de periode betreffende de jaren 2004, 2005 en 2006.

Op 21 juni 2010 werd een correctieopgave verstuurd naar eiseres, waarop eiseres op 20 juli 2010 geantwoord heeft en op 18 oktober 2010 werd voor de betwiste punten een proces-verbaal geredigeerd.

Uit het administratief dossier blijkt niet dat verweerder vóór drie maart 2010 een onderzoeksdaad met betrekking tot de jaren 2004, 2005 en 2006 heeft gesteld.

Het feit dat in de kwestieuze kennisgeving de dato 3 maart 2010 werd gestipuleerd dat vanaf de balans per 31 december 2004 de verschuldigde BTW stelselmatig afgeboekt werd via de rekening uitzonderlijke opbrengsten bewijst niet dat er voordien reeds onderzoeksdaden waren verricht.

De controlerende ambtenaar heeft op 2 maart 2010 het toezicht aangevat betreffende de periode 1/1/2007 - 31/12/2008 en op 3 maart 2010 werd de kennisgeving conform artikel 84ter W.BTW verzonden, gelet op de alsdan vastgestelde onregelmatigheden betreffende de niet aangegeven omzet.

Nergens blijkt dat de administratie de kwestieuze inbreuken betreffende de periode 2004, 2005 en 2006 reeds had vastgesteld vóór de verzending van een kennisgeving conform artikel 84ter W.BTW.

Het feit dat de administratie op 19 mei 2010 een bijkomende kennisgeving verstuurde doet aan het voorgaande geen afbreuk.

d.Eiseres stelt dat de kennisgeving conform artikel 84ter W.BTW verzonden de dato 3 maart 2010 onnauwkeurig is en derhalve niet voldoet aan de vereisten van artikel 84ter W.BTW.

Luidens artikel 84ter W.BTW dient de administratie voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis te geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode.

In casu wordt in de kwestieuze kennisgeving de dato 3 maart 2010 gewezen op het feit dat eiseres systematisch grote delen van de met BTW gerealiseerde en in de boekhouding opgenomen omzet niet heeft opgenomen in de periodieke BTW-aangiften, en op het feit dat vanaf de balans per 31 december 2004 deze verschuldigde BTW stelselmatig afgeboekt wordt via rekeningen uitzonderlijke opbrengsten, zodat deze BTW niet meer als een schuld geboekt staat.

Aldus geeft de BTW-administratie duidelijk aan welke vermoedens van belastingontduiking lastens eiseres bestaan en dit in de voorafgaande kennisgeving de dato 3 maart 2010.

e.Eiseres stelt dat de verlengde verjaringstermijn in casu geen toepassing vindt daar er in haren hoofde geen bedrieglijk opzet bestaat, noch aangetoond wordt.

In casu stelt de Rechtbank vast dat eiseres systematisch de kwestieuze BTW­ bedragen weggeboekt heeft van de rekening-courant verschuldigde BTW.

Het feit dat deze bedragen vervolgens geboekt werden als uitzonderlijke opbrengsten en eiseres aldus voor de jaren 2004 tot en met 2008 de kwestieuze verschuldigde BTW ingebracht heeft in het vermogen van de vennootschap, duidt op het feit dat eiseres de ten laste gelegde overtredingen op de BTW-wetgeving heeft begaan met bedrieglijk opzet.

Verweerder heeft aldus zonder miskenning van de ingeroepen wettelijke voorwaarden de verlengde verjaringstermijn van zeven jaar in casu toegepast.

f.Aangaande de kwestieuze facturen uitgereikt aan C.V. R. stelt de Rechtbank vast dat gefactureerd werd aan een advocatenkantoor dat niet gehouden is tot het indienen van BTW-aangiften.

Er werd dan ook geen geldig BTW-nummer vermeld op de uitgaande factuur waardoor eiseres wist of moest weten dat er BTW verschuldigd was. Aldus werd door eiseres de verschuldigde BTW, met bedrieglijk opzet, niet doorgestort aan de Schatkist.

Het middel mist grondslag.

3.2.4. nopens de boete

a.Eiseres wordt door verweerder een boete opgelegd van 200%. Eiseres vraagt kwijtschelding dan wel herleiding der geldboete.

b. Een boete van 200 % op het verschuldigde BTW-bedrag heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om dergelijke boete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en de algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, thans Grondwettelijk Hof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22199).

Dit kan alleen in die zin begrepen worden dat de Rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft.

Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de Rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.

c. De hoger aangehaalde feitelijke gegevens tonen aan dat eiseres bewust gedurende verschillende jaren een gedeelte van haar omzet niet heeft aangegeven en nagelaten heeft de verschuldigde BTW door te storten aan de Schatkist en bevestigen aldus dat eiseres het oogmerk had de belasting te ontduiken zodat de administratie een boete van 200 % kon opleggen.

Om uit te maken of er sprake is van een schending van het evenredigheidsbeginsel moet worden nagegaan of de opgelegde sanctie gerechtvaardigd is, gelet op alle relevante factoren.

Het zorgvuldigheidsbeginsel, waarvan het evenredigheidsbeginsel een uitloper is, houdt immers in dat bij de voorbereiding en bij het nemen van een overheidsbesluit alle relevante factoren en omstandigheden worden afgewogen.

Het evenredigheidsbeginsel impliceert m.a.w. dat wordt nagegaan of de beslissing, rekening gehouden met het doel dat wordt nagestreefd, in het concrete geval niet disproportioneel is voor de particulier die door de beslissing wordt getroffen (zie conclusie toenmalig advocaat-generaal M. D. S. vóór cass. 15 juni 2004, T.R.O.S. 2004, 247-248).

Er is immers sprake van een schending van het evenredigheidsbeginsel wanneer de door de overheid gemaakte keuze een kennelijke wanverhouding tussen het algemeen belang en het particulier belang tot gevolg heeft.

Gelet op het vaststaand karakter van de gepleegde overtredingen en de aard en de ernst ervan, alsook rekening houdende met het algemeen belang om de juiste heffing van de belastingen te verzekeren, dient te worden aangenomen dat de administratie ertoe gehouden was een administratieve geldboete op te leggen en dat de boete gelijk aan het dubbele van de ontdoken belasting gerechtvaardigd is.

Er zijn in casu geen redenen voorhanden om aan te nemen dat verweerder deze boete niet in redelijk kon opleggen gelet op hetgeen voorafgaat en meer bepaald het belastingontduikingsoogmerk.

De fiscale vordering mist grondslag.

3.3. nopens de kosten

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1e lid Ger.W. dient zij de gerechtskosten te dragen.

Nu verweerder niet is bijgestaan door een raadsman heeft hij geen recht op een rechtsplegingsvergoeding en zijn de gerechtskosten in zijn hoofde onbestaande.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

De Rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet terzake dienend. Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk maar wijst ze af als ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op … EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op woensdag elf april tweeduizend en twaalf.

Aanwezig zijn:

H. A., alleenrechtsprekend rechter;

M. S., griffier.

S. M. A. H.