Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 25 mars 2009

Rechercher
Texte en néerlandais

Poursuite, instance, droits et privilèges du TrésorTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-tribunal-bruges-2009-03-25-9219

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
25 mars 2009

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

52 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 25.03.2009

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

De Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak : 07/3208/A

de heer C. C., carrossier, (Ondernemingsnr. …), wonende te …, …,

eiser

voor wie optreedt Meester R. D., advocaat met kantoor te …, …,

TEGEN

De F.O.D. FINANCIËN, Belastingen en Invordering, Sector BTW, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te ROESELARE, met kantoren gevestigd te 8800 ROESELARE, Rondekomstraat 30,

verweerder

voor wie optreedt Meester J. V. d. P., advocaat met kantoor te …, …,

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het verzoekschrift houdende verzet dwangbevel de dato 24 oktober 2007.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 25 februari 2009.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS DER ZAAK

2.1. Eiser is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW­identificatienummer BE … voor de activiteit van carrosseriewerk. Hij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Na inzage van het dossier berustend bij de administratie der directe belastingen gehouden in hoofde van eiser heeft de BTW-administratie vastgesteld dat de door eiser aangegeven omzet tegenover de directe belastingen voor de jaren 2001 en 2002 meer bedroeg dan er werd opgenomen in de respectieve BTW-aangifte.

Op 31 januari 2005 werd aan eiser een correctieopgave verstuurd (stuk 1 - verweerder).

Bij gebrek aan akkoordverklaring werd door S. V., adjunct-fiscaal deskundige bij de F.O.D. Financiën, belastingen en invorderingen, administratie van de BTW, registratie en domeinen, sector BTW, verbonden aan het tweede BTW­controlekantoor van Torhout, een proces-verbaal opgesteld de dato 14 mei 2007 (stuk 2 -verweerder).

Een invorderingsorder werd opgesteld, gekend onder·RCIV-nr. … (stuk 3 – verweerder).

Wegens niet-betaling werd een dwangbevel uitgevaardigd en uitvoerbaar verklaard (stuk 4 - verweerder), dat op 3 oktober 2007 ter kennisgeving werd verzonden overeenkomstig artikel 85, §§1 en 2 W.BTW (stuk 5 - verweerder).

2.2. Eiser vraagt dat: de zaak onbepaald uitgesteld wordt tot na afhandeling van het strafonderzoek lastens D. D., subsidiair dat de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dienvolgens dat het bestreden dwangbevel alsmede de erop volgende uitvoeringsmaatregelen teniet gedaan worden en dat verweerder veroordeeld wordt tot de gedingkosten.

2.3. Verweerder vraagt dat: de vordering van eiser ongegrond verklaard wordt en eiser veroordeeld wordt tot de gedingkosten.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de opschorting van de zaak

3.1.1. Eiser stelt dat er een strafonderzoek is ingesteld lastens zijn voormalige boekhouder D. D. en dat deze laatste in zijn fiscaal dossier onregelmatigheden zou begaan hebben buiten elke medeweten van eiser om.

3.1.2. Op de openbare terechtzitting van 25 februari 2009 hebben partijen bevestigd dat de strafprocedure lastens D. D. voor behandeling vastgesteld staat voor de zitting van 25 februari 2009 van de correctionele rechtbank te Brugge. De raadsman eiser bevestigde op de voormelde terechtzitting dat eiser zich burgerlijke partij stelt tegen D. D. in deze correctionele procedure. Er is nog geen definitieve uitspraak over de strafvordering, wat door partijen bevestigd werd.

De rechtbank stelt vast dat eiser ten gronde als eerste argument inroept dat er bij de behandeling van zijn fiscaal dossier door D. D. onregelmatigheden zijn begaan en dit buiten zijn medeweten om. Zo stelt eiser dat hij aan D. D. geen mandaat heeft gegeven om te handelen zoals hij dit gedaan heeft. De rechtbank stelt vast dat het niet uitgesloten is dat het voormeld strafonderzoek aanwijzingen desaangaande oplevert.

3.1.3. Ingevolge de hervorming van de fiscale procedure werd artikel 462 WIB 1992 geschrapt (opgeheven door artikel 47 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen - inwerkingtreding 6 april 1999).

In fiscale zaken was de strafrechter verplicht zijn uitspraak over fiscale tenlasteleggingen uit te stellen indien bij een andere gerechtelijke of administratieve overheid een fiscaal geschil aanhangig was waarvan de afloop een invloed kon hebben op de strafvordering. De strafrechter moest aldus de fiscale rechter laten voorgaan vooraleer hij tot een uitspraak kon komen.

Deze regeling werd ongedaan gemaakt. In fiscale zaken, zowel inzake inkomstenbelasting als inzake BTW, keert men aldus terug naar de toestand zoals deze gold voor het "Charter van de belastingplichtige''. Men is dus teruggekeerd naar een gewone toepassing van het in artikel 4 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering geformuleerde beginsel "Le criminel tient Ie civil en état".

Door de wet tot hervorming van de fiscale procedure werd de voorrang van de fiscale rechter opgeheven.

3.1.4. Artikel 4, 1° lid, tweede zin VTSV heeft tot doel te vermijden dat er tegenspraak ontstaat tussen de gerechtelijke uitspraken van enerzijds burgerlijke en anderzijds van strafrechtelijke aard met betrekking tot vorderingen die dezelfde oorzaak hebben (over dezelfde feiten gaan) en waaruit gemeenschappelijke gevolgen kunnen voortvloeien. Dat artikel is hier weldegelijk van toepassing. In dat geval, moet de rechtbank, zelfs ambtshalve, de burgerlijke vordering opschorten vermits ze krachtens de wet die van openbare orde is, geschorst is.

3.2. ontvankelijkheid en gegrondheid van de vordering

Nu de burgerlijke vordering geschorst is, kan de rechtbank hierover nog geen uitspraak doen.

3.3. nopens de kosten

Vermits dit geen eindvonnis is, wordt de uitspraak over het lot van de gerechtskosten voorlopig aangehouden.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

De Rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet terzake dienend.

Schort de behandeling van de zaak op tot definitief zal beslist zijn over de strafvordering die met betrekking tot de onderliggende feiten van de (burgerlijke) vordering is ingesteld en verzendt de zaak daartoe naar de bijzondere rol.

Houdt de beslissing nopens de gedingkosten aan.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op woensdag vijfentwintig maart tweeduizend en negen.

Aanwezig zijn :

H. A., alleenrechtsprekend rechter;

L. N., griffier.

N. L. A. H.