Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 20 février 2006

Rechercher
Texte en néerlandais

Poursuite, instance, droits et privilèges du TrésorTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-tribunal-bruges-2006-02-20-cd1b

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
20 février 2006

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

49 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jgement du Tribunal de première instance de Bruges du 20.02.2006

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hiernavolgend vonnis verleend :

In de zaak 05/1184/A Rep. nr. 2006/2371

de heer V. M. C., verkoper, wonende te …, …,

eiser,

die niet verschijnt noch iemand voor hem

tegen :

De FOD FINANCIËN, Invordering - Sector BTW, in de persoon van de Ontvanger van het 2e BTW-Ontvangkantoor KORTRIJK, met burelen gevestigd te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31,

verweerder,

voor wie is opgetreden Meester F. H. (balie Kortrijk) loco Meester F. W., advocaat met kantoor te …, …,

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het inleidend verzoekschrift houdende verzet dwangbevel de dato 19 april 2005.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door verweerder overgelegde bundel.

Verweerder werd gehoord in zijn middelen bij monde van zijn raadsman in de openbare terechtzitting van 23 januari 2006.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

2.1. Eiser is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW­registratienummer …, voor zijn beroepsactiviteit van groothandelaar in motorrijwielen. Hij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 24 augustus 2000 werd ingevolge het niet betalen van de verschuldigde BTW over het 4de kwartaal 1999 een bijzondere rekening opgesteld m.b.t. de periode 31.01.2000 tot 30.04.2000.

Wegens niet betaling werd op 23 oktober 2003 een dwangbevel uitgevaardigd dat op 4 november 2003 aan eiser ter kennis werd gebracht.

Tegen voormeld dwangbevel werd op 19 april 2005 huidige vordering ingeleid.

2.2. Eiser vraagt dat het fiscaal verhaal ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens het bestreden dwangbevel wordt vernietigd wegens verjaring. Tenslotte vordert hij dat verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.

2.3. Verweerder vraagt dat de vordering ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiser wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding.

III. BEOORDELING

Voorafgaandelijk : Eiser was regelmatig bij gerechtsbrief opgeroepen onder toepassing van artikel 751 Ger. Wb.. Uit het dossier van de rechtspleging blijkt niet dat de gerechtsbrief eiser niet zou bereikt hebben. Eiser heeft geen conclusie neergelegd ter griffie en is bovendien op de openbare terechtzitting waarop de zaak werd vastgesteld, niet verschenen. De advocaat van verweerder heeft ter zitting 'het voordeel' van artikel 751 Ger. Wb. gevraagd. In die omstandigheden is dit vonnis een vonnis op tegenspraak.

3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kan leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond

De vordering in hoofdsom betreft het saldo van de verschuldigde BTW die blijkt uit de ingediende aangifte van het vierde kwartaal 1999.

De verschuldigde BTW op ieder van de belastbare handelingen gesteld in de loop van het vierde kwartaal 1999 is eisbaar op 31.12.1999.

Overeenkomstig artikel 81bis, § 1 1ste lid W.BTW gaat de verjaring van de eisbare BTW in na verloop van drie jaren volgend op voormelde datum van 31.12.1999, m.a.w. op 31.12.2002.

De verjaring moest derhalve worden gestuit voor 31.12.2002. Dit is gebeurd door de voorlopige aangifte van de schuldvordering in het passief van het faillissement op 26.02.2002.

Van enige verjaring van de verschuldigde BTW kan derhalve geen sprake zijn.

Alle verdere argumentatie is niet langer dienend.

3.3. nopens de kosten

Eiser wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet hij de gerechtskosten dragen.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en, in toepassing van artikel 751 Ger. Wb., op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk en ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op … EUR, uit hoofde van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op maandag twintig februari tweeduizend en zes.

Aanwezig zijn :

H. N., alleenrechtsprekend rechter,

L. N., griffier.

N. L. N. A.