Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 23.01.2006
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :
In de zaak 04/2044/A Rep. nr. 2006/1055
1. de heer D. K., beheerder, en zijn echtgenote,
2. mevrouw V. H., zonder beroep,
voorheen samenwonende te …, …, later te …, …, thans te …, …,
eisers,
voor wie is opgetreden Meester U. D. R. (balie Brugge) loco Meester H. D., advocaat met kantoor te …, …,
tegen :
1. De BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIËN, Administratie van de BTW, in de persoon van de Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge, met burelen te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,
eerste verweerder,
voor wie is opgetreden Meester I. G. loco Meester J. V. d. P., advocaat met kantoor te …, …,
2. Meester A. V., advocaat te …, …, handelend in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de NV V. W., met maatschappelijke zetel te …, …, daartoe aangesteld bij vonnis van 20.12.1995 van de Rechtbank van Koophandel te Brugge, afdeling Oostende,
tweede verweerder qq,
die niet verschijnt noch iemand voor hem
I. RECHTSPLEGING
Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet de dato 24 oktober 1997.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 21 november 2005.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
2.1. Door de controlerende ambtenaar werd op 3 januari 1997 een proces-verbaal opgesteld waarin de door eisers begane overtredingen werden geacteerd.
Op 3 juni 1997 werd door de met invordering belaste ontvanger, overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW, een dwangbevel uitgevaardigd.
Voormeld dwangbevel werd op 5 september 1997 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door J. P., inspecteur te Brugge, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge en op 15 september 1997 bij gerechtsdeurwaardersexploot aan eisers betekend.
2.2. Eisers vragen dat het verzet ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens het bestreden dwangbevel, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 5.09.1997, wordt vernietigd. Tevens vragen eisers dat er voorbehoud wordt verleend om een vordering lastens tweede verweerder in te stellen. Verder vorderen eisers de terugbetaling van alle sommen die op onrechtmatige wijze zouden zijn geïnd, verhoogd met de wettelijke intresten. In ondergeschikte orde vragen eisers dat de rechtbank de boete die betrekking heeft op het dwangbevel, kwijtscheldt, minstens dat deze wordt herleid tot 5 %. Verder vragen eisers nog dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling. Tenslotte vorderen zij dat eerste verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in hun hoofde begroot op de dagvaardingskosten ten bedrage van 237,93 EUR en de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.
2.3. Eerste verweerder vraagt dat het verzet ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eisers worden veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.
III. BEOORDELING
3.1. nopens de ontvankelijkheid
Eerste verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.
3.2. nopens de grond
3.2.1. Het dwangbevel, hetwelk ontegensprekelijk een authentieke akte uitmaakt, dient in de op hem toepasselijke wettelijk voorgeschreven vorm te zijn opgemaakt, te weten overeenkomstig de bepalingen van artikel 85, § 1 W.BTW, luidende als volgt : "Bij gebreke van voldoening van de belasting, intresten, administratieve geldboeten en toebehoren wordt door de met invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd; dit wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen of door de door hem aangewezen ambtenaar en, in de gevallen bepaald door de Koning, door de gewestelijke directeur van de administratie der douane en accijnzen, of door de door hem aangewezen ambtenaar".
Met betrekking tot de vorm en inhoud wordt door de wet geen enkele sacramentele vorm voorgeschreven. Een dwangbevel is regelmatig wanneer het door zijn inhoud of door het proces-verbaal waarnaar het verwijst het voorwerp van de eis doet kennen en het de belastingplichtige mogelijk maakt de gegrondheid ervan te beoordelen.
Het bestreden dwangbevel is gegrond op het proces-verbaal van 3 januari 1997, opgesteld door de hoofdcontroleur bij de administratie van de BTW, en dit na inzage van het proces-verbaal van 28 april 1993 opgesteld door de opsporingsinspectie der douane en accijnzen te Luik.
In casu beantwoordt het bestreden dwangbevel aan voormelde vereisten. Het proces-verbaal van 3 januari 1997 werd mee betekend met het dwangbevel. In dit proces-verbaal wordt een duidelijke omschrijving gegeven van de feiten die tegen eisers worden weerhouden en van de toepasselijke wetsbepalingen. Verder blijkt uit voormeld proces-verbaal dat de verbalisant inzage heeft genomen van het proces-verbaal van de douane van 28 april 1993 en van het bijhorende dossier. De verbalisant beschikte derhalve over al de noodzakelijke gegevens om zijn proces-verbaal met kennis van zaken te kunnen opstellen.
3.2.2. Verder blijkt uit het proces-verbaal van de douane van 28 april 1993 dat eisers persoonlijk zijn uitgenodigd geweest om de voorlezing van dit proces-verbaal bij te wonen, dat K. D. op die lezing aanwezig was en dat eisers een afschrift hebben gekregen van voormeld proces-verbaal.
Eisers kunnen verder op geen enkele wijze aantonen in welke mate hun rechten van verdediging zouden geschonden zijn.
3.2.3. Uit de voorliggende stukken blijkt dat m.b.t. de sluikinvoer eisers niet hebben gehandeld in opdracht van tweede verweerder, doch wel in persoonlijke naam.
3.2.4. Een boete van 200 % op het BTW-bedrag en voor een bedrag van 98.956,37 EUR (3.991.890 Bf) heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).
Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid. zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.
In casu werden grote ladingen vlees in de EG binnengebracht onder dekking van T1-documenten en vervolgens in België gelost, versneden en verdeeld zonder dat deze goederen ooit ten verbruik werden aangegeven. Hierdoor kwamen deze goederen in het Belgisch handelscircuit terecht zonder dat de verschuldigde invoerrechten, noch de verschuldigde BTW op de invoer werden betaald. Eisers hebben actief meegewerkt aan deze smokkelinvoer.
De rechtbank stelt vast dat de begane overtredingen relatief ernstig zijn en het algemeen belang schade toebrengen. Eisers brengen bovendien geen enkel argument naar voor die als verzachtende omstandigheid kan worden aangemerkt om over te gaan tot kwijtschelding of vermindering van de boete.
De hierboven geschetste concrete omstandigheden verantwoorden het opleggen van de fiscale geldboete t.b.v. 98.956,37 EUR. Bovendien is de fiscale geldboete evenredig met de gepleegde inbreuken.
3.3. nopens de kosten
Eisers worden in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moeten zij de gerechtskosten dragen.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Verklaart het verzet ontvankelijk doch wijst het af als ongegrond.
Veroordeelt eisers tot de geding kosten, aan hun zijde niet te begroten aangezien ze hen ten laste blijven, aan de zijde van eerste verweerder begroot op 356,97 EUR, uit hoofde van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op maandag drieëntwintig januari tweeduizend en zes.
Aanwezig zijn :
H. N., alleenrechtsprekend rechter
L. N., e.a. adjunct-griffier
N. L. N. H.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.