Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 28 février 2005

Rechercher
Texte en néerlandais

Poursuite, instance, droits et privilèges du TrésorTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-tribunal-bruges-2005-02-28-9624

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
28 février 2005

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

66 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 28.02.2005

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

De Rechtbank van eerste aanleg te heeft Brugge, VIERDE KAMER, het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 00/1596/A

de B.V.B.A. M.-D., (H.R. Oostende nr…., BTVV-nr. …), met zetel te …, …,

failliet verklaard, hebbende als curator Meester J. H., advocaat met kantoor te …, …,

eiseres

voor wie is opgetreden Meester E. L., advocaat met kantoor te …, …,

TEGEN

De F.O.D. FINANCIËN, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de e.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te 8400 OOSTENDE, Vrijhavenstraat 1, waar woonstkeuze wordt gedaan,

verweerder

voor wie is opgetreden Meester I. G. loco Meester J. V. d. P., advocaat met kantoor te …, …,

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het fiscaal verzoekschrift ingediend ter griffie van de rechtbank alhier de dato 24.05.2000.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 31.01.2005.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

2.1. BVBA M.-D. is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer …. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Ingevolge een bijzondere rekening die werd opgemaakt voor het tijdvak 31 oktober 1999 - 31 januari 2000 door de BTW-controle te Nieuwpoort is zij … EUR BTW, … EUR boete en … EUR interesten verschuldigd.

Bij gebrek aan betaling werd op 10 mei 2000 door D. D. E., e.a. inspecteur ad interim van het BTW-ontvangkantoor van Oostende, overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW, een dwangbevel uitgevaardigd.

Voormeld dwangbevel werd op 12 mei 2000 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door L. D. G., e.a. inspecteur ad interim, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge en op 16 mei 2000 bij gerechtsdeurwaardersexploot aan de BVBA M.-D. betekend.

Met een tegensprekelijk verzoekschrift de dato 24 mei 2000 stelt de BVBA M.­D. haar vordering in.

2.2. Eiseres vraagt dat het fiscaal verhaal ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens het bestreden dwangbevel wordt vernietigd. In ondergeschikte orde vraagt zij dat een afbetaling over 10 maanden wordt toegestaan. Met betrekking tot de door verweerder ingestelde tegenvordering vraagt zij dat deze onontvankelijk en ongegrond wordt verklaard. Tevens vordert zij dat verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in haar hoofde begroot op de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van … EUR en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.

2.3. Verweerder vraagt dat de hoofdvordering onontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding. Verder vraagt verweerder dat eiseres wordt veroordeeld tot een schadevergoeding van … EUR, bedrag te vermeerderen met de gerechtelijke intresten, ingevolge tergend en roekeloos geding.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de ontvankelijkheid van hoofd- en tegenvordering

Verweerder voert geen gegronde redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de hoofdvordering kan leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de hoofdvordering ontvankelijk.

Eiseres voert geen gegronde redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de tegenvordering kan leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de tegenvordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond van de hoofdvordering

3.2.1. nietigheid van het dwangbevel

Het dwangbevel, hetwelk ontegensprekelijk een authentieke akte uitmaakt, dient in de op hem toepasselijke wettelijk voorgeschreven vorm te zijn opgemaakt, te weten overeenkomstig de bepalingen van artikel 85, § 1 W.BTW, luidende als volgt : "Bij gebreke van voldoening van de belasting, intresten, administratieve geldboeten en toebehoren wordt door de met invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd; dit wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen of door de door hem aangewezen ambtenaar en, in de gevallen bepaald door de Koning, door de gewestelijke directeur van de administratie der douane en accijnzen, of door de door hem aangewezen ambtenaar".

Het visum en de uitvoerbaarverklaring van het dwangbevel maken dus de voorzegde wettelijk voorgeschreven vorm uit en zijn dus de wettelijke vereisten zonder dewelke het dwangbevel niet uitvoerbaar is. Zij voegen uiteraard niets toe aan het dwangbevel, doch zij zijn een wettelijke voorwaarde opdat het dwangbevel tot een uitvoerbare titel zou geworden. Derhalve is de rechtsgeldige naleving van voorzegde bepaling een strikte noodzaak.

Evenwel mogen geen andere of meerdere vereisten, dan bij wet bepaald, worden gesteld. Aldus wordt door geen enkele wettelijke bepaling vereist dat de delegatie zelf bij dit dwangbevel wordt gevoegd, mede ter kennis wordt gebracht of wordt betekend noch dat deze delegatie een, conform artikel 1328 B.W. vast datum zou hebben. Teneinde aldus aan de wettelijke bepalingen te voldoen, is het vereist, doch volstaat het, dat het visum en de uitvoerbaarverklaring, benevens de datum, de naam van de ambtenaar die het heeft geviseerd en uitvoerbaar verklaard, vermeldt, gevolgd door diens handtekening, desgevallend met de vermelding van de aanwijzing door de gewestelijke directeur van de administratie, ingeval het niet deze laatste is die het visum en de uitvoerbaarverklaring heeft verleend.

In casu werd op 10 mei 2000 door D. D. E., e.a. inspecteur ad interim van het BTW-ontvangkantoor van Oostende, overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW, een dwangbevel uitgevaardigd. Voormeld dwangbevel werd op 12 mei 2000 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door L. D. G., e.a. inspecteur ad interim, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge (zie dwangbevel en delegatie de dato 20.05.1997 - stuk 1 en stuk 5 van verweerder).

In tegenstelling met wat eiseres voorhoudt is het dwangbevel derhalve niet aangetast door een of andere nietigheid.

3.2.2. het gemak van betaling

De rechtbank stelt vast dat er geen beletsels zijn om in het fiscaal recht de gemeenrechtelijke principes met betrekking tot uitstel van betaling te hanteren.

Wanneer het, zoals in het fiscaal recht, gaat om een verbintenis die ontstaat uit de wet, is er in wezen geen enkele reden om artikel 1244 B.W. van die verbintenis uit te sluiten.

Vermits artikel 1244 B.W. uitdrukkelijk stelt dat er van zijn bepalingen door geen enkel beding kan van afgeweken worden heeft de wetgever te kennen gegeven dat artikel 1244, 2de lid B.W. van openbare orde is.

In de mate deze overwegingen leiden tot de confrontatie van twee principes van openbare orde, namelijk dat uit artikel 1244 B.W. en dat van de toepassing van het fiscaal recht, is er niet noodzakelijk een conflict : de openbare orde kan er immers belang bij hebben dat de fiscale verbintenissen van een belastingplichtige niet leiden tot zijn sociale uitsluiting.

De rechtbank moet bij toepassing van artikel 1244 B.W. evenwel omzichtig te werk gaan. Tevens dient hij de toestand van de partijen en de reeds genoten respijttermijnen in acht te nemen.

In casu dateert de BTW-schuld reeds van in de periode 31 oktober 1999 - 31 januari 2000 en betreft het een belasting die voor rekening van de schatkist door de BVBA M.-D. rechtstreeks van de klanten werd geïnd, maar niet werd doorgestort.

Gelet op de afwezigheid van goede trouw en de reeds genoten respijttermijnen dient ook dat deel van de hoofdvordering als ongegrond te worden afgewezen.

3.3. nopens de grond van de tegenvordering

Verweerder vordert bij tegeneis dat eiseres wordt veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van … EUR wegens tergend en roekeloos geding. Volgens verweerder is het geding tergend omdat zij dilatoir is en omdat zij er enkel op gericht is om de wettelijk voorgeschreven inning van de belasting te dwarsbomen en verweerder te dwingen tot een ganse reeks administratieve maatregelen.

Het opstarten van een gerechtelijke procedure is in casu, gelet op de concrete feitelijkheden, niet dilatoir en getuigt niet van een verregaande lichtzinnigheid of kwaadwilligheid waarvan ieder voorzichtig of behoedzaam mens zich dient te onthouden. Zich vergissen omtrent de draagwijdte van zijn rechten of een interpretatie van een wettekst voorstaan die niet door de rechtbank wordt overgenomen, is niet noodzakelijk een fout en kan niet rechtvaardigen dat een vordering wordt ingesteld wegens tergend en roekeloos geding.

De tegenvordering dient dan ook als ongegrond te worden afgewezen.

3.4. nopens de kosten

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet zij de gerechtskosten dragen.

3.5. nopens de uitvoerbaarheid bij voorraad

Nu de hoofdvordering ongegrond wordt bevonden, moet de vraag tot voorlopige ten uitvoerlegging geacht worden zonder voorwerp te zijn.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de hoofdvordering ontvankelijk, doch wijst ze af als ongegrond.

Verklaart de tegenvordering ontvankelijk, doch wijst ze af als ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op … EUR, uit hoofde van de geïndexeerde rechtplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op achtentwintig februari tweeduizend en vijf.

Aanwezig zijn :

H. N., alleenrechtsprekend rechter

L. N., e.a. adjunct-griffier

N.L. N. H.