Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 21 décembre 2004

Rechercher
Texte en néerlandais

Poursuite, instance, droits et privilèges du TrésorTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-tribunal-bruges-2004-12-21-9c81

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
21 décembre 2004

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

154 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 21.12.2004

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND :

in de zaak AR nr. 02/0144/A :

van de N.V. V. D. B., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te … onder nr. …,

eiseres,

vertegenwoordigd door meester J. V., advocaat te ….

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Administratie der Belastingen over de Toegevoegde waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge, met kantoren te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4,

verweerder,

vertegenwoordigd door meester L. D. S., advocaat te ….


De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 30 november 2004, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :

1. de gedinginleidende dagvaarding van 16 januari 2002 met verzet tegen het dwangbevel dat op 26 november 2001 is uitgevaardigd;

2. de conclusie voor verweerder van 7 maart 2002;

3. de conclusie voor eiseres van 3 november 2003;

4. de conclusie voor verweerder van 30 december 2003;

5. de conclusie voor eiseres van 20 februari 2004;

6. de conclusie voor verweerder van 1 april 2004;

7. de conclusie voor eiseres van 6 september 2004 en

8. de conclusie voor verweerder van 23 september 2004.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.

II. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. De feiten die relevant zijn voor het geschil

Eiseres exploiteert een meubel handel en interieurzaak.

Op 10 september 2000 vond bij eiseres een AOIF-controle plaats. Wat de BTW betreft was er een onderzoek aangekondigd voor de jaren 1996 tot 1998. In die tijd had eiseres naast haar eigenlijke meubelwinkel, ook nog een zogenaamde interieurboetiek aan de Zeedijk in Blankenberge; daar werden eerder kleinere interieurstukken verkocht.

De controle leidde zowel voor de directe belastingen als voor de .BTW tot naheffingen. Bij gebrek aan akkoord werd voor de BTW op 22 oktober 2001 een proces-verbaal opgemaakt. Daarin werden de volgende rubrieken behandeld :

(1) Wettelijke interest op de BTW-bedragen die voor de jaren 1996 tot 1998 door eiseres verschuldigd en vrijwillig aangegeven waren, maar met vertraging (resp. 33, 21 en 20 maanden) betaald werden; die interest werd becijferd op … frank (… euro).

(2) Ten onrechte afgetrokken BTW wegens privé-karakter van de aankopen, voor een bedrag van … frank (… euro).

(3) De BTW op niet-ingeschreven verkopen als volgt uitgesplitst :

- 1997

a) materiële vergissingen : … frank (… euro);

b) niet in het dagontvangstenboek ingeschreven cheques die wel op de bankrekening zijn uitbetaald : … frank (… euro);

- 1998

a) materiële vergissingen : … frank (… euro);

b) niet in het dagontvangstenboek ingeschreven cheques die wel op de bankrekening zijn uitbetaald : … frank (… euro).

De BTW die in dat verband verschuldigd werd geacht bedroeg in hoofdsom … frank (… euro).

(4) Een verminderde proportionele boete van 5 % op … frank, zijnde … frank (… euro) en van 20 % op zowel het bedrag van de laattijdig betaalde (maar vrijwillig aangegéven) BTW, als op het bedrag van de na te heften (niet-aangegeven) BTW, zijnde respectievelijk … frank (… euro) boete en … frank (… euro) boete.

(5) De wettelijke interest op de verschuldigde verklaarde BTW-bedragen vanaf 21 januari 1999.

Voor die bedragen (maar met dien verstande dat het cijfer '…' vervangen werd door '…'), vermeerderd met de moratoire interest op de verschuldigde geldboeten en de vervolgingskosten, werd op 26 november 2001 een dwangbevel uitgevaardigd dat op 27 november 2001 geviseerd werd en uitvoerbaar werd verklaard.

Op 17 december 2001 werd dat dwangbevel aan eiseres betekend.

Met een dagvaarding van 16 januari 2002 stelde eiseres haar huidige vordering in.

2. De vorderingen van de partijen

Eiseres vordert dat de rechtbank het genoemde dwangbevel zou nietig en ongrond verklaren en de opgelegde geldboeten zou kwijtschelden, minstens zou verminderen. Zij vordert ook dat verweerder zou veroordeeld worden tot terugbetaling van alle onverschuldigde sommen.

Eiseres vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten.

Verweerder vordert dat de vordering van eiseres door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond, behoudens voor zover ze strekt tot vermindering van de in het dwangbevel geëiste bedragen met … euro BTW en … euro boete. Hij vordert ook dat eiseres zou verwezen worden in de gerechtskosten.

III. BESPREKING

1. De ontvankelijkheid van de vordering

Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.

2. De grond van de vordering

De rechtbank overloopt de verschillende argumenten zoals door eiseres aangevoerd.

2.1. Materiële vergissing in het bedrag van de interest op de aangegeven maar laattijdig betaalde BTW.

Verweerder erkent dat er een materiële vergissing in het dwangbevel staat: het bedrag van de interest op de aangegeven maar laattijdig betaalde BTW moet niet … frank (… euro) zijn maar … frank of … euro.

Wat dat betreft is de vordering van eiseres gegrond.

2.2. Geldboete op de vrijwillig aangegeven maar laattijdig betaalde BTW

Eiseres ontkent niet dat er voor een bedrag van … frank (… euro) BTW was die ze voor jaren 1996, 1997 en 1998 verschuldigd was volgens haar eigen aangiften maar met maanden vertraging pas betaalde.

Verweerder heeft op dat bedrag een boete van 20 procent of voor … frank (… euro) (voor afronding) verschuldigd verklaard.

Eiseres meent dat het om een boete met een strafrechtelijk karakter gaat en dat de boete moet kwijtgescholden, minstens - als het dwangbevel niet nietig is - tot 5 procent moet beperkt worden.

De rechtbank ziet geen reden tot nietigheid van het dwangbevel.

Verweerder erkent dat de rechtbank de boete kan beoordelen, maar dit zonder dat ze kan kwijtgescholden of verminderd worden om loutere opportuniteitsredenen.

Het kader waarbinnen de rechtbank tot beoordeling van een administratieve geldboete kan overgaan, moet als volgt geschetst worden.

Voor zoveel als het nodig is om uit te maken of een administratieve geldboete een strafrechtelijk karakter heeft, is daarbij in eerste orde de zwaarte van de sanctie determinerend. Immers heeft een administratieve geldboete in de regel geen zuiver strafrechtelijk karakter. In de definiëring die het Hof van Cassatie gemaakt heeft van de administratieve geldboete met strafrechtelijk karakter (Cass. 25 mei 1999), ligt besloten dat die geldboete op zich - naast het essentiële doel te bestraffen en herhaling te voorkomen - beoogt een vergoeding te vormen voor de schade die aan de Administratie werd toegebracht door het begaan van de gesanctioneerde overtreding.

Het is onvermijdelijk dat de zwaarte van de boete zal determinerend zijn om, in functie van de aangebrachte schade, na te gaan of de sanctie hetzij in essentie beoogt te straffen om herhaling te vermijden, hetzij hoofdzakelijk beoogt de toegebrachte schade te compenseren. De rechtbank ziet niet·in op welke manier anders kan achterhaald worden wat het wezenlijk karakter is van de concreet opgelegde administratieve boete. Het bedrag moet dan ook zo hoog zijn dat de sanctie als 'zeer zwaar' moet worden gecatalogeerd. Er kan dus niet in het algemeen gesteld worden dat een fiscale geldboete steeds in essentie een repressief karakter heeft.

Het feit dat het verschuldigd zijn van de betreffende BTW door eiseres nooit betwist is en nooit kon betwist worden omdat hij uit de aangiften van eiseres zelf bleek en ook in haar boekhouding als te betalen BTW werd ingeschreven, speelt hier, in tegenstelling tot wat verweerder wil voorhouden, wel een rol. De mate waarin de boete ertoe strekt de schade die door de niet-betaling van de BTW aan de Schatkist is berokkend, te vergoeden, zal immers kleiner zijn dan wanneer er ook controle en onderzoek en eventueel betwisting moet gevoerd worden om de achterstallige schuld te achterhalen en (definitief) vast te leggen. Verweerder laat dan ook ten onrechte gelden dat het niet eerlijk zou zijn ten aanzien van andere belastingplichtigen die (na controle) laattijdig betalen (naast de interest) wel een boete van 20 procent moeten betalen (voor zover ook zij niet de rechtbank vragen om vermindering).

Vanuit die optiek is de rechtbank van oordeel dat de boete van … frank (… euro) zeer zwaar is.

In die omstandigheden kan eiseres zich alvast beroepen op de supranationale beginselen die ertoe dwingen om de opgelegde boete met strafrechtelijk karakter met volle rechtsmacht te beoordelen.

Overigens heeft de rechtbank hoe dan ook de mogelijkheid om met volle rechtsmacht de wettigheid, opportuniteit en de hoogte van een fiscale boete te toetsen, zelfs als ze geen strafrechtelijk karakter heeft (Gedr.St. van de Senaat, zitting 1998-1999, nr. 966/11, p. 213, waar het amendement nr. 10, dat de verduidelijking voorzag om aan de rechtbanken de bevoegdheid te geven omtrent de opportuniteit van een fiscale administratieve sanctie te oordelen, werd ingetrokken, nadat de Minister gesteld had dat deze bevoegdheid reeds besloten was in de omschrijving 'geschillen betreffende de toepassing van de belastingwet' waardoor de toevoeging in plaats van een verduidelijking overbodig werd geacht).

De wetgever heeft duidelijk te kennen gegeven dat hij de macht die vroeger aan de Minister van Financiën toekwam, wilde overhevelen naar de rechtbanken (zie ook Memorie van Toelichting, Parl. St. Kamer, 1997-1998, nr. 1341/1, pp. 10 en 38). Die macht sloot niet alleen de mogelijkheid in om de boeten te verminderen, maar ook om ze volledig kwijt te schelden. Het zou dus verwonderlijk zijn mocht de wetgever alleen de mogelijkheid om boeten te verminderen heeft willen overdragen en dan nog binnen de perken waarover de administratie beschikt volgens de artikelen 70 en 84, derde lid W.BTW. Overigens is de administratie (en terecht) van oordeel dat de Minister van Financiën (en dus zijn gedelegeerde ambtenaren, waaronder de gewestelijke directeurs en hun gedelegeerden) nog steeds de mogelijkheid hebben om in het kader van de administratieve fase boeten te verminderen (begrijp : buiten de marges bepaald in uitvoering van artikel 84, derde lid W.BTW) of zelfs kwijt te scheIden, namelijk krachtens het Regentsbesluit van 18 maart 1831 (Com. BTW, nr. 84/59 en Bericht in het Belgisch Staatsblad van 8 augustus 2002, pag. 34486). Waar verweerder (bij delegatie via de Gewestelijke Directeurs) zelf niet zonder meer gebonden is aan de moduleringsruimte bepaald in uitvoering van artikel 84, derde lid W.BTW, komt het des te meer (ook) aan de rechtbank toe om met volle rechtsmacht over een opgelegde administratieve sanctie te oordelen, wat zelfs de mogelijkheid tot kwijtschelding van de boete inhoudt en dus ook de vermindering onder het tarief van de schalen die door de Koning in uitvoering van artikel 84, derde lid W.BTW zijn opgesteld.

In de concrete omstandigheden blijkt uit het proces-verbaal van 22 oktober 2001 dat eiseres zich veroorloofd heeft om de BTW met vertraging te betalen omdat zij het rentetarief van de kaskredieten te hoog vond. Het is verderfelijk om daarvoor een oplossing te zoeken door krediet aan te gaan bij de Schatkist. Dat noopt hoe dan ook tot de conclusie dat een boete (bovenop de reeds verschuldigde interest) moet worden opgelegd. Rekening houdend met de schade die de vertraging in de betaling bijkomend voor de administratie veroorzaakt heeft (de administratieve opvolging in de ruimste zin van het woord) en teneinde bovendien een ontradend en beteugelend karakter aan de geldboete toe te kennen, beperkt de rechtbank de boete tot een equivalent van 10 procent, afgerond op … euro.

Die vordering van eiseres is dan ook gedeeltelijk gegrond.

2.3. Geldboete op BTW verschuldigd wegens onverantwoorde aftrek

Op het bedrag van … frank (… euro) BTW die wegens inbreuken op de aftrek verschuldigd is (wat door eiseres niet betwist wordt), heeft verweerder een boete van 5 procent, namelijk voor een bedrag (vóór afronding) van … frank (… euro) opgelegd.

Eiser vraagt de kwijtschelding. Verweerder verzet zich daar tegen.

Gelet op de inspanningen die gepaard gingen met het onderzoek naar de mate waarin de aftrek betrekking had op uitgaven met een (geheel of gedeeltelijk) privaat karakter, is de opgelegde boete alles behalve overdreven. Er is dus geen reden tot vermindering, laat staan kwijtschelding van die boete.

Dat deel van de vordering van eiseres is dus ongegrond.

2.4. BTW wegens niet-boeking van ontvangsten bij wijze van cheques

In dit verband bestaat er betwisting over de bewijskracht van de boekhouding van eiseres. Terecht laat verweerder gelden dat de verschillende wettelijke bepalingen met zich brengen dat een boekhouding moet worden bijgehouden die toelaat om controle uit te oefenen op de verschillende activiteiten en handelingen die voor de BTW relevant zijn. Dat veronderstelt een coherentie in de stukken en documenten die voldoende zekerheid biedt omtrent de waarachtigheid van de aangegeven BTW-cijfers (omzet, aftrek, vrijstelling, tarieven enz.). Verweerder laat in dat verband met reden gelden dat de vrijstelling om voor verkopen waarvoor de prijs (vroeger) het bedrag van … frank (… euro) (tegenwoordig … euro) niet bereikte een factuur uit te reiken (ten aanzien van particulieren) en om in het dagontvangstenboek geen afzonderlijke inschrijving bij te houden, eiseres niet ontsloeg om de dubbels van de eenvoudige 'rekeningen' die zij kennelijk uitreikte, bij te houden en op die manier de dagtotalen op gedetailleerde manier bij te houden.

Zelfs wanneer - zoals hier - door de belastingplichtige aan die vereiste niet wordt voldaan, is het in principe nog mogelijk dat de boekhouding bewijskrachtig is, althans wanneer het geheel van de boekhouding voldoende toelaat te achterhalen welke verkopen op welke dagen tegen welke betalingen zijn gedaan.

Nu kan eiseres niet ontkennen dat zij door het niet bijhouden van een detail met betrekking tot de verkoop voor geringere prijzen, uiteindelijk ernstige moeilijkheden heeft om een sluitende verklaring te geven aan bepaalde boekingen.

Hetzelfde geldt voor de vaststelling - wat ook door verweerder op zich niet langer kan ontkend worden- dat eiseres bepaalde cheques enkele dagen in haar kassa hield en dan gegroepeerd aanbood bij de bank, die op de bankuittreksels slechts het totaalbedrag (de som) van die cheques vermeldde: doordat eiseres, op enkele uitzonderingen na, de incassoborderellen waarop de cheques per stuk vermeld werden, niet heeft bijgehouden, kan zij nu nog slechts met moeite en gedeeltelijk reconstrueren welke inschrijvingen in haar dagontvangstenboek met vermelding dat de betaling met een cheque gebeurde, op welke datum en bij welke verrichting vermeld werden op haar bankuittreksels.

Waar eiseres dus zelf moet erkennen dat het vaststellen van de band tussen boekingen in haar dagontvangstenboek en haar grootboek van de financiële verrichtingen (bank) niet eenvoudig is en zelfs regelmatig onmogelijk is, toont zij zelf aan dat haar boekhouding op die punten de nodige bewijskracht mist. Bovendien laat verweerder in dat verband ook met reden gelden dat eiseres de gewoonte had om, in strijd met de wet, voorschotten die zij ontvangen had, pas later (bij de eindafrekening) te boeken of minstens voor de BTW in aanmerking te nemen. Ook opdat punt heeft eiseres in elk geval de regels met betrekking tot de boekhoud- en BTW-wetgeving geschonden.

De conclusie die daaruit voortvloeit, is hoe dan ook dat het aan eiseres toekomt om de stelling van verweerder te weerleggen, namelijk door op een positieve manier te bewijzen dat de cheques die door verweerder werden teruggevonden op de bankuittreksels, maar niet in het dagontvangstenboek vermeld zijn, wel overeenstemmen met boekingen in het dagontvangstenboek.

Eiseres heeft nog vóór het proces-verbaal van 22 oktober 2001 een reeks bewijzen bijgebracht, in het bijzonder wat het jaar 1998 aangaat. Daardoor werd het aanvankelijk door verweerder vooropgesteld bedrag van … frank teruggebracht naar … frank (… euro). In de loop van de procedure heeft eiseres nog bijkomende bewijzen bijgebracht (voornamelijk voor het jaar 1997) die door verweerder gedeeltelijk werden aanvaard. Het is in die zin dat verweerder akkoord kan gaan met de vermindering van het verschuldigd verklaard bedrag aan BTW met … euro (en de overeenkomstige boete).

Dat betekent dat er nog een reeks cheques zijn die op haar bankuittreksels staan waarvoor eiseres er niet in slaagt een verklaring bij te brengen. Daarnaast zijn er ook enkele verklaringen die door verweerder niet aanvaard worden. Meestal heeft dat te maken met het feit dat eiseres 'bijna' tot het gewenste bedrag komt en stelt dat het verschil zal te vinden zijn ineen bedrag dat (per cheque) werd betaald in de interieurboetiek waarvoor zij geen rekening moest afleveren omdat het bedrag te laag was.

Een andere vorm van betwisting bestaat uit het feit dat verweerder betwist dat een bepaald bedrag daadwerkelijk kan slaan om de verrichting die door eiseres als verklaring wordt aangewezen.

Uiteraard kan de rechtbank bezwaarlijk aanvaarden dat het tegenbewijs afdoende geleverd wordt wanneer niet op een sluitende manier wordt aangetoond dat de cheques die volgens de rekeninguittreksels werden uitbetaald, overeenstemmen met concrete boekingen in het dagontvangstenboek. Anders oordelen zou een miskenning inhouden van de vereiste om een bewijskrachtige boekhouding bij te houden.

Wat de verantwoording van de kleine bedragen uit de interieurboetiek aangaat, laat verweerder met reden gelden dat uit haar onderzoek gebleken is dat eiseres in die interieurboetiek elke verkoop in detail neerschreef in een agenda (zie stuk 8 van verweerder). Die agenda's kunnen ongetwijfeld bijdragen tot de bewijsvoering, zodat het verwonderlijk is dat eiseres er geen gebruik van maakt.

Aan de hand van de stukken van het dossier dat aan de rechtbank wordt voorgelegd, kan nochtans nog geen afdoende antwoord gegeven worden op het bijkomend argument van eiseres, namelijk dat zij minstens aantoont dat de cheques die geboekt zijn, wel degelijk voorkomen in haar dagontvangstenboek. Zelfs al kloppen de samentellingen bij een aantal van de betwiste cheques (vermeld op de rekeninguittreksels) niet, en kan verweerder zich veroorloven om vast te stellen dat de verklaring van eiseres niet sluitend is, toch moet getracht worden om de werkelijkheid zo getrouw mogelijk te respecteren. In het bijzonder moet vermeden worden dat ontvangsten uit verkoop twee maal aanleiding geven tot betaling van BTW (en de overeenkomstige boete). Daarom moet aan eiseres bijkomend de kans gegeven worden om aan te tonen dat de cheques die vermeld staan in haar dagontvangstenboek en die zij aanwijst als een verklaring voor bepaalde vermeldingen van (gegroepeerde) cheques op de rekeninguittreksels, geen twee keer op haar rekeninguittreksels vermeld staan. De rechtbank stelt zich de vraag of het vereiste tegenbewijs (geheel of gedeeltelijk) niet erin bestaat dat eiseres al haar rekeninguittreksels uit de betreffende periode kan voorleggen en een lijst opmaakt van alle vermeldingen van op die rekeningen geplaatste cheques, om tegelijk haar originele dagontvangstenboeken voor te leggen met een lijst van alle daarin vermelde cheques van dezelfde periode. De rechtbank vraagt zich af of op die manier door eiseres niet kan aangetoond worden of en in welke mate zij de (alle) ontvangen cheques in haar resultaten en dus in haar BTW-aangiften verwerkte. In het positieve geval, nodigt de rechtbank eiseres uit om die documenten over te leggen.

De rechtbank heropent daartoe ambtshalve het debat en verzendt de zaak naar de bijzondere rol om de partijen toe te laten daarover in conclusies standpunt in te nemen.

2.4. Geldboete op de omzetverhoging

Vermits over de omzetverhoging nog niet definitief ten gronde is geoordeeld. moet dat deel van de vordering ook worden aangehouden.

3. De gerechtskosten

De uitspraak over het lot van de gerechtskosten moet ook voorlopig worden aangehouden.

IV. UITSPRAAK

De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.

Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk en oordeelt voorlopig slechts gedeeltelijk over de grond van de vordering. De rechtbank verklaart de vordering alvast gedeeltelijk gegrond en wel in de mate zoals volgt.

De rechtbank zegt voor recht dat het bedrag dat in het bestreden dwangbevel van 26 november 2001 vermeld staat als "… (…) Belgische frank", ter aanduiding van de reeds vervallen interesten, moet gelezen worden als "… (…) Belgische frank'.

De rechtbank verklaart het genoemde dwangbevel ongegrond voor zover het met betrekking tot de geldboete die - zoals verduidelijkt in het proces-verbaal van 22 oktober 2001, waarnaar het verwijst - werd opgelegd wegens het laattijdig betalen van vrijwillig aangegeven BTW voor de jaren 1996, 1997 en 1998 een hoger bedrag opeisbaar stelt dan … euro (… EUR).

De rechtbank wijst de vordering tot kwijtschelding of vermindering van de geldboete van … frank (… euro) die opgelegd werd wegens overtredingen op het recht op aftrek, integraal af.

De rechtbank heropent ambtshalve het debat om de partijen toe te laten te handelen zoals hierboven weergegeven met betrekking tot het bewijs van de cheques waarvoor een omzetverhoging werd in aanmerking genomen.

De rechtbank houdt de uitspraak over de BTW met betrekking tot de omzetverhoging, over de boete op grond van de omzetverhoging en over de gerechtskosten voorlopig aan en verzendt daartoe de zaak naar de bijzondere rol.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op éénentwintig december tweeduizend en vier.

De rechtbank is als volgt samengesteld :

D. V., alleenrechtsprekend rechter

A. V., griffier

A. V. D. V.

De Rechtbank van eerste .aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 02/144/A Rep.nr.2007/2309

de N.V. V. D. B., (H.R. Brugge nr. 41.317), met maatschappelijke zetel te …, …,

eiseres

voor wie optreedt Meester J. V., advocaat met kantoor te … (…), …,

TEGEN

De BELGISCHE STAAT, Administratie der BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge, met kantoren te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,

verweerder

voor wie optreedt Meester L. D. S., advocaat met kantoor te …, …

I. RECHTSPLEGING

Gelet op de dagvaarding d.d. 16 januari 2002 houdende verzet tegen het dwangbevel inzake BTW.

Gelet op het tussenvonnis van deze rechtbank en kamer d.d. 21 december 2004.

Met instemming van partijen wordt de zaak hernomen ingevolge de gewijzigde samenstelling van de vierde kamer.

De rechtbank nam opnieuw kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.

Partijen werden opnieuw gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 16 januari 2007.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

De rechtbank verwijst hiervoor naar de uiteenzetting in haar tussenvonnis d.d. 21 december 2004.

III. BEOORDELING

1. BTW wegens niet-boeking van ontvangsten bij wijze van cheques

Ook na het neerleggen van bijkomende stukken, zoals gevraagd in het tussenvonnis d.d. 21 december 2004, slaagt eiseres er niet in om op een positieve manier te bewijzen dat de cheques die door verweerder werden teruggevonden op 'de bankuittreksels, maar niet in het dagontvangstenboek vermeld zijn, wel overeenstemmen met boekingen in het dagontvangstenboek. Er zijn nog steeds een aantal cheques waarvoor eiseres er niet in slaagt een verklaring bij te brengen. In andere gevallen komt eiseres' bijna' tot het gewenste bedrag of betwist verweerder dat een bepaald bedrag daadwerkelijk kan slaan op de verrichting door eiseres aangewezen. Eiseres toont dus niet op een sluitende manier aan dat de. cheques die volgens de rekeninguittreksels werden uitbetaald, overeenstemmen met concrete boekingen in het dagontvangstenboek.

Het argument van eiseres dat het slechts over een minderheid van cheques zou gaan, kan niet gevolgd worden gezien uit de lijsten blijkt dat het overeen substantieel aantal cheques gaat. Ook de bedragen waarover het gaat zijn substantieel, namelijk in 1998 alleen reeds … BEF (… EUR).

Het argument van eiseres dat het onmogelijk is dat bepaalde bedragen niet zijn aangegeven omdat de bewegingen in het kasboek overeenstemmen met het dagontvangstenboek, is niet dienend. Het is perfect mogelijk dit te laten overeenstemmen en bepaalde ontvangsten niet op te nemen. Ook de bruto-winstmarge op zich zegt niets over de correcte boekingen.

Eiseres bewijst evenmin dat cheques die vermeld staan in haar dagontvangstenboek en die zij aanwijst als een verklaring voor bepaalde vermeldingen van (gegroepeerde) cheques op de rekeninguittreksels, twee keer op haar rekeninguittreksels vermeld staan.

De vordering van eiseres is dus slechts gedeeltelijk gegrond, namelijk in de mate dat verweerder akkoord gaat met de vermindering van het verschuldigd verklaarde bedrag aan BTW met … EUR.

2. geldboete op de omzetverhoging

Op het bedrag van BTW wegens (verminderde) omzetverhoging, heeft verweerder een boete van 20 procent opgelegd.

Eiseres vraagt de kwijtschelding en verweerder verzet zich daar tegen.

Gelet op de inspanningen die gepaard gingen met het onderzoek en de ernst van de overtreding, is de opgelegde boete alles behalve overdreven. Er is dus geen reden tot vermindering, laat staan kwijtschelding van de boete.

3. de gerechtskosten

Gezien eiseres voor het grootste gedeelte in het ongelijk wordt gesteld, komt het de rechtbank gepast voor haar de gerechtskosten te laten dragen.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de resterende fiscale vordering van eiseres in volgende mate gegrond.

Verklaart het bestreden dwangbevel van 26 november 2001 ongegrond inde mate dat het met betrekking tot de omzetverhoging ingevolge het niet inschrijven van verkopen voor de jaren 1997 en 1998 - zoals verduidelijkt in het proces-verbaal van 22 oktober 2001, waarnaar het verwijst - een BTW opeisbaar stelt ten bedrage van … EUR.

Verklaart het bestreden dwangbevel van 26 november 2001 ongegrond in de mate dat het met betrekking tot de geldboete die - zoals verduidelijkt in het proces-verbaal van 22 oktober 2001, waarnaar het verwijst - werd opgelegd wegens de omzetverhoging ingevolge het niet inschrijven van verkopen voor de jaren 1997 en 1998 een bedrag opeisbaar stelt ten bedrage van … EUR en wijst de vordering tot kwijtschelding of vermindering van het overige gedeelte van deze geldboete af.

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling van de bedragen die op basis van het genoemde dwangbevel ten onrechte werden betaald of ingehouden.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, aan haar zijde niet te begroten gezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van … EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op dinsdag dertien februari tweeduizend en zeven.

Aanwezig zijn :

D. P. L., alleenrechtsprekend rechter,

L. N., griffier.

N. L. L. D. P.