Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 8 janvier 2002

Rechercher
Texte en néerlandais

Poursuite, instance, droits et privilèges du TrésorTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-tribunal-bruges-2002-01-08-71ce

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
8 janvier 2002

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

89 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 08/01/2002

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND :

in de zaak van : AR nr. 00/1954/A

B. G., haarkapper, wonende te …, …,

eiser,

vertegenwoordigd door meester F. V., advocaat te ….

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van :

- mevrouw e.a. Inspecteur(Ontvanger) van het 1ste BTW-Ontvangkantoor Kortrijk, waarvan de burelen gevestigd zijn te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat nr. 31,

- de heer e.a. Inspecteur (hoofdcontroleur) van het 1ste BTW-Ontvangkantoor Kortrijk, waarvan de burelen gevestigd zijn te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat nr. 31,

verweerders,

hiernagenoemd "verweerder",

vertegenwoordigd door meester F. W., advocaat te ….


I. PROCEDURE

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 11 december 2001, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening. met de volgende documenten :

1. de gedinginleidende dagvaarding met verzet van 21 juni 2000, gericht tegen het bijgevoegd dwangbevel van 24 januari 2000;

2. de conclusie voor verweerder van 1 september 2000;

3. de conclusie voor eiser van 15 september 2000 en

4. de conclusie voor verweerder van 5 oktober 2000.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.

II. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. De feiten die relevant zijn voor het geschil

Eiser is als haarkapper BTW-plichtige.

Op 29 juni 1993 werd bij eiser een BTW-toezicht uitgevoerd voor de jaren 1990 en 1991.

De controleagent stelde vast dat voor de jaren 1991 en 1992 het omzetcijfer verhoogd werd door de Administratie der Directe belastingen. Tegen deze verhoging was door eiser evenwel bezwaar aangetekend.

In afwachting van de afhandeling van het geschil inzake Directe Belastingen werd, om de belangen van de Schatkist te vrijwaren, een akte van verzaking aan de termijn van verjaring opgesteld voor de BTW die verweerder voor die jaren verschuldigd achtte. Deze akte werd ondertekend op 2 februari 1995 door de gevolmachtigde van eiser, P. V..

Op 15 juni 1998 werd eiser door de Administratie der Directe belastingen, Inspectie Kortrijk I, op de hoogte gebracht van het feit dat zijn bezwaar onontvankelijk was, met name omdat hij geen belang had, vermits hij - als gevolg van overdraagbare verliezen - geen belasting verschuldigd was.

Noch eiser noch zijn gevolmachtigde waren evenwel bereid om een regularisatieopgave te ondertekenen waarin de verschuldigde BTW op de vastgestelde omzettekorten erkend werd.

De heer L. M., eerstaanwezend verificateur, verbonden aan de BTW-controle Kortrijk I, besloot om op 11 januari 2000 een proces-verbaal op te stellen. Hij heeft daartoe kennis genomen van het dossier van de Administratie van Directe Belastingen.

In dat PV werd het ontvangstencijfer gereconstrueerd op basis van het forfaitair barema van de kapsalons. De verschillen tussen de berekende omzet enerzijds en de aangegeven omzet anderzijds werden belast met het toepasselijke BTW-tarief.

Ter gelegenheid van die berekening nam de heer M. kennis van de grieven die eiser in het bezwaar tegen de aanslag in de directe belastingen had geformuleerd. Ten opzichte van zijn oorspronkelijke berekening in de eerder voorgelegde akte van verzaking aan de termijn van verjaring, ging de heer M. in functie van die grieven over tot vermindering van het omzettekort en de oorspronkelijk verschuldigde BTW.

Kennelijk om bijkomende kosten voor stuiting van de verjaring te vermijden, ging eiser op 22 december 1999 over tot betaling van 5.000 frank aan verweerder.

Op 24 januari 2000 werd door verweerder een dwangbevel uitgevaardigd, dat geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd op 27 januari 2000.

Met het oog op het nemen van bewarende maatregelen (vestiging van hypotheek) werd op 10 mei 2000 conform artikel 85, § 1 W.BTW kennisgeving van dwangbevel verricht.

Tegen deze kennisgeving werd op 21 juni 2000 verzet met dagvaarding betekend overeenkomstig art. 89 W.BTW.

2. De standpunten en vorderingen van de partijen

Eiser vordert dat de rechtbank het dwangbevel van 24 januari 2000 nietig, minstens onwettelijk of ongegrond zou verklaren en dat de rechtbank zou zeggen voor recht dat dit dwangbevel en de kennisgeving ervan geen enkel gevolg mogen hebben.

Eiser vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten en dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar zou verklaren bij voorraad, zelfs wanneer een rechtsmiddel zou worden aangewend, zonder dat de uitvoering afhankelijk kan gesteld worden van een borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement.

Verweerder vordert dat de vordering van eiser door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiser zou verwezen worden in de gerechtskosten.

III. BEOOBDELING

1. De ontvankelijkheid van de vordering

Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

2. De grond van de vordering

2.1. Wat de verjaring aangaat

Eiser roept in eerste orde in dat de aanslag die het voorwerp uitmaakt van het bestreden dwangbevel verjaard zou zijn. In het bijzonder stelt eiser dat de laatste stuiting van de verjaring zou hebben plaatsgevonden door de ondertekening van afstand ter zake op 2 februari 1995 en dat tussen dat moment en de betekening van het dwangbevel opnieuw 5 jaar verlopen is.

De stelling van verweerder dat de verjaring gestuit werd door de betaling van 5.000 frank op 22 december 1999, acht eiser niet voldoende. Hij roept in dat een betaling slechts een stuitende werking heeft op voorwaarde dat zij door de schuldenaar gebeurt ter erkenning van de schuld. Eiser stelt dat uit de omringende omstandigheden duidelijk blijkt dat hij nooit de bedoeling heeft gehad om te erkennen dat hij enige betaling aan verweerder verschuldigd was. Op die manier zou de betaling van 5.000 frank niet kunnen aangemerkt worden als verjaringsstuitend in de zin van artikel 2248 B.W..

De betaling van 5.000 frank is volledig geïsoleerd in de tijd. Eiser geeft er geen zinnige verklaring voor. Hij kan bezwaarlijk ontkennen dat hij - zoals verweerder inroept - die betaling uitvoerde om - zonder kosten - de nakende verjaring te stuiten. Die werkwijze werd in onderling akkoord tussen partijen gekozen. Mocht eiser niet hebben ingestemd, dan zou verweerder een dwangbevel hebben betekend, met de kosten van dien.

Overeenkomsten over het afstand doen van een reeds verlopen verjaringstermijn is mogelijk overeenkomstig artikel 2220 B.W. Artikel 83 W.BTW voorziet evenwel slechts in de stuiting van de verjaring overeenkomstig de artikelen 2244 e.v. B.W.. Al de akten van afstand van verjaring vallen derhalve onder 'erkenning' zoals bedoeld in artikel 2248 e.v.. De erkenning kan, beperkt zijn tot het beginsel zelf van het recht van hem tegen wie de verjaring loopt, wanneer hij die erkend heeft, zich het recht voorbehoudt om het bedrag van de schuld te betwisten. (Cass. 18 mei 1961, Pas., 1961, I, 1003)

De betaling van 5.000 frank was tussen de partijen bedoeld om als erkenning te gelden onder voorbehoud van betwisting. Op die manier werd de verjaring rechtsgeldig gestuit op 22 december 1999.

De exceptie van verjaring, is bijgevolg ongegrond.

2.2. Over het bewijs

Eiser voert in tweede instantie aan dat het bestreden dwangbevel aangetast is door een nietigheid omdat het gebaseerd is op een proces-verbaal waarin de gegevens en berekeningen uit het dossier van de directe belastingen als grondslag worden genomen. Eiser stelt dat het proces-verbaal wat dat betreft niet de bijzondere bewijskracht heeft. Meer bepaald zou dat slechts toepasselijk zijn op de vaststellingen die de verbalisant zelf gedaan heeft en niet op diens afleidingen, vermoedens, veronderstellingen of interpretaties. Aldus, stelt eiser, kunnen deze afleidingen, vermoedens, veronderstellingen en interpretaties op zich niet als een 'gekend feit' aangewend worden waarop nogmaals een vermoeden of een afleiding wordt gevestigd. Dat brengt eiser ertoe om te stellen dat de - overigens betwiste - cijfers van de Administratie van Directe Belastingen niet als vertrekpunt kunnen dienen van een bewijsvoering met vermoedens om tot een belastbare meeromzet inzake BTW te concluderen.

Verweerder stelt daar tegenover dat hier wel degelijk de bijzondere bewijskracht van het proces-verbaal, opgesteld door BTW-ambtenaar moet toepassing vinden.

De heer M., zo stelt verweerder, heeft van a tot z kennis genomen van het dossier van eiser bij de Administratie van Directe Belastingen; hij kende het dossier van eiser goed uit vorige jaren en op basis van die feitelijke elementen heeft hij de belastbare BTW-omzet van eiser bepaald.

Daarop afgaand, stelt verweerder dat het aan eiser toekomt om aan te tonen dat zijn boekhouding wel bewijskrachtig zou zijn en dat de berekeningen die door de BTW-ambtenaar in dat PV zijn gemaakt, onjuist zijn.

Verweerder is van oordeel dat het niet klopt dat de BTW-ambtenaar het werk van zijn collega van de Directe Belastingen moet overdoen.

Verweerder ontkent niet dat de heer M. de boekhouding van eiser voor de betreffende jaren zelf niet heeft nagegaan. Hij heeft zich uitsluitend gebaseerd op de gegevens die hij heeft gelezen in het dossier van de Administratie van Directe Belastingen. Hij heeft zijn oorspronkelijke taxatie naderhand weliswaar bijgestuurd, afgaande op de grieven die eiser in het kader van de bezwaarprocedure in directe belastingen geformuleerd had.

De stelling van verweerder komt erop neer dat van het dwangbevel niets kan worden afgedaan zolang het bewijs ten gronde niet geleverd is dat de boekhouding van eiser wel bewijskrachtig was en dat de (bijgestuurde) berekeningen onjuist zijn. Dat houdt in dat de inhoud van het proces-verbaal van 11 januari 2000 voor waarheid moet worden aangezien tot het bewijs van het tegendeel is geleverd.

Een proces-verbaal heeft slechts deze bijzondere bewijswaarde voor datgene wat authentiek is vastgesteld door de verbalisant. De heer M. heeft zelf niet vastgesteld hoe de boekhouding van eiser voor de betreffende jaren gevoerd werd. Hij heeft zelf de vermeldingen in dat verband van zijn collega's van de Administratie van Directe Belastingen voor waar aangenomen. De heer M. kon bijgevolg, spijts zijn uitdrukkelijke vermelding, geen authenticiteit verlenen met betrekking tot de toestand van de boekhouding van eiser.

In zoverre de heer M. stelt dat de boekhouding van eiser voor de betreffende jaren niet bewijskrachtig is, was dat geen vaststaand feit waar hij zich kon op baseren om tot een berekening van de meeromzet voor de BTW te besluiten. Hetzelfde geldt - a fortiori - voor de cijfergegevens die de heer M. in het dossier van de directe belastingen heeft aangetroffen en waarop hij zich vervolgens gebaseerd heeft.

Bovendien waren de cijfergegevens van de directe belastingen al het gevolg van vermoedens. Zo blijkt uit de stukken dat de Administratie van Directe Belastingen ervan uitgaat dat er 2200 betaalde prestaties per jaar gepresteerd werden in het kapsalon van eiser. Dat cijfer kan ongetwijfeld afgeleid worden uit bepaalde bekende gegevens; toch is dat cijfer slechts een vermoeden. De heer M. heeft zelf niet nagegaan hoe de situatie bij eiser in de betreffende jaren was om te kunnen concluderen dat er mag uitgegaan worden van 2200 prestaties per jaar.

Het bestreden dwangbevel is dan ook essentieel gebaseerd op gegevens waarvan verweerder - nu daartoe het proces-verbaal van 11 januari 2000 niet volstaat·- niet afdoende het bewijs levert De vordering van eiser is bijgevolg gegrond in zoverre hij de ongegrondheid van het dwangbevel vordert.

3. De gerechtskosten

Verweerder wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet hij de gerechtskosten dragen.

4. Uitvoerbaarheid bij voorraad

Verweerder neemt hierover geen standpunt in. Hij stelt niet dat de rechtbank geen uitstel van tenuitvoerlegging zou kunnen verlenen zodat het principe van artikel 1333 Ger.Wb. geldt. De uitvoerbaarheid bij voorraad wordt daarom toegestaan.

De voorlopige tenuitvoerlegging kan niet afhankelijk gemaakt worden van het stellen van een zekerheid.

Voor de uitsluiting van het kantonnement - indien deze uitspraak daartoe al zou kunnen aanleiding geven - ziet de rechtbank nochtans geen reden.

Eiser laat na te bewijzen dat hij een ernstig nadeel zou ondergaan wanneer, ingevolge het kantonnement, de regeling van de hem toekomende betaling zou vertraagd worden (art. 1406 Ger.Wb.).

Dispositif

IV. UITSPRAAK

De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.

Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk en gegrond.

De rechtbank verklaart daarom het dwangbevel van verweerder, uitgevaardigd ten nadele van eiser, op 24 januari 2000, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 27 januari 2000 en aan eiser ter kennis gebracht op 10 mei 2000, ongegrond, zodat er geen gevolg mag en/of moet aan gegeven worden.

De rechtbank veroordeelt verweerder tot het betalen van de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast :

aan de zijde van eiser :

- kosten van dagvaarding : 65,87 euro

- rechtsplegingsvergoeding : 327,22 euro

terwijl de kosten aan de zijde van verweerder niet moeten vastgesteld worden vermits ze door hem zelf moeten gedragen worden.

De rechtbank verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, ongeacht welk rechtsmiddel er zou tegen worden ingesteld en zonder dat de voorlopige tenuitvoerlegging afhankelijk is van het stellen van een zekerheid.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge op acht januari tweeduizend en twee.

De rechtbank is als volgt samengesteld :

D. V., alleenzetelend rechter

A. V., griffier

A. V. D. V.