Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance d'Anvers du 28.05.2013
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
Hof van beroep Antwerpen - zesde bis kamer burgerlijke zaken
Arrest
W. D., verblijvende te ROEMENIË, …, …., …
appellant,
vertegenwoordigd door Mr. V. loco Mr. H. H., advocaat te …, …
tegen het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 26 april 2010
tegen
DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Ondernemings- en inkomensfiscaliteit, Sector BTW, in de persoon van de Heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te 2800 MECHELEN, Zwartzustersvest 24 bus 32 geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Mr. N. loco Mr. V. D. G., advocaat te …, …
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het eensluidend afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak tussen partijen gewezen op 26 april 2010 door de Vierde F Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, betekend op 6 december 2010 bij exploot van gerechtsdeurwaarder M. C., met standplaats te Antwerpen, en waartegen een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 16 december 2010;
Gehoord partijen in hun middelen en conclusies;
1. De feiten
1.1.- De heer D. W., appellant, was als BTW-plichtige onderworpen aan het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (W.BTW) en de in het kader ervan genomen uitvoeringsbesluiten, voor de uitoefening van zijn activiteit van handelsbemiddeling in hout en bouwmaterialen en overige werkzaamheden in verband met de afwerking van gebouwen.
Hij was geregistreerd onder het BTW-nummer. BE ….
Lastens appellant worden volgende bedragen nagevorderd :
- blijkens R.C.I.V. nr. … : dwangbevel uitgevaardigd op 20 april 1994, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 25 april 1994 door R. A., Hoofcontroleur van de BTW te Mechelen III aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Mechelen, als BTW € …, als interesten tot 20 december 1983 € …, te vermeerderen met de interest van 0,80 pct. per maand vanaf 21 december 2003 en de vervolgingskosten;
- blijkens R.C.I.V. nr. … : dwangbevel uitgevaardigd op 25 november 2003, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 4 december 2003 door F. D. M., wnd. Eerstaanwezend inspecteur van de BTW te Mechelen III aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Mechelen, als BTW € …, te vermeerderen met de interest van 0,80 pct per maand vertraging vanaf 21 mei 1996 tot 20 februari 1998 en dan vanaf 21 mei 1999, datum sluiting faling en met de vervolgingskosten.
1.2.- Appellant werd in staat van faillissement verklaard bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Mechelen van 2 februari 1998.
Het BTW-ontvangkantoor te Mechelen, geïntimeerde, diende een verklaring van schuldvordering in bij schrijven van 9 februari 1998.
Bij vonnis gewezen op 17 mei 1999 werd de faling bij gebrek aan actief gesloten verklaard door de rechtbank van koophandel te Mechelen. Appellant werd niet verschoonbaar verklaard.
1.3.- Beide voormelde dwangbevelen werden op 12 december 2003 aan appellant betekend aan zijn adres in Roemenië, …, …, bij exploot van gerechtsdeurwaarder M. D. B., met standplaats te Mechelen. Een kopie van dit exploot werd onder gesloten omslag bij aangetekende post met bewijs van ontvangst naar voormeld adres verzonden. Het ontvangstbewijs werd op 23 december 2003 afgetekend met een onleesbare handtekening.
Een herhaald bevel werd op dezelfde wijze betekend op 2 oktober 2008 bij exploot van gerechtsdeurwaarder E. M., met standplaats te Mechelen.
2. De voorafgaande rechtspleging
2.1.- Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 21 november 2008, vordert appellant zijn verzet tegen het op 25 november 2003 uitgevaardigd dwangbevel ontvankelijk en gegrond te verklaren en bijgevolg voor recht te zeggen dat de belastingen en aankleven die bij dat bevel van hem worden opgevorderd, niet verschuldigd zijn.
Bij conclusie neergelegd in eerste aanleg heeft appellant zijn oorspronkelijke vordering uitgebreid tot het op 20 april 1994 uitgevaardigd dwangbevel.
2.2.- Het bestreden vonnis uitgesproken door de Vierde F Kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 26 april 2010 oordeelt dat de betekening op 12 december 2003 conform de wettelijke normen is gebeurd en dat uit niets blijkt dat de ontvangstkaart door een onbevoegde derde werd ondertekend. De vordering wordt derhalve toelaatbaar, maar ongegrond verklaard en appellant wordt tot de kosten veroordeeld vereffend in hoofde van geïntimeerde op … € bij wijze van rechtsplegingsvergoeding.
2.3.- Tegen dit vonnis heeft appellant hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 16 december 2010.
3. De vorderingen en standpunten van partijen in hoger beroep
3.1.- In dit verzoekschrift en in de op 16 augustus 2011 neergelegde besluiten stelt appellant dat betekening ten aanzien van de geadresseerde slechts plaats vindt op het ogenblik van de afgifte van de akte aan deze laatste. Het staat vast dat de zending van 12 december 2003 niet aan appellant persoonlijk is afgegeven. Gezien appellant niet weet van wie de handtekening op de antwoordkaart is, kan hij ook het bewijs niet leveren dat deze persoon geen volmacht had. Gezien het exploot van 12 december 2003 niet aan appellant of aan een door hem gemachtigde is afgegeven, is er geen betekening van dit exploot geweest en kan dit exploot gen stuitende werking hebben. Vermits het faillissement was afgesloten in 1999 en appellant pas in 2008 voor de eerste maal in kennis werd gesteld van het dwangbevel, zijn de BTW-schulden verjaard. Appellant besluit derhalve in hoofdorde tot de hervorming van het bestreden vonnis en voor recht te zeggen dat de belastingen en aankleven die bij de dwangbevelen van 20 april 1994 en 25 november 2003 worden ingevorderd verjaard zijn. Appellant begroot het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg op … € en in hoger beroep op … €.
In ondergeschikte orde, vraagt appellant dat, alvorens ten gronde te oordelen, volgende prejudiciële vraag zou worden gesteld aan het Grondwettelijk Hof;
"Schendt artikel 40 lid 1 van het Ger. W. de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de mate de betekening in het buitenland van een gerechtelijke akte in fiscale zaken reeds geacht wordt te zijn geschied door de afgifte aan de postdienst tegen ontvangstbewijs, terwijl die betekening in burgerlijke zaken en in handelszaken, en in andere zaken waarvoor een verdrag bestaat, ten aanzien van de geadresseerde slechts plaatsvindt op het ogenblik van de afgifte van de akte aan deze laatste.".
3.2.- Geïntimeerde beaamt zijnerzijds in zijn op 16 mei 2011 neergelegde conclusies de redengeving van het bestreden vonnis en besluit dan ook tot de afwijzing van het hoger beroep als ongegrond en de bevestiging van het bestreden vonnis. Geïntimeerde begroot het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep op … EUR.
4. Beoordeling
4.1.- Krachtens artikel 81, eerste lid, W.BTW, zoals ten deze van toepassing, verjaart de vordering tot voldoening van de BTW, van de interesten en van de administratieve geldboeten door verloop van vijf jaar.
Artikel 83 W.BTW bepaalt :
"Zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten, wordt de verjaring gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, wordt in dat geval verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangend is.".
De verjaringstermijn begint te lopen op de dag waarop de vordering tot voldoening is ontstaan. Wanneer voor de voldoening van de BTW een aangifte moet worden ingediend (BTW-aangifte, bedoeld in artikel 53, eerste lid, 3° van het Wetboek; de aangifte bedoeld in artikel 53ter, 1° van het Wetboek; de aangifte in te dienen door de toevallige belastingplichtige met betrekking tot de vervreemding van een gebouw) ontstaat de vordering tot voldoening bijgevolg in principe bij het verstrijken van de indieningstermijn van de aangifte waarin de verschuldigde BTW moet zijn opgenomen.
Dezelfde termijn geldt voor de administratieve geldboete die verschuldigd is ingevolge artikel 70, § 1, van het Wetboek wegens niet-betaling, of niet tijdige of ontoereikende betaling.
Wanneer daarentegen een geldboete verschuldigd is wegens het niet naleven van een voorgeschreven formaliteit of verplichting (bv. de boete van artikel 70, § 2, van het Wetboek wegens het niet uitreiken van een factuur; de boeten bedoeld in artikel 70, § 4 van het Wetboek, bv. wegens de weigering om op grond van artikel 62, § 1, van het Wetboek inlichtingen te verschaffen), ontstaat de vordering tot voldoening van die boete, volgens het geval, bij het verstrijken van de termijn waarin aan die formaliteit moest worden voldaan of op de dag waarop de overtreding wordt begaan.
Ten slotte ontstaat de vordering tot voldoening van de interesten van maand tot maand.
Uit de bedoeling van de wetgever blijkt dat de indiening zelf van de periodieke BTW-aangifte een specifieke vordering doet ontstaan tot voldoening van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten, waarvan de opeisbaarheid uit die aangifte blijkt en waarvan de verjaringstermijn die van vijf jaar is, bepaald in artikel 81, eerste lid, W.BTW. Daarenboven houdt deze aangifte een vrijwillige schulderkenning door de belastingplichtige in van de belasting die erin werd opgenomen en vormt ze aldus een akte van stuiting van verjaring die eveneens de verjaringstermijn van vijf jaar, bepaald in artikel 83 W.BTW, doet lopen te rekenen vanaf de datum van de werkelijke indiening van de aangifte.
Zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten, wordt de verjaring gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, wordt in dat geval verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangend is (artikel 83 W.BTW).
Stuiten onder meer de verjaring :
1° de afstand van de verlopen tijd der verjaring (artikel 83, laatste lid W.BTW);
2° de betekening van een dwangbevel met bevel tot betaling (artikel 85 W.BTW);
3° de door de belastingplichtige onderschreven schuldbekentenis;
4° de door hem vrijwillig gedane gedeeltelijke betaling.
In geval van faillissement wordt de verjaring o.m. gestuit door :
1° het tijdig indienen van de verklaring van schuldvordering. De aangifte van schuldvordering wordt gelijkgesteld met een dagvaarding voor het gerecht.
2° de aanvaarding van de schuldvordering in het passief, die beschouwd wordt als een stilzwijgende schulderkenning door de curator.
3°de sluiting van de vereffening van het faillissement.
De verjaring die is gestuit door de aangifte van schuldvordering in het faillissement, blijft geschorst tot aan de beëindiging van het faillissement krachtens het adagium "contra con valentem agere non currit praescriptio" (de verjaring loopt niet tegen degene die in de onmogelijkheid verkeert te handelen).
Die schorsing van de verjaring geldt zowel ten aanzien van de massa als van de gefailleerde persoonlijk wanneer de rechten van de schuldeiser ten aanzien van de schuldenaar en ten aanzien van de massa dezelfde zijn.
Wanneer de gefailleerde niet verschoonbaar werd verklaard, krijgen de schuldeisers opnieuw het recht om ieder afzonderlijk hun rechtsvorderingen tegen de goederen van de ex-gefailleerde uit te oefenen (artikel 82, tweede lid, Faill.W.). Dit moet gebeuren binnen een termijn van vijf jaar na datum van afsluiting van de faling.
In casu dient door het hof te worden vastgesteld dat niet betwist wordt dat appellant in beginsel schuldenaar van volgende vorderingen :
- R.C.I.V. nummer … - bijzondere rekening - aanvang verjaringstermijn: 12 augustus 1993 indiening van de aangifte van het tweede kwartaal 1993 en verstrijkt 5 jaar later op 12 augustus 1998.
- R.C.I.V. nummer … - bijzondere rekening - aanvang verjaringstermijn : 25 januari 1994 indiening van de aangifte van het vierde kwartaal 1993 (beginsaldo van de bijzondere rekening) en verstrijkt 5 jaar later op 25 januari 1999.
Verder dient te worden vastgesteld dat evenmin betwist wordt dat appellant vrijwillige betalingen uitvoerde en een afbetalingsplan bekwam op 4 januari 1995, dat evenwel niet werd nageleefd.
De laatste vrijwillige betaling met betrekking tot R.C.I.V. nummer … werd verricht op 15 november 1997. De eerste betaling vond plaats op 8 april 1994, hetzij voor de vorige verjaringsdatum van 12 augustus 1998. De laatste betaling deed aldus een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar lopen, hetzij tot 15 november 2002.
De laatste vrijwillige betaling met betrekking tot R.C.I.V. nummer … werd verricht op 11 mei 1996. De eerste betaling vond plaats op 18 december 1994, hetzij vóór de vorige verjaringsdatum van 25 januari 1999. De laatste betaling deed aldus een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar lopen, hetzij tot 11 mei 2001.
Op 28 juli 2003 werd aan appellant een laatste aanmaning verzonden naar zijn nieuw adres in Roemenië.
Op 2 februari 1998 wordt appellant in staat van faillissement verklaard. De faling stuit de verjaring niet.
De administratie diende op 9 februari 1998 haar verklaring van schuldvordering in, Deze aangifte van schuldvordering stuitte tijdig de verjaring voor beide vorderingen.
De verjaring bleef alsdan opgeschort tot op de datum van de sluiting van het faillissement op 17 mei 1999.
4.2.- Aangezien appellant niet verschoonbaar werd verklaard kon geïntimeerde de vervolgingen verder zeden ten aanzien van appellant.
De verjaring van de vordering begon opnieuw te lopen op datum van de sluiting van het faillissement, zijnde 17 mei 1999. De sluiting deed opnieuw een termijn van vijf jaar lopen, zodat de verjaring voor beide vorderingen ten laatste op 17 mei 2004 gestuit diende te worden.
Artikel 85, §1, W.BTW bepaalt :
"Bij gebreke van voldoening van de belasting, interesten, administratieve geldboeten en toebehoren wordt door de met de invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd; dit wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen of door de door hem aangewezen ambtenaar en, in de gevallen bepaald door de Koning, door de gewestelijke directeur van de Administratie der douane en accijnzen, of door de door hem aangewezen ambtenaar.
De kennisgeving van het dwangbevel gebeurt bij een ter post aangetekende brief. De afgifte van het stuk ter post geldt als kennisgeving vanaf de daaropvolgende dag.".
Naar luid van artikel 85, § 2, 1°, W.BTW stuit voormelde kennisgeving de verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten, van de administratieve geldboeten en van het toebehoren.
Krachtens artikel 85, § 3, W.BTW mag het dwangbevel eveneens worden betekend bij deurwaardersexploot met bevel tot betaling.
In casu werden de twee litigieuze dwangbevelen opnieuw betekend op 12 december 2003 bij exploot van gerechtsdeurwaarder M. D. B., met standplaats te Mechelen.
Gezien appellant op datum van 12 december 2003 geen gekende woon- of verblijfplaats of gekozen woonplaats in België had, doch wel een in het buitenland gekende woonplaats bezat, hetzij op het adres, zoals in voormeld gerechtsdeurwaardersexploot vermeld, te weten "…, … in Roemenië", werd de betekening, bij gebrek aan op datum van deze betekening tussen België en Roemenië toepasselijk verdrag inzake de betekening en kennisgeving van gerechtelijke akten, verricht overeenkomstig de bepalingen van artikel 40, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, die als volgt luiden :
"Ten aanzien van hen die in België geen gekende woonplaats, verblijfplaats, of gekozen woonplaats hebben, stuurt de gerechtsdeurwaarder bij een ter post aangetekende brief het afschrift van de akte aan hun woonplaats of aan hun verblijfplaats in het buitenland en met de luchtpost indien de plaats van bestemming niet in een aangrenzend land ligt, onverminderd enige andere wijze van toezending overeengekomen tussen België en het land waar zij hun woon- of verblijfplaats hebben. De betekening wordt geacht te zijn verricht door de afgifte van de akte aan de postdienst tegen ontvangstbewijs in de vormen die in dit artikel worden bepaald.".
Het wordt door appellant niet betwist dat het op voormeld gerechtsdeurwaardersexploot vermeld adres in Roemenië juist is, noch dat het ontvangstbewijs werd afgetekend. Hij beperkt er zich toe te beweren, zonder zulks nader te bewijzen, dat de aangetekende zending niet aan hem doch wel aan een onbevoegde derde werd afgegeven en dat hij geen kennis heeft gekregen van de betekening van 23 december 2003. Er dient echter te warden aangenomen dat de derde, die het ontvangstbewijs voor appellant heeft afgetekend, hiertoe minstens een stilzwijgend mandaat, een schijnmandaat of huiselijke volmacht beschikte, d.i. in ieder geval door een daartoe gemachtigde persoon. De eigen handtekening van appellant is derhalve niet noodzakelijk om als bewijs van afgifte aan zijn persoon te gelden.
Appellant stelt ook, ervan uitgaande dat de datum van betekening niet deze is van de afgifte van de aangetekende zending aan de post, dat de (onvolmaakte) betekening (bij gebrek aan bewijs van effectieve afgifte van de aangetekende brief aan zijn eigen persoon) de te zijn aanzien lopende verjaringstermijn van de BTW-navordering niet heeft kunnen stuiten.
Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden, houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels, een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen (Grondwettelijk Hof nr. 99/2007, 12 juli 2007 (prejudiciële vraag), no. B.6, A.GrwH 2007, afl. 3, 1147, BS 10 september 2007 (tweede uitgave) (uittreksel), 48061, Juristenkrant 2008 (weergave E. BREWAEYS), afl. 161, 4, JLMB 2007 (samenvatting), afl. 39, 1659, noot, RW 2007-08 (samenvatting), afl. 30, 1238, P&B 2008, afl. 4, 200; vgl. ook: Arbitragehof nr. 48/2006, 29 maart 2006 (prejudiciële vraag), A.A. 2006, afl. 2, 553, BS 31 mei 2006 (uittreksel), 28533, Juristenkrant 2006 (weergave S. VOET), afl. 131, 6, JLMB 2006 (samenvatting), afl. 24, 1069, RABG 2007, afl. 4, 221, RW 2006-07 (samenvatting), afl. 22, 921, RW 2005-06 (weergave), afl. 33, 1319, TBP 2007 (weergave F. DEBAEDTS), afl. 5, 303, Tildschrift@ipr.be 2006, afl. 2, 23).
In casu kan de toestand van appellant, die in een met België niet verdragsgebonden land woonde op het ogenblik van de litigieuze betekening, niet worden vergeleken met deze van een justitiabele aan wie volgens in België geldende verdragsbepalingen een gerechtelijke akte dient te worden betekend. In het eerste geval kan dikwijls niet met zekerheid het ogenblik van de afgifte aan de persoon van de geadresseerde zelf worden vastgesteld en verzekerd, terwijl in het tweede geval een conventioneel stelsel geldt, dat de gebonden landen ertoe in staat stelt, o.a, middels de tussenkomst van een centrale overheid, de nodige waarborgen te bieden wat betreft de effectieve afgifte aan en ontvangst door de geadresseerde.
De strikte toepassing van de bepalingen van artikel 40 van het Gerechtelijk Wetboek zijn door de wetgever ingegeven uit zorg voor rechtszekerheid en kunnen in dit geval geen discriminatie met een niet vergelijkbare categorie rechtsonderhorigen inhouden.
Er bestaat derhalve geen aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.
Bovendien, dient er een onderscheid te warden gemaakt naargelang de betekening de belangen raakt van de verzender dan wel deze van de geadresseerde. Telkens wanneer de belangen van de partij die tot de betekening overgaat moeten worden gevrijwaard, bv. in geval van stuiting of schorsing van de verjaring, is het geboden de datum van afgifte aan de post als datum van betekening te weerhouden (H. BOULARBAH, `Signification à l'étranger : la Cour de cassation consacre la double date', (noot onder Cass. (1e k.) AR C.06.0155,F, 21 december 2007 (M.C. / S.L., F.I., Franquin Et Cie e.a.)), JT 2009, afl. 6357, (408- 412), nr. 6 p. 410; B. MAES, 'De datum van de betekening in het buitenland: wending in de rechtspraak', (noot onder Cass. (1e k.) AR C.06.0155.F, 21 december 2007 (M.C. / S.L., F.I., Franquin Et Cie e.a.)) RABG 2008, afl. 5, (283-286), nr. 6 p. 286).
Het door appellant aangehaald arrest van het Hof van Cassatie van 21 december 2007 sluit overigens geenszins uit dat de betekening, jegens de afzender, geacht kan worden op een andere datum dan deze van afgifte aan de geadresseerde verricht te zijn (Jaarverslag van het Hof van Cassatie 2007, Brussel, uitg. van het Belgisch Staatsblad, 2008, p. 115).
De dwangbevelen werden derhalve op rechtsgeldige wijze betekend op 12 december 2003.
Deze betekening heeft dezelfde gevolgen als de kennisgeving bedoeld in artikel 85, §1, W.BTW., m.n. de afgifte van het stuk ter post geldt als kennisgeving vanaf de daaropvolgende dag en stuit de kennisgeving, overeenkomstig artikel 85, § 2, W.BTW, de verjaring.
Ingevolge de betekening van het dwangbevel op 12 december 2003 is de nieuwe verjaringstermijn met vijf jaar verlengd, hetzij tot 12 december 2008.
Vervolgens werd een herhaald bevel betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot op 2 oktober 2008 aan appellant op zijn adres in Roemenië, zodat de verjaringstermijn opnieuw met vijf jaar verlengd werd, hetzij tot 2 oktober 2013.
Uit voorgaande vaststellingen en consideransen volgt dat voor beide vorderingen de verjaring nog niet is ingetreden en dat het hoger beroep zo in feite als in rechte faalt.
Dispositif
5. Beslissing
Het hof beslist bij arrest op tegenspraak,
De rechtspleging verliep in overeenstemming met de bepalingen van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
Het hof verklaart het hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond.
Het hof bevestigt het bestreden vonnis in al zijn bestreden beschikkingen.
Het hof verwijst appellant in de gedingkosten in hoger beroep, vereffend aan de zijde van geïntimeerde op … € voor rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.
Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 28 mei 2013 door :
S. B., Raadsheer
L. K., Griffier
L. K. S. B.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.