Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt du Tribunal de première instance d'Anvers du 20.10.2009
Résumé non fourni
Texte de l’arrêt
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, rechtdoende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :
In zake : 2008/AR/1992
T. V. D. B., wonende te … (…), …;
appellant,
tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 19 mei 2008;
vertegenwoordigd door Meester G. S. loco Meester F. V., advocaat te …, …;
tegen :
de BELGISCHE STAAT, Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, vertegenwoordigd in de persoon van de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de gewestelijke directeur van de BTW, registratie en domeinen te Antwerpen, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur rekenplichtige van het derde BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4;
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Meester A. V. L. d. J., advocaat te …, …;
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 19 mei 2008, dat op verzoek van de Belgische Staat werd betekend op 27 juni 2008, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 23 juli 2008, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.
1. Voorafgaande feiten en procedure
1.1. Voorwerp van de betwisting
Op 14 maart 1994 werd door de administratie van de BBI een proces verbaal opgemaakt voor de BTW-schuld van de NV EMF. De vennootschap werd op 1 april 1994 in faling verklaard.
Bij vonnis van de correctionele rechtbank van Antwerpen van 14 oktober 1994 werd T. V. D. B. veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden en een geldboete van … BEF vanwege een aantal fiscale misdrijven. Het betrof de onrechtmatige aftrek van BTW op basis van valse facturen, uitgereikt aan NV EMF, waarin hij bedrijfsleider was.
Onder meer de Belgische Staat, administratie van de BTW, registratie en domeinen ging in beroep tegen dit vonnis op burgerlijk gebied. De Belgische Staat vorderde een schadevergoeding van T. V. D. B. van … BEF. Het betrof de ontdoken BTW, administratieve geldboeten, interesten en/of kosten. Het hof van beroep te Antwerpen oordeelde in zijn arrest van 29 maart 1995 (p. 83) dat de burgerlijke partij geen nauwkeurige, specifieke en controleerbare berekening van de gevorderde schadevergoeding voorbracht en dat het hof bij gebreke daaraan geen oordeel kon vellen over de juistheid van de gevorderde schadevergoedingen. Het hof veroordeelde onder meer T. V. D. B. tot … BEF provisioneel.
Op 8 december 1994 werd, na inzage van de gerechtelijke uitspraak, ook ten aanzien van T. V. D. B. proces-verbaal opgesteld door de administratie.
Op 15 februari 1995 werd een dwangbevel opgemaakt waarin T. V. D. B. op grond van artikel 73sexies W.BTW werd opgenomen als hoofdelijk gehoudene tot betaling van de ontdoken belasting voor een bedrag van … EUR (… BEF), de moratoire interesten overeenkomstig artikel 91, § 4 W.BTW en de vervolgingskosten. Dit dwangbevel werd op 1 maart 1995 aan T. V. D. B. betekend.
1.2. Procedure voor de eerste rechter
T. V. D. B. tekende verzet aan tegen dit dwangbevel, met dagvaarding van de Belgische Staat voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen. Hij vorderde de vernietiging van voormeld dwangbevel, met veroordeling van de Belgische Staat tot de kosten van het geding.
De eerste rechter oordeelde dat het schuldenaarschap van T. V. D. B. volgde uit de correctionele veroordeling en uit artikel 73sexies W.BTW en dat de betrokkene voor de toepassing van dit wetsartikel geen BTW-belastingplichtige hoeft te zijn.
De eerste rechter oordeelde verder dat niet vaststond dat de Belgische Staat in mindering op de schuldvordering betalingen had bekomen uit het faillissement van de betrokken vennootschap en dat de hoedanigheid als burgerlijke partij in de strafprocedure de Belgische Staat niet het recht ontnam om de fiscale vordering te stellen op grond van artikel 73sexies W.BTW. Volgens de eerste rechter dekt artikel 73sexies W.BTW andere schade dan degene die werd beoordeeld door de strafrechter op burgerlijke vordering.
De eerste rechter verklaarde de vordering van T. V. D. B. ongegrond en veroordeelde hem tot de kosten van het geding, begroot en vereffend op een rechtsplegingsvergoeding van … EUR.
1.3. Procedure voor het hof van beroep
T. V. D. B. vordert in graad van beroep :
"Het hoger beroep van concluant ontvankelijk en gegrond te verklaren.
Dienvolgens het bestreden vonnis a quo van de 4F-Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, d.d. 19 mei 2008, met rolnummer AR 07/5211/A, teniet te doen.
Opnieuw rechtdoende, in hoofdorde het dwangbevel, gekend onder Reg. … (RCIV-nr. …) uitgevaardigd op 15 februari 1995 door de heer Y., Ontvanger van het 3e BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 24 februari 1995 door de Gewestelijk Directeur van de Administratie van BTW, Registratie en Domeinen te Antwerpen, van nul en generlei waarde te verklaren.
In ondergeschikte orde, de behandeling van onderhavige procedure op te schorten tot dat het Grondwettelijk Hof uitspraak heeft gedaan over de aard van de hoofdelijke gehoudenheid, minstens hiernavolgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof stellen :
"Schendt artikel 73sexies, lid 1 W.BTW de artikelen 10 en 11van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6.1. van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in de interpretatie dat de erin bedoelde hoofdelijke gehoudenheid tot betaling van de ontdoken belasting een straf is in de zin van artikel 6.1. van het EVRM? "
Na beantwoording van de prejudiciële vraag/vragen de debatten te heropenen.
Concluant behoudt zich het recht voor aanvullend te concluderen nadat uitspraak werd gedaan over de al dan niet strafrechtelijk aard van de hoofdelijke gehoudenheid.
Teruggave te bevelen van de bedragen die door concluant ten onrechte zouden zijn betaald en/of werden ingehouden, bedragen die moeten worden vermeerderd met de wettelijke en de gerechtelijke interesten vanaf de datum van de betaling of inhouding.
Geïntimeerde te horen veroordelen tot de kosten van het geding, hierin begrepen de rechtsplegingsvergoeding voorlopig begroot op … EUR".
De Belgische Staat vordert voor het hof van beroep :
"- In hoofdorde het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en aldus het bestreden vonnis a quo van de 4F-kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen d.d. 19 mei 2008 (AR 07/5211/A) teniet te doen, en zodoende het dwangbevel, uitgevaardigd door het derde BTW-ontvangkantoor te Antwerpen op 15 februari 1995 te bevestigen;
- In ondergeschikte orde verzoekt geïntimeerde om onderhavige procedure op te schorten tot dat het Grondwettelijk Hof een uitspraak heeft gedaan over de prejudiciële vragen die door de Correctionele rechtbank van Brussel (vonnis d.d.13 juni 2008, bij het Grondwettelijk Hof gekend onder rolnummer 4481) en door de rechtbank van Gent (vonnis 6 oktober 2008, bij het Grondwettelijk Hof gekend onder rolnummer 4532) reeds werden gesteld in verband met de vermeende schending van art. 73sexies W.BTW met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet;
- Appellant tevens te veroordelen tot alle kosten van het geding, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding, voor de procedure in eerste aanleg bepaald op … EUR en Voor de procedure in hoger beroep eveneens te bepalen op … EUR (zijnde het normaal tarief voor een niet in geld waardeerbare vordering)."
2. Bespreking
2.1. Het karakter van de hoofdelijke gehoudenheid van artikel 73sexies W.BTW
2.1.1. Standpunt van partijen
Appellant argumenteerde dat artikel 73sexies W.BTW als een straf sanctie diende te worden beschouwd in de zin van artikel 6.1 EVRM. Dit heeft tot gevolg dat enkel de strafrechter kan oordelen over de straftoemeting, nadat een tegensprekelijk debat werd gevoerd. Appellant verzocht om de zaak uit te stellen tot wanneer het Grondwettelijk Hof uitspraak zou hebben gedaan over hangende prejudiciële vragen terzake, minstens om in de mogelijkheid gesteld te worden om debat over deze problematiek te voeren, nadat het Grondwettelijk Hof uitspraak zou hebben gedaan.
Voor zover artikel 73sexies W.BTW als een louter burgerlijk gevolg zou moeten worden beschouwd, achtte appellant deze bepaling strijdig met artikel 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6 EVRM. Er kan immers geen uitstel worden verleend, geen kwijtschelding door gratie en er kan geen evenredigheidscontrole worden uitgevoerd, daar waar dit voor andere misdrijven wel kan.
Appellant neemt aanstoot aan het feit dat hem niet de kans werd geboden om de navordering van de BTW-schuld lastens NV EMF te betwisten. Bovendien heeft appellant ook nadeel geleden door de wijze van toerekening door de administratie van de ontvangen tegoeden in hoofde van de NV EMV op een andere BTW-schuld en op interesten en/of boeten.
Volgens de administratie is de hoofdelijke gehoudenheid een civielrechtelijk gevolg van een strafrechtelijke veroordeling en geldt ze van rechtswege. De administratie verwijst hierbij naar een aantal arresten van het Hof van Cassatie. De hoofdelijke gehoudenheid is geen staf sanctie in de zin van artikel 6.1 EVRM en er is geen sprake van enige schending van het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel (artikelen 10 en 11 van de Grondwet). Er kan dan ook geen uitstel of gratie worden verleend en er kan geen rekening gehouden worden met verzachtende omstandigheden.
2.1.2. Beoordeling
2.1.2.1. Algemeen: standpunt van het Grondwettelijk Hof
Artikel 73sexies, eerste lid W.BTW bepaalt dat personen die als daders of als medeplichtigen van misdrijven, bedoeld in de artikelen 73 en 73bis werden veroordeeld, hoofdelijk gehouden zijn tot betaling van de ontdoken belastingen.
Aan het Grondwettelijk Hof werden prejudiciële vragen gesteld, teneinde te vernemen of artikel 73sexies, eerste lid W.BTW bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
Sinds de laatste conclusies, neergelegd door partijen, werden door het Grondwettelijk Hof een aantal arresten geveld, waarin voormelde vraag werd beantwoord. Het betreft het arrest nr. 105/2009 van 9 juli 2009 en het arrest nr. 117 /2009 van 16 juli 2009.
Het Grondwettelijk Hof diende in deze zaken artikel 73sexies W.BTW te onderzoeken in de interpretatie dat de strafrechter niet de bevoegdheid zou hebben om zich met volle rechtsmacht uit te spreken over de daarin vervatte sanctie van de hoofdelijke aansprakelijkheid van de daders en de medeplichtigen, of om die sanctie te individualiseren overeenkomstig de gemeenrechtelijke strafbepalingen betreffende de verzachtende omstandigheden, de opschorting, het uitstel en de probatie en betreffende de overschrijding van de redelijke termijn, of ze te matigen naar gelang van het concrete aandeel van de veroordeelde in de bewezen verklaarde fiscale misdrijven of naar gelang van de genoten voordelen. Het Hof stelde daarbij vast dat de beklaagde voor het verwijzende rechtscollege ervan uitging dat de hoofdelijke gehoudenheid beschouwd diende te worden als een strafsanctie in de zin van artikel 6.1 EVRM.
Het Grondwettelijk Hof kon zich evenwel niet vinden in het standpunt dat de hoofdelijke gehoudenheid van artikel 73sexies W.BTW te beschouwen is als een straf sanctie in de zin van artikel 6.1 EVRM. Het Hof wees erop dat deze interpretatie met name ingaat tegen de rechtspraak van het Hof van Cassatie, die de hoofdelijke gehoudenheid inzake belastingen aanmerkt als 'een civielrechtelijke sanctie die van rechtswege' geldt of nog als 'een herstelmaatregel die van rechtswege geldt'. Volgens deze rechtspraak van het Hof van Cassatie moet de hoofdelijkheid aldus niet door de strafrechter worden uitgesproken en geldt zij, ook al heeft de strafrechter niet uitdrukkelijk vastgesteld dat de veroordeelde hoofdelijk gehouden was tot betaling van de ontdoken belasting.
Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat niet voldaan was aan de voorwaarden om de hoofdelijke gehoudenheid te beschouwen als een strafsanctie in de zin van artikel 6.1 EVRM. De plaats van artikel 73sexies, eerste lid W.BTW in het wetboek werd door het Hof niet voldoende geacht om deze bepaling als een strafsanctie te beschouwen. Volgens het Hof dient de hoofdelijke gehoudenheid ter compensatie van de schade die voor de Schatkist is ontstaan door de fout waaraan de mededaders en medeplichtigen deelachtig zijn.
Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat de hoofdelijkheid evenwel niet onbeperkt is. Ze beperkt zich tot de ontdoken belasting en geldt niet voor de belastingverhogingen, administratieve boeten, interesten en kosten. Bovendien blijft de hoofdelijkheid beperkt tot de belastingen die werden ontdoken door het misdrijf waarvoor de betrokkene is veroordeeld.
Het Grondwettelijk Hof oordeelde verder dat de betwistingen die voortvloeien uit de vaststelling van het bedrag van de ontdoken belasting, de invordering van die belasting of het verhaalsrecht van de tot de hoofdelijke gehoudenheid veroordeelde mededader of medeplichtige jegens de andere veroordeelden, het voorwerp moeten uitmaken van een rechterlijke controle met volle rechtsmacht. Voor wat het bedrag van de ontdoken belasting betreft oordeelde het Hof evenwel dat, anders dan inzake inkomstenbelastingen, de strafrechtelijke veroordeling de vaststelling van het bedrag van de ontdoken belasting inhoudt en dat de hoofdelijk gehoudene, die het bedrag van de ontdoken belasting betwist, tegen de veroordeling dezelfde rechtsmiddelen, waarin is voorzien in het Wetboek van Strafvordering kan instellen als de belastingplichtige. Van zodra het strafrechtelijk oordeel definitief is, kan de administratie zich dan ook richten tot de hoofdelijke gehoudene.
Het hof sluit zich volledig aan bij het oordeel van het Grondwettelijk Hof. Dit betekent concreet dat de belastingplichtige in deze het bedrag van de ontdoken belasting niet meer kan betwisten, van zodra dit bedrag definitief vaststaat door de strafrechtelijke veroordeling. Betwistingen hieromtrent hadden dienen gevoerd te worden voor de strafrechter. Betwistingen omtrent de invordering en het verhaal op de mede schuldenaars zijn wel nog mogelijk.
2.1.2.2. Het bedrag van de fiscale schuld
Uit de stukken (en meer bepaald het proces verbaal van 8 december 1994, dat terzake niet wordt betwist) blijkt dat T. V. D. B. in het vonnis van de correctionele rechtbank van 14 oktober 1994 schuldig werd bevonden aan, onder meer, de tenlasteleggingen G/26 a) overige facturen - b) en D/I.26 a) overige facturen - b). Uit dit vonnis blijkt dat het aanvankelijk ging om facturen met een bedrag aan ontdoken BTW van … BEF en een bedrag van … BEF. Een aantal van die facturen werd door de correctionele rechtbank uit de tenlastelegging geweerd, omdat de heer V. D. B. op 21 mei 1992 de NV EMF-aandelen verkocht aan NV ENI, zonder in deze laatste vennootschap nog enig belang te hebben. Aldus kon een bedrag van … BEF niet weerhouden worden als ontdoken BTW.
De administratie leidde uit dit vonnis terecht af dat T. V. D. B. mede schuldig werd bevonden aan het ontduiken van een bedrag van … BEF (… EUR) aan BTW.
Er bestaat geen betwisting over het feit dat T. V. D. B. tegen dit vonnis niet in beroep ging en dat het ten aanzien van hem dan ook kracht van gewijsde heeft bekomen.
Het is dan ook ten onrechte dat de belastingplichtige stelt dat hij·de kans moet krijgen om de fiscale schuld te betwisten. Gelet op de definitieve strafrechtelijke veroordeling en op voormelde recente rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, kan T. V. D. B. in principe in toepassing van artikel 73sexies W.BTW aangesproken worden tot betaling van een bedrag van … BEF (… EUR) aan BTW.
2.2. De invordering van de fiscale schuld
Het feit dat het bedrag van de ontdoken belasting vaststaat, belet niet dat nog met volle rechtsmacht kan geoordeeld worden over betwistingen nopens de invordering van die ontdoken belasting.
Appellant stelt dat de administratie niet bewijst dat zij over een actuele hoofdschuld beschikt van … BEF (… EUR). Er worden geen stukken bijgebracht van de toerekeningen die door de administratie werden verricht, zodat uit niets blijkt dat er nog een openstaand saldo voorhanden is. Bovendien zouden toerekeningen zijn verricht op minder oude schulden, en dit in strijd met artikel 1256 B.W. Het is volgens appellant niet duidelijk of bepaalde sommen konden worden gerecupereerd van andere veroordeelden, zoals de heren S. en S..
Bovendien werden volgens appellant de beginselen van behoorlijk bestuur geschonden doordat enkel appellant wordt aangesproken en dit zonder enige motivering. Het faillissement van NV EMF werd nog niet afgesloten, zodat de administratie nog niet al haar middelen tegen de belastingplichtige zelf heeft uitgeput.
Het hof oordeelt dat, in de mate dat de administratie betaling heeft bekomen van de ontdoken belastingen, deze schuld uitgedoofd is. In die mate kan geen betaling meer gevorderd worden van appellant.
De administratie geeft in besluiten een overzicht van de toerekeningen die zouden gebeurd zijn op de BTW-schuld, de boeten en de interesten en dit aan de hand van betalingen, ontvangen ingevolge het faillissement van NV EMF. Volgens de administratie werden de betalingen die werden ontvangen ingevolge dit faillissement volgens de wettelijke toerekeningsvolgorde toegerekend op de schulden van NV EMF en blijkt dat er na deze toerekeningen nog een bedrag aan BTW openstaat van … BEF betreffende schuldnummer … (naast een bedrag van … BEF aan boetes en een bedrag van … BEF aan interesten, berekend tot en met 21 april1993).
Samen met de belastingplichtige stelt het hof vast dat de administratie geen enkel stuk voorbrengt nopens de vermeende toerekeningen en waaruit het openstaande saldo van de fiscale schuld moet blijken. Het hof oordeelt dan ook dat, alvorens verder recht te doen, de heropening van de debatten moet worden bevolen, teneinde de Belgische Staat toe te laten stukken voor te brengen, waaruit blijkt dat de administratie op correcte wijze toerekeningen heeft verricht en waaruit het openstaande saldo van de fiscale schuld blijkt en teneinde partijen toe te laten hierover verder standpunt in te nemen.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
HET HOF, recht doende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch alvorens over de grond te oordelen,
Beveelt de heropening der debatten op 15 maart 2010 te 12 uur (duur pleidooien : 30'), teneinde de Belgische Staat toe te laten de hierboven vermelde stukken neer te leggen en teneinde partijen toe te laten hierover standpunt in de nemen.
Houdt de beslissing nopens de kosten aan.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van TWINTIG OKTOBER TWEEDUIZENDENNEGEN,
waar aanwezig waren :
D. W., Raadsheer wd. Voorzitter;
M. V. d. B.
en M. G., Raadsheren
A. V. L., Griffier.
A. V. L. M. G. M. V. D. B. D. W.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.