Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance d'Anvers du 31.10.2008
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
V0NNIS gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op éénendertig oktober tweeduizend en acht in openbare zitting van de 1F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :
P. W., enig rechter,
N. D., griffier.
In zake : A.R. Nr. 08/4962/A
NV C. L., ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer …, met zetel gevestigd te …, ….
eisende partij
- verschijnende bij meester J. P., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT,
Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijk Directeur van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het eerste BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, met burelen gevestigd te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.
verwerende partij
- verschijnende bij meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :
- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 25 augustus 2008,
- de besluiten van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.
Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 3 oktober 2008.
De vordering strekt ertoe :
- het bestreden dwangbevel Reg. 127/114/08, uitgevaardigd op 30 juni 2008 en uitvoerbaar verklaard op 2 juli 2008, nietig te verklaren, te zeggen voor recht dat de zogezegde verschuldigdheden hierin vermeld niet verschuldigd zijn door eiseres en verweerder vervolgens te veroordelen tot terugbetaling van de ten onrechte ontvangen gelden;
- in ondergeschikte orde te zeggen voor recht dat de opgelegde geldboeten dienen te worden kwijtgescholden, minstens verminderd, en dat eiseres dient te worden kwijtgescholden van enige nalatigheidintresten met betrekking tot eventueel verschuldigde BTW-schulden;
- eveneens in ondergeschikte orde, en enkel in zoverre de rechtbank van oordeel zou zijn dat in hoofde van eiseres een BTW-schuld zou bestaan ten aanzien van verweerder ingevolge voormeld dwangbevel, te zeggen voor recht dat eiseres betalingsfaciliteiten dienen te worden toegekend, meer bepaald dat eiseres wordt toegelaten de desgevallend verschuldigde sommen met tien periodieke maandelijkse afkortingen te voldoen;
- verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding.
Beoordeling
Betreffende de motiveringsplicht van het dwangbevel
Het dwangbevel beantwoordt aan de motiveringsvereiste van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen wanneer het door zijn inhoud geen twijfel laat omtrent de juridische en feitelijke overwegingen die hieraan ten grondslag liggen en die op voldoende wijze aan de belastingschuldige kenbaar moeten worden gemaakt teneinde hem toe te laten de gegrondheid ervan te beoordelen.
De motiveringsverplichting heeft aldus tot doel de bestuurde alle informatie te verschaffen die hij nodig heeft om te kunnen beoordelen of het zin heeft zich te verweren tegen de bestuurshandeling en hem in staat te stellen met kennis van zaken op een nuttige wijze desgewenst de bestuurshandeling aan te vechten.
Bijgevolg heeft de wet tot doel te vermijden dat de bestuurde een procedure moet inspannen teneinde de motieven te vernemen.
Voor de geldigheid van het dwangbevel volstaat het dat de aangesproken belastingplichtige zonder misverstand ingelicht zou zijn over hetgeen van hem wordt gevorderd en over de motivering van deze vordering.
Het dwangbevel is voldoende gemotiveerd en aldus rechtsgeldig gezien bij de betekening van dit dwangbevel de bijzondere rekening mede werd betekend.
Hierdoor werd eiseres zonder misverstand ingelicht over hetgeen van haar werd gevorderd en over de motivering van deze vordering zodat zij kon beoordelen of het zin had haar te verweren tegen het dwangbevel en zij in staat was met kennis van zaken op een nuttige wijze desgewenst het dwangbevel aan te vechten.
Betreffende de verschuldigdheden
De verschuldigde BTW volgt uit de eigen aangiften van eiseres, die gebonden is door deze aangiften.
De verschuldigde geldboeten en intresten volgen uit de wet.
Betreffende de opgelegde geldboeten
De geldboeten, die werden opgelegd ingevolge de niet-tijdige indiening van de aangifte en ingevolge de niet-tijdige betaling van de BTW, zijn wettelijk.
Verder is de rechtbank van oordeel dat deze geldboeten in redelijke verhouding staan met de gepleegde inbreuken en met de ernst van de feiten.
Betreffende de kwijtschelding van de intresten
Krachtens artikel 569, lid 1, 32° Ger. W. is de rechtbank van eerste aanleg exclusief bevoegd om kennis te nemen van de geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet.
Bijgevolg is de rechtbank van eerste aanleg bevoegd om uitspraak te doen over de wettelijkheid van om het even welke individuele toepassing van een belastingnorm, terwijl de Raad van State sedert 6 april 1999 enkel nog bevoegd is om uitspraak te doen over normatieve fiscale rechtshandelingen of in de gevallen waarin de wet de beoordelingsbevoegdheid expliciet aan de Raad van State heeft toegewezen (Gedr. St. Kamer 1997-98, nummer 1341/1,35 : "Sommige individuele fiscale rechtshandelingen - zoals het (niet-) vrijstellen van de betaling van nalatigheidsintresten (artikel 417 WIB 92) - konden tot dusver, bij gebreke aan bijzondere bevoegdheid van de rechterlijke macht, slechts bij de Raad van State worden aangevochten").
De vordering van eiseres tot kwijtschelding van nalatigheidsintresten is onmiskenbaar een geschil betreffende de individuele toepassing van een belastingwet, waarvan de beoordelingsbevoegdheid niet expliciet is toegewezen aan de Raad van State, zodat de rechtbank bevoegd is en de vordering derhalve toelaatbaar is.
Krachtens artikel 84bis W.BTW mag de bevoegde gewestelijke directeur van de BTW, registratie en domeinen, onder door hem bepaalde voorwaarden, in bijzondere gevallen vrijstelling verlenen voor alle in artikel 91, § 1 en 2 bedoelde intresten of voor een deel ervan.
Uit artikel 84bis W.BTW volgt dat eiseres geen subjectief recht heeft te worden vrijgesteld van haar wettelijke verplichting om nalatigheidsintresten te betalen en dat de mogelijkheid om deze vrijstelling te bekomen een gunstmaatregel is die, volgens de tekst van dit artikel, enkel kan verleend worden door de gewestelijke directeur.
Alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van de gewestelijke directeur valt, valt met volle rechtsmacht onder de controle van de rechtbank, behoudens wanneer een bijzondere bepaling uitdrukkelijk aan de gewestelijke directeur een discretionaire bevoegdheid toekent omtrent een te nemen beslissing, in welk geval de rechtbank de gewestelijke directeur zijn beoordelingsvrijheid niet mag ontnemen en niet in zijn plaats mag treden (vergelijk Cass. 4 maart 2004 inzake rolnummer C030346N, http://www.cass.be, Cass. 17 april 2000, Arr.Cass. 2000, 258 en Cass. 2 februari 1998, R.W. 1998-99, 1142).
Nu eiseres geen subjectief recht heeft te worden vrijgesteld van haar wettelijke verplichting om nalatigheidsintresten te betalen en nu artikel 84bis W.BTW uitdrukkelijk aan de gewestelijke directeur een discretionaire bevoegdheid toekent omtrent de vrijstelling van de nalatigheidsintresten, mag de rechtbank niet in de plaats treden van de gewestelijke directeur.
Bovendien dient te worden opgemerkt dat de verschuldigdheid van nalatigheidsintresten een loutere schadeloosstelling is wegens de vertraging in de betaling van de BTW schuld zodat deze verschuldigdheid geenszins een straf is en aldus geen strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6.1 EVRM.
Aangezien fiscale geschillen geen geschillen zijn over burgerlijke rechten en verplichtingen in de zin van artikel 6.1 EVRM en aangezien de verschuldigdheid van nalatigheidsintresten evenmin een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6.1 EVRM, heeft de rechtbank over deze verschuldigdheid geen controle met volle rechtsmacht op grond van artikel 6.1 EVRM (vergelijk EHRM 14 september 2004, F.J.F. 2005/126, EHRM 12 juli 2001, T.F.R. 2001/94 en Cass., 23 januari 1992, Pas., 1992, I, nr. 269, p. 453).
Bijgevolg heeft de rechtbank geen rechtsmacht om vrijstelling van nalatigheidsintresten te verlenen.
Hierbij dient te worden opgemerkt dat eiseres geen verzoek tot vrijstelling van de nalatigheidsintresten heeft ingediend bij de gewestelijke directeur.
Betreffende de afbetalingstermijnen
Krachtens artikel 569, lid 1, 32° Ger. W. is de rechtbank van eerste aanleg exclusief bevoegd om kennis te nemen van de geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet.
Bijgevolg is de rechtbank van eerste aanleg bevoegd om uitspraak te doen over de wettelijkheid van om het even welke individuele toepassing van een belastingnorm, terwijl de Raad van State sedert 6 april 1999 enkel nog bevoegd is om uitspraak te doen over normatieve fiscale rechtshandelingen of in de gevallen waarin de wet de beoordelingsbevoegdheid expliciet aan de Raad van State heeft toegewezen (Gedr. St. Kamer 1997-98, nummer 1341/1, 35 : "Sommige individuele fiscale rechtshandelingen - zoals het (niet-) toestaan van uitstel van betaling of afbetaling van de belasting (artikel 10 wet 15 mei 1846, thans artikel 66 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit) - konden tot dusver, bij gebreke aan bijzondere bevoegdheid van de rechterlijke macht, slechts bij de Raad van State worden aangevochten").
De vordering van eiseres tot afbetalingstermijnen is onmiskenbaar een geschil betreffende de individuele toepassing van een belastingwet, waarvan de beoordelingsbevoegdheid niet expliciet is toegewezen aan de Raad van State, zodat de rechtbank bevoegd is en de vordering derhalve toelaatbaar is.
Krachtens artikel 66 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit (KB van 17 juli 1991) is de ontvanger, als rekenplichtige van de schatkist, aansprakelijk voor de invordering van de belastingen, waarvan de inning hem is toevertrouwd.
Uit voornoemd artikel 66 volgt dat eiseres geen subjectief recht heeft te worden vrijgesteld van haar wettelijke verplichting om belastingen te betalen binnen de door de wet gestelde termijn en dat de mogelijkheid om afbetalingstermijnen te bekomen een gunstmaatregel is die enkel kan verleend worden door de ontvanger der belastingen; het toestaan van afbetalingstermijnen gebeurt immers onder zijn persoonlijke verantwoordelijkheid.
Alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van de ontvanger der belastingen valt, valt met volle rechtsmacht onder de controle van de rechtbank, behoudens wanneer een bijzondere bepaling uitdrukkelijk aan de ontvanger een discretionaire bevoegdheid toekent omtrent een te nemen beslissing, in welk geval de rechtbank de ontvanger zijn beoordelingsvrijheid niet mag ontnemen en niet in zijn plaats mag treden (vergelijk Cass. 4 maart 2004 inzake rolnummer C030346N, http://www.cass.be, Cass. 17 april 2000, Arr.Cass. 2000,258 en Cass. 2 februari 1998, R.W. 1998-99, 1142).
Nu eiseres geen subjectief recht heeft te worden vrijgesteld van haar wettelijke verplichting om belastingen te betalen binnen de door de wet gestelde termijn en nu voornoemd artikel 66 aan de ontvanger der belastingen een discretionaire bevoegdheid toekent omtrent het toestaan van afbetalingstermijnen, mag de rechtbank niet in de plaats treden van de ontvanger.
Bijgevolg heeft de rechtbank geen rechtsmacht om afbetalingstermijnen toe te staan (Cass. 24 april 2008 inzake rolnummer F.06.0042.N, http://jure.juridat.just.fgov.be/?lang=nl).
Betreffende de schending van het gelijkheidsbeginsel
Volgens eiseres weigert de administratie systematisch aan horeca-zaken afbetalingstermijnen, doch zij levert hiervan niet het minste bewijs.
Er is geen sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel.
Betreffende de rechtsplegingsvergoeding
Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft, hebben beide partijen zich op de terechtzitting van 3 oktober 2008 akkoord verklaard met een bedrag van … EUR, zowel indien zij in het gelijk als in het ongelijk worden gesteld.
Betreffende de uitvoerbaar verklaring bij voorraad
Krachtens artikel 92bis W.BTW schorsen de termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing zodat huidig vonnis dan ook niet uitvoerbaar bij voorraad kan verklaard worden.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak,
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend,
Verklaart de vordering toelaatbaar.
Verklaart zich zonder rechtsmacht om afbetalingstermijnen en kwijtschelding van intresten toe te staan.
Verklaart de vordering voor het overige ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding tot op heden door verweerder begroot op en door de rechtbank vereffend op … EUR rechtsplegingsvergoeding.
N. D. P. W.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.