Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 15 mai 2012

Rechercher
Texte en néerlandais

Poursuite, instance, droits et privilèges du TrésorTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-cour-appel-anvers-2012-05-15-189f

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
15 mai 2012

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

119 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 15.05.2012

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Hof van beroep Antwerpen, 6e kamer burgerlijke zaken

15/05/2012 - Nr. 2010/AR/1829

V. L., wonende te …, …,

eiser in hoger beroep,

vertegenwoordigd door Mr. H. K., advocaat te … (…), …,

tegen het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 11 maart 2010,

tegen :

1. ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, EERSTE ONTVANGKANTOOR TE HASSELT,

3500 HASSELT, Voorstraat 40 bus 46,

2. BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIËN, MINISTER VAN FINANCIËN, 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12,

verweerders in hoger beroep,

vertegenwoordigd door Mr. P. B. loco Mr. V. D. S. P., advocaat te …, …;

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 11 maart 2010, betekend aan eiser in hoger beroep op 12 mei 2010, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 8 juni 2010, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

Gelet op het arrest van 13 maart 2012 waarbij de heropening van de debatten wordt bevolen met het oog op de herneming van de zaak.

Gelet op de herneming van de zaak voor de anders samengestelde zetel van de zesde kamer van het hof.

1. De feiten

1.1. Eiser in hoger beroep was als BTW-belastingplichtige geregistreerd onder nummer ….

Op 28 mei 1974 werd door de hoofdcontroleur van het BTW-controlekantoor te Beringen een bijzondere rekening opgesteld krachtens artikel 8, § 1 van het KB nr. 24 van 23 oktober 1970 en dit voor de periode van 1 februari 1974 tot 30 april 1974, waaruit blijkt dat eiser in hoger beroep voor deze periode € … verschuldigd is.

Op 18 februari 1975 werd door de hoofdcontroleur van het BTW-controlekantoor te Leopoldsburg een bijzondere rekening opgesteld voor de periode van 1 november 1974 tot 31 januari 1975, waaruit blijkt dat eiser in hoger beroep een bedrag van € … BTW verschuldigd is.

Op 4 augustus 1975 werd door de hoofdcontroleur van het BTW-controlekantoor te Leopoldsburg een bijzondere rekening opgesteld voor de periode van 1 mei 1975 tot 26 juni 1975, waaruit blijkt dat eiser in hoger beroep een bedrag van € … BTW verschuldigd is.

1.2. Eiser in hoger beroep heeft betalingen gedaan voor een bedrag van € … die werden toegerekend op de bijzondere rekening van 1 februari 1974 tot 30 april 1974 en op de bijzondere rekening van 1 november 1974 tot 31 januari 1975 (waarvoor één dwangbevel werd uitgevaardigd) als volgt :

- € … op de verschuldigde intresten

- € … op de verschuldigde geldboeten en

- € … op de verschuldigde BTW.

1.3. Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Hasselt van 26 juni 1975 werd eiser in hoger beroep failliet verklaard.

De ontvanger van het BTW-ontvangkantoor Hasselt diende een definitieve verklaring van schuldvordering in voor een bedrag van € … BTW, € … verminderde geldboeten en € … intresten, verschuldigd ingevolge voornoemde bijzondere rekeningen.

Deze schuldvordering werd op 15 oktober 1979 toegelaten tot het bevoorrecht passief voor een bedrag van € … en tot het gewoon passief voor een bedrag van € ….

1.4. Bij aangetekende brief van 26 september 1984 werden twee dwangbevelen, uitgevaardigd door de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Hasselt en geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de hoofdcontroleur te Leopoldsburg, aan eiser in hoger beroep ter kennis gebracht.

Een eerste dwangbevel, gekend als LEG 28, deel 75 art 128, 100 art. 1, werd op 27 juni 1975 uitgevaardigd en strekte ertoe betaling te bekomen van een bedrag van … BEF (€ …) BTW ingevolge de opening van de bijzondere rekeningen voor de periode van 1 februari 1974 tot 30 april 1974 en voor de periode van 1 november 1974 tot 31 januari 1975, te vermeerderen met de intresten en geldboeten.

Een tweede dwangbevel, gekend als LEG 28, deel 88, art. 79 II DW 8859/K936, werd uitgevaardigd op 12 september 1984 en strekte ertoe betaling te bekomen van een bedrag van … BEF (€ …) BTW ingevolge de opening van de bijzondere rekening voor de periode van 1 mei 1975 tot 26 juni 1975, te vermeerderen met de intresten en geldboeten.

1.5. Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Hasselt van 29 oktober 1987 werd het faillissement afgesloten. Voor verweerder in hoger beroep werd geen dividend voorzien.

1.6. Bij aangetekende brief van 8 april 1992 werden de dwangbevelen opnieuw ter kennis gebracht aan eiser in hoger beroep en bij gerechtsdeurwaarderexploot van 9 januari 1997 werden beide dwangbevelen aan eiser in hoger beroep betekend.

2. De voorafgaande rechtspleging

2.1. Bij dagvaarding van 25 maart 1997 tekent eiser in hoger beroep verzet aan tegen deze dwangbevelen en vordert hij te zeggen voor recht dat hij de in het dwangbevel gevorderde sommen niet verschuldigd is, zowel wat de BTW, als wat de boeten, kosten en intresten betreft; de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding; het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad zonder zekerheidsstelling, niettegenstaande alle verhaal en bij uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.

De zaak werd bij de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt ingeschreven onder algemeen rolnummer 97/705/A.

Op 12 december 2006 werd de zaak ambtshalve van de rol weggelaten overeenkomstig artikel 730, § 2 Ger.W. en op 18 december 2008 werd zij op verzoek van de Belgische Staat opnieuw ingeschreven op de algemene rol.

2.2. Het bestreden vonnis verklaart de vordering van eiser in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond; veroordeelt eiser in hoger beroep tot de kosten van het geding in hoofde van verweerder in hoger beroep begroot op € … rechtsplegingvergoeding.

De rechtbank oordeelt dat door de indiening van de verklaring van schuldvordering op 17 september 1975 een rechtshandeling werd gesteld voorzien in artikel 83 W.BTW en dat als dusdanig de verjaring werd gestuit per 17 september 1975. Een nieuwe verjaring die op dezelfde wijze kan gestuit worden, wordt in dat geval verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring indien geen rechtsgeding hangende is. De verklaring van schuldvordering wordt gelijkgesteld met een verzoek tot gerechtelijke erkenning van een bedreigd recht. Ze stuit de verjaring die tegen de Staat loopt. De stuiting van deze verjaring zal overigens hernieuwd worden door het opnemen door de curator van de schuldvordering in het passief van het faillissement. De schuldvordering werd op 15 oktober 1979 opgenomen in het passief. Zodoende werd op die datum de verjaring opnieuw gestuit. Aangezien de in het passief van het faillissement opgenomen schuldvordering niet door een hypothecaire inschrijving wordt gewaarborgd, blijft de verjaring van die vordering die werd gestuit door de aangifte van schuldvordering ten aanzien van de massa tegen wie verweerder in hoger beroep elke handelingsmogelijkheid was ontnomen, geschorst tot de sluiting van het faillissement op 29 oktober 1987. Vanaf deze datum begint een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar te lopen. Bij aangetekend schrijven van 8 april 1992 werden aan eiser in hoger beroep twee dwangbevelen, uitgevaardigd door de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Hasselt en geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de hoofdcontroleur te Leopoldsburg, hiertoe gemachtigd door de gewestelijke directeur, ter kennis gebracht. Krachtens artikel 85, § 2, 1° W.BTW werd de verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting, de intresten, van de administratieve geldboeten en van het toebehoren gestuit op 8 april 1992. Aangezien op 9 april 1997 de vordering zou verjaren heeft de administratie overeenkomstig artikel 83 W.BTW op 9 januari 1997 twee dwangbevelen betekend aan eiser in hoger beroep zodat een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar begon te lopen. De verjaring werd derhalve nog niet bereikt. Uit de door de administratie overgelegde stukken blijkt tenslotte de juistheid van de in de dwangbevelen gevorderde bedragen.

2.3. Eiser in hoger beroep heeft bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 8 juni 2010, hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

3. De vorderingen en standpunten in hoger beroep

3.1. Eiser in hoger beroep vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; het bestreden vonnis te vernietigen; de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren; dienvolgens de dwangbevelen te vernietigen; te zeggen voor recht dat de kennisgeving van de dwangbevelen per aangetekend schrijven van 26 september 1984 en 8 april 1992 nietig is, minstens deze van nul en generlei waarde te verklaren; voor recht te zeggen dat de betekening van deze dwangbevelen op 9 januari 1997 nietig is, minstens deze van nul en generlei waarde te verklaren; te zeggen voor recht dat de vordering tot voldoening van de BTW, boeten, intresten en kosten, geformuleerd in deze dwangbevelen, verjaard is; derhalve te zeggen voor recht dat eiser in hoger beroep de in de aangevochten dwangbevelen gevorderde sommen niet verschuldigd is; de verdere uitvoering op basis van de betekende dwangbevelen te verbieden; minstens de uitvoering van deze dwangbevelen te verbieden in de mate hierin een hoger boete dan … BEF of € … wordt gevorderd; de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van eiser in hoger beroep begroot op € … kosten dagvaarding in verzet, € … rechtsplegingvergoeding eerste aanleg en € … rechtsplegingvergoeding hoger beroep.

Eiser in hoger beroep roept de nietigheid in van het bestreden vonnis omdat noch het verzoekschrift in toepassing van artikel 747, § 2 Ger.W. noch de hierop gewezen beschikking aan zijn raadsman ter kennis werden gebracht met als gevolg dat hij op de vastgestelde zitting niet verschenen is. Eiser in hoger beroep voert aan dat bij gebreke aan bewijs dat de dwangbevelen door een daartoe gemachtigde ambtenaar werden geviseerd en uitvoerbaar verklaard, de betekende dwangbevelen authenticiteit missen en niet als uitvoerbare titel kunnen gelden en merkt daarbij op dat de artikelen 860 en volgende Ger.W. geen toepassing vinden wat de nietigheid van de dwangbevelen betreft, vermits een dwangbevel geen proceshandeling uitmaakt. Wat de verjaring betreft, stelt eiser in hoger beroep dat de BTW-vordering slaat op de periode vanaf het eerste kwartaal van 1974 tot en met het tweede kwartaal van 1975 zodat de vordering tot voldoening van de BTW ontstaan is in de periode tussen 20 april 1974 en 20 juli 1975. Daar de BTW-vordering bleek uit de door eiser in hoger beroep ingediende BTW-aangiften, is in casu de oude tweejarige verjaringstermijn van toepassing.

Bij gebreke aan geldige stuiting of schorsing van deze verjaringstermijn, trad de verjaring van de vordering tot voldoening van de BTW derhalve uiterlijk op 20 juli 1977 om middernacht in. Doordat de aangifte van schuldvordering in het faillissement plaatsvond op 17 september 1975, was de verjaring van de vordering tot voldoening van de BTW ingetreden op 18 september 1977. Daar eiser in hoger beroep pas bij aangetekend schrijven van 26 september 1984 in kennis werd gesteld van de twee bestreden dwangbevelen, was de verjaring van de vordering tot voldoening van de BTW op dat ogenblik reeds ingetreden en kon de kennisgeving van de dwangbevelen geen stuitende werking meer hebben. Evenmin kon de opname van de vordering in het passief van het faillissement op 15 oktober 1979 nog stuitende werking hebben. Dit geldt tevens voor de kennisgeving van de dwangbevelen op 8 april 1992 en de betekening op 9 januari 1997. De nietigheid van de dwangbevelen heeft voor gevolg dat de verjaring van de vordering tot voldoening van de BTW niet rechtsgeldig werd gestuit door de kennisgeving van 8 april 1992 noch door de betekening op 9 januari 1997. In casu blijkt niet dat de afschriften van de dwangbevelen die aan eiser in hoger beroep ter kennis werden gebracht bij aangetekend schrijven van 8 april 1992, voor eensluidend werden verklaard en vond er dus geen geldige kennisgeving plaats. Eiser in hoger beroep betwist ook de opgelegde boeten.

3.2. Verweerder in hoger beroep concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep, de bevestiging van het bestreden vonnis en de veroordeling van eiser in hoger beroep tot de kosten van het geding begroot op € … rechtsplegingvergoeding hoger beroep.

De Belgische Staat stelt dat de vordering tot op heden niet verjaard is. Door de aangifte van schuldvordering van 17 september 1975 en de aanvaarding ervan in het passief op 15 oktober 1979 werd de verjaring gestuit en deze verjaring van de vordering wordt geschorst tot de sluiting van het faillissement op 29 oktober 1987. Vanaf deze datum begint een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar te lopen. De vorderingen werden door de kennisgevingen van 8 april 1992 rechtsgeldig gestuit. Door de betekening van de dwangbevelen op 9 januari 1997 begon een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar te lopen. Er werd dus geen verjaring verkregen en eiser in hoger beroep is aan de Belgische Staat de BTW verschuldigd te verhogen met de boeten en intresten gevorderd in de 2 dwangbevelen. Er bestaat geen tegenspraak tussen de akte van betekening en de betekende dwangbevelen. De wettelijke geldboete die in principe tweemaal de rechten bedraagt, werd opgenomen als verschuldigd in de dwangbevelen maar volgens de richtlijnen, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 26 juni 1973, werd deze boete verminderd en deze verminderde geldboete werd opgenomen in de akte van betekening.

4. Beoordeling

4.1. Nietigheid van het vonnis

Het bestreden vonnis werd gewezen op tegenspraak nadat bij beschikking van 25 maart 2009 conclusietermijnen waren bepaald en de rechtsdag was vastgesteld.

Eiser in hoger beroep houdt voor dat zijn raadsman niet in kennis werd gesteld van het verzoek van verweerder in hoger beroep tot toepassing van artikel 747 Ger.W., zodat hij niet op de hoogte was van de pleitzitting en derhalve ook niet is verschenen.

Uit het dossier van de rechtspleging blijkt dat de zaak op de inleidende zitting van 8 april 1997 naar de bijzondere rol werd verwezen. Op 12 december 2006 werd de zaak ambtshalve weggelaten overeenkomstig artikel 730, § 2 a Ger.W. Bij brief van 8 januari 2009, neergelegd ter griffie van de rechtbank op 15 januari 2009, heeft de raadsman van de Belgische Staat verzocht de zaal vast te stellen in toepassing van artikel 747, § 2 Ger.W. Dit verzoek werd bij gerechtsbrief van 9 februari 2009 ter kennis gebracht aan eiser in hoger beroep en bij gewone brief aan zijn raadsman, doch op het verkeerde adres (het kantooradres zoals vermeld in de inleidende dagvaarding). Bij beschikking van 25 maart 1999 werden conclusietermijnen bepaald en werd de rechtsdag bepaald op 10 december 2009. Deze beschikking werd bij gerechtsbrief van 31 maart 2009 ter kennis gebracht aan eiser in hoger beroep en bij gewone brief aan zijn raadsman, doch wederom op het verkeerde adres (nogmaals het oude kantooradres zoals vermeld in de inleidende dagvaarding). Op de zitting van 10 december 2009 is eiser in hoger beroep niet verschenen noch iemand voor hem.

Wanneer een zaak naar de rol verwezen is en één van de partijen om de in staat stelling van de zaak verzoekt, wordt dit verzoek door de griffier bij gerechtsbrief ter kennis gebracht aan de andere partijen en, in voorkomend geval, bij gewone brief aan hun advocaten (artikel 747, § 2, lid 5 Ger.W.). Partijen en, in voorkomend geval, hun advocaten worden door de griffier bij gewone brief in kennis gesteld van de beschikking van in staat stellen en van bepaling van de rechtsdag (artikel 747, § 2, lid 4 Ger.W.).

Deze bepalingen zijn niet voorgeschreven op straffe van nietigheid.

Het hof stelt vast dat deze bepalingen in casu nageleefd zijn. Eiser in hoger beroep werd bij gerechtsbrief in kennis gesteld van het verzoek van verweerder in hoger beroep tot in staat stellen van de zaak en tot bepaling van een rechtsdag alsook van de daaropvolgende beschikking; eiser in hoger beroep heeft deze gerechtsbrieven ook effectief ontvangen. De raadsman van eiser in hoger beroep werd zowel van het verzoek als van de beschikking in kennis gesteld bij gewone brief, verzonden naar het kantooradres vermeld in de inleidende dagvaarding. Uit geen enkel stuk blijkt dat de wijziging van het kantooradres aan de griffie werd meegedeeld noch dat de griffie op een andere wijze van deze adreswijziging op de hoogte was.

Eiser in hoger beroep toont niet aan dat zijn rechten op enigerlei wijze geschonden zijn en er is dan ook geen reden om het vonnis nietig te verklaren.

4.2. De dwangbevelen

4.2.1. Eiser in hoger beroep voert aan dat bij gebreke van het bewijs van een geldige delegatie, de dwangbevelen als nietig moeten beschouwd worden, zodat de vordering die erin vervat ligt niet verschuldigd is.

Krachtens artikel 85, § 1 W.BTW - zoals van toepassing in onderhavige zaak - wordt het dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen of door een door hem aangewezen ambtenaar.

Om geldig te zijn moet het dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard worden door de ambtenaar die, op het ogenblik dat hij optreedt, daadwerkelijk de functie van gewestelijke directeur uitoefent of die daartoe door de gewestelijke directeur werd aangewezen.

Uit geen enkele wettelijke bepaling blijkt dat de machtiging moet blijken uit een apart document of dat bijkomende stukken in verband met deze machtiging dienen voorgelegd te worden.

Artikel 85 W.BTW bepaalt niet dat de gewestelijke directeur zijn bevoegdheid om een dwangbevel te viseren en uitvoerbaar te verklaren slechts aan welbepaalde ambtenaren zou kunnen delegeren noch dat de bevoegdheid overgedragen wordt aan een ambtenaar die met naam wordt genoemd, maar biedt de mogelijkheid om de bevoegdheid over te dragen aan bepaalde categorieën van ambtenaren.

Dit wetsartikel bepaalt ook niet op welke wijze deze delegatie moet gegeven worden. Deze delegatie kan ook mondeling gegeven worden en behoudens het feit dat men gerede twijfel zou hebben om aan de werkelijkheid van de delegatie te twijfelen, moet er van uitgegaan worden dat deze delegatie verleend werd.

4.2.2. In deze werden de dwangbevelen geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer "H. C., hoofdcontroleur bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen, verbonden aan het BTW-controlekantoor van Leopoldsburg, ...., daartoe gemachtigd door de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Hasselt, …".

Uit de voorgelegde stukken blijkt dat de heer H. C. op het ogenblik dat hij de dwangbevelen heeft geviseerd en uitvoerbaar verklaard inderdaad de graad van hoofdcontroleur had en dat de gewestelijke directeur in algemene bewoordingen, zonder vermelding van een naam, aan de hoofdcontroleur of zijn interimaris zijn bevoegdheid tot viseren en uitvoerbaar verklaren heeft overgedragen.

Het hof oordeelt dat er in deze geen gerede twijfel kan bestaan dat de heer H. C. als een door de gewestelijke directeur aangewezen ambtenaar de delegatie had om dwangbevelen te viseren en uitvoerbaar te verklaren. Hierbij wijst het hof er op dat eiser in hoger beroep noch nadat de dwangbevelen hem ter kennis werden gebracht noch in de inleidende akte van verzet tegen dwangbevel deze delegatie heeft betwist. Pas in conclusie, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt op 26 juli 2001, hetzij ruim vier jaar nadat de procedure werd ingeleid, roept eiser in hoger beroep voor het eerst dit argument in. Hieruit blijkt dat eiser in hoger beroep zelf de regelmatigheid en de geldigheid van de delegatie voordien nooit in twijfel heeft getrokken.

De dwangbevelen zijn dan ook niet nietig.

4.3. De verjaring van de vordering

4.3.1. De vordering tot voldoening van de BTW is in deze ontstaan voor 1 januari 1999. De artikelen 81, 82 en 83 van het W.BTW, zoals zij bestonden sedert hun wijziging bij de wet van 8 augustus 1980, vooraleer zij werden gewijzigd door de artikelen 52, 53, 54, 55 en 56 van de wet van 15 maart 1999, blijven van toepassing op de vorderingen tot voldoening en de vorderingen tot teruggaaf van de belasting, van de intresten en van de administratieve boeten die zijn ontstaan voor 1 januari 1999 - hoofdstuk IV - artikel 97 Inwerkingtreding wet 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen).

De eerste rechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat de bepalingen van de artikelen 81 en 83 nog van toepassing zijn.

81 W.BTW (oud) bepaalt : "De vordering tot voldoening van de belasting, van de intrest en van de administratieve geldboete, verjaart door verloop van vijf jaar, te rekenen van de dag waarop zij is ontstaan."

Artikel 83 W.BTW (oud) luidt : "Zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de intresten en de administratieve geldboeten, wordt de verjaring gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het burgerlijk wetboek. Een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, wordt in dat geval verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangende is.

Afstand van de verlopen tijd der verjaring en de kennisgeving van het dwangbevel op de wijze als bedoeld in artikel 85, § 1, wordt ten aanzien van hun gevolgen gelijkgesteld met de in het vorige lid bedoelde stuiting."

Artikel 85 W.BTW, waarnaar wordt verwezen in artikel 83, bepaalt het volgende :

"§1. Bij gebreke van voldoening van de belasting, intresten, administratieve geldboeten en toebehoren wordt door de met de invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd; dit wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen of door de door hem aangewezen ambtenaar.

De kennisgeving van het dwangbevel gebeurt bij een ter post aangetekende brief. De afgifte van het stuk ter post geldt als kennisgeving vanaf de daaropvolgende dag.

§ 2. Die kennisgeving :

1° stuit de verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting, van de intresten, van de administratieve geldboeten en van het toebehoren;

2° maakt het mogelijk inschrijving te nemen van de wettelijke hypotheek als bedoeld in artikel 88;

3° stelt de belastingschuldige in staat verzet aan te tekenen tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel, op de wijze als bepaald in artikel 89;

4° doet, overeenkomstig artikel 91, de moratoire intresten lopen.

§ 3. Het dwangbevel mag eveneens worden betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot met bevel tot betaling."

Artikel 83 W.BTW verwijst naar de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Derhalve zijn alle gemeenrechtelijke stuitingwijzen waarin die artikelen voorzien, van toepassing inzake BTW en toebehoren. De verjaring wordt dus gestuit door een dagvaarding voor het gerecht en door een bevel tot betaling en een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te bekomen. De verjaring wordt ook gestuit doordat de belastingschuldige de belastingschuld erkent.

4.3.2. Door de indiening van de verklaring van schuldvordering op 17 september 1975 werd een rechtshandeling gesteld waarin artikel 83 W.BTW voorziet en dus werd de verjaring op die datum gestuit. Een nieuwe verjaring die op dezelfde wijze kan worden gestuit, wordt in dat geval verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring indien geen rechtsgeding hangende is.

Een ingediende aangifte van schuldvordering door de schuldeiser bij het faillissement is een daad van stuiting van de verjaring zowel ten aanzien van de massa als ten aanzien van de gefailleerde.

De verklaring van schuldvordering wordt gelijkgesteld met een verzoek tot gerechtelijke erkenning van een bedreigd recht en stuit de verjaring die tegen de Staat loopt. De stuiting van deze verjaring zal hernieuwd worden door het opnemen door de curator van de schuldvordering in het passief van het faillissement.

Op 15 oktober 1979 werd de schuldvordering door de curator opgenomen in het passief en dus werd op die datum de verjaring opnieuw gestuit.

Aangezien de in het passief van het faillissement opgenomen schuldvordering niet door een hypothecaire inschrijving wordt gewaarborgd, blijft de verjaring van die vordering die werd gestuit door de aangifte van schuldvordering ten aanzien van de massa tegen wie aan verweerder in hoger beroep elke handelingsmogelijkheid is ontnomen, geschorst tot de sluiting van het faillissement.

Deze schorsing geldt ook ten aanzien van de gefailleerde wanneer de rechten van de schuldeiser ten aanzien van de schuldenaar en ten aanzien van de massa dezelfde zijn.

Door het vonnis dat het faillissement uitspreekt, wordt de gefailleerde buiten bezit gesteld van al zijn goederen, waardoor de schuldeiser zich vanaf dat ogenblik in de onmogelijkheid bevindt om zich tegen de gefailleerde zelf te richten. De verjaring wordt dan ook vanaf het moment van de stuiting geschorst tot op het tijdstip van de sluiting van het faillissement.

In deze werd dus de verjaring gestuit door de aangifte van schuldvordering van 17 september 1975 en de aanvaarding ervan in het passief op 15 oktober 1979 en is de verjaring van de vordering geschorst tot de sluiting van het faillissement op 29 oktober 1987. Vanaf die datum begint een nieuwe termijn van vijf jaar te lopen.

4.3.3. Bij aangetekend schrijven van 8 april 1992 werden aan eiser in hoger beroep twee dwangbevelen, uitgevaardigd door de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Hasselt en op regelmatige wijze geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de hoofdcontroleur te Leopoldsburg, ter kennis gebracht.

Overeenkomstig artikel 85, § 2, 1° W.BTW werd de verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting, de intresten, de administratieve geldboeten en het toebehoren gestuit op 9 april 1992. De afgifte van het stuk ter post geldt immers als kennisgeving vanaf de daaropvolgende dag.

Op 9 april 1992 begon dus een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar te lopen.

Op 9 januari 1997, hetzij voor het verstrijken van de termijn van vijf jaar, werden de dwangbevelen bij gerechtsdeurwaarderexploot aan eiser in hoger betekend, zodat de verjaring opnieuw werd gestuit en een nieuwe termijn begon te lopen.

Eiser in hoger beroep voert ten onrechte aan dat zowel de kennisgeving van 8 april 1992 als de betekening van 9 januari 1997 niet geldig zouden gebeurd zijn, omdat de afschriften van de dwangbevelen niet voor eensluidend verklaard werden.

Zowel de kennisgeving van 8 april 1992 als het gerechtsdeurwaarderexploot van 9 januari 1997 vermelden uitdrukkelijk dat kennis wordt gegeven van of betekening wordt gedaan van "een voor eensluidend verklaard afschrift" van de kwestieuze dwangbevelen. Eiser in hoger beroep toont niet aan dat deze vermeldingen niet met de werkelijkheid zouden overeenstemmen.

4.3.4. De eerste rechter heeft derhalve terecht vastgesteld dat de vordering niet verjaard is.

4.4. De juistheid van de vordering

4.4.1. De dwangbevelen zijn gebaseerd op bijzondere rekeningen die werden opgesteld op basis van de cijfers die eiser in hoger beroep zelf in zijn BTW-aangiften voor de betreffende kwartalen heeft ingevuld en omdat eiser in hoger beroep naliet die bedragen te betalen. Eiser in hoger beroep betwist de gegrondheid van de gevorderde BTW trouwens niet.

4.4.2. Uit de stukken blijkt dat de berekening van de verschuldigde boete is gebeurd overeenkomstig de terzake geldende bepalingen. De wettelijke boete die in principe tweemaal het bedrag van de rechten bedraagt werd als verschuldigd opgenomen in de dwangbevel, maar werd volgens de geldende richtlijnen verminderd en deze verminderde geldboete werd opgenomen in de akte van betekening.

In tegenstelling tot wat eiser in hoger beroep voorhoudt, is er dus geen tegenstrijdigheid tussen de akte van betekening en de dwangbevelen. Eiser in hoger beroep toont niet aan dat de berekening van de boeten foutief is.

4.5. Besluit

Het bestreden vonnis is op juiste en oordeelkundige motieven gesteund en dient bevestigd te worden.

Het hoger beroep is ongegrond en eiser in hoger beroep dient veroordeeld te worden tot de kosten van het hoger beroep, zoals hierna begroot.

Dispositif

5. Beslissing

Het hof beslist op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof, na herneming van de zaak, verklaart het hoger beroep van L. V. toelaatbaar doch ongegrond.

Het hof bevestigt het beroepen vonnis in al zijn beschikkingen.

Het hof veroordeelt L. V. tot de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de Belgische Staat begroot op € … rechtsplegingvergoeding.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van VIJFTIEN MEI 2012 door :

D. W., Raadsheer wd. Voorzitter

M. G., Raadsheer

L. M., Plaatsvervangend raadsheer

A. V. L., Griffier.

A. V. L. L. M. M. G. D. W.