Parcours procédural
2 étapes · 1 an 1 mois- Décision attaquéeTribunal de première instance de Hasselt10.09.2009
- Décision affichéeCour d'appel d'Anvers26.10.2010
Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 26.10.2010
Résumé non fourni
Texte de l’arrêt
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER
Recht doende in burgerlijke zaken,
heeft het volgende arrest uitgesproken :
In zake : 2009/AR/3302
N.V. A., met zetel te …, …;
appellante,
tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 10 september 2009;
niet verschenen, noch vertegenwoordigd;
1. de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, in de persoon van de heer Minister van Financiën, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12;
2. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Gewestelijk directeur te Hasselt, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Voorstraat 43/40;
geïntimeerden,
vertegenwoordigd door Meester A. V. L. d. J., advocaat te …, …;
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 10 september 2009, waarvan geen betekening voorligt.
Gelet op het verzoekschrift in hoger beroep neergelegd ter griffie van dit Hof op 9 december 2009, waarbij tijdig en naar de vorm geldig hoger beroep wordt ingesteld.
1. Bij exploot van 13 november 1998 tekent appellante verzet aan tegen de dwangbevelen, die de basis vormen van de invordering, zoals gesteld in art. 85bis W.BTW.
Appellante stelt dat zij haar BTW-aangiften en listings steeds heeft ingediend conform de wet, zodat ten onrechte boeten werden opgelegd wegens het niet indienen van BTW-aangiften en listings.
Tevens stelt appellante dat hij ingevolge een schrijven van 10 november 1998, uitgaande van Controle BTW Hasselt 1, melding kreeg van een BTW-tegoed van … EUR en dat zij vaststelt dat dit tegoed nergens wordt of werd verrekend.
Appellante is van oordeel dat zij geen BTW noch boeten verschuldigd is aan de BTW-administratie.
2. De eerste rechter verklaart de vordering van appellante ontvankelijk doch ongegrond en verklaart de tegeneis wegens tergend en roekeloos geding ontvankelijk en deels gegrond en veroordeelt appellante tot betaling van een schadevergoeding begroot op … EUR.
De eerste rechter overweegt dat appellante op foutieve wijze haar recht tot het instellen van een vordering heeft aangewend nu vaststaat dat appellante geen enkele juridische discussie heeft gevoerd omtrent de BTW-invordering van de administratie, geen enkel overtuigingsstuk heeft aangewend om haar beweringen te staven, doch enkel voorhoudt dat de oorzaak van de vorderingen te wijten is aan een slecht werkende administratie.
3. Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en de bevestiging van het bestreden vonnis.
4. De feiten, die aan de grondslag liggen van huidig geschil, kunnen als volgt worden samengevat :
De N.V. A. is ingevolge de door haar uitgeoefende beroepsactiviteit van "mecanografie" geregistreerd als BTWbelastingplichtige en zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering daarvan genomen besluiten.
Bij brief van 10.06.1998 werd aan appellante door het eerste BTWontvangkantoor Hasselt medegedeeld dat er een openstaande BTWschuld was van … EUR, zijnde 11 schulddossiers, waarvan 9 dossiers louter betrekking hebben op opgelegde boeten wegens het niet indienen van de BTW-aangiften en klantenlistings en 2 dossiers waarin BTW verschuldigd is aan de administratie.
5. Beoordeling :
Aan de hand van de uiteenzetting van partijen en de neergelegde stukken overweegt het Hof als volgt :
Appellante heeft hoger beroep aangetekend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 9 december 2009, doch zij heeft geen conclusies neergelegd, noch is zij ter zitting van de 6de kamer verschenen.
Appellante verwijt de administratie dat zij als meest gerede partij niets heeft ondernomen, om een procedure die ingeleid werd bij exploot van 13 november 1998, te activeren.
Het Hof merkt op dat beide partijen gehouden zijn om een procedure te activeren en dat eisende partij alle middelen ter beschikking had om de procedure voor de rechtbank eveneens te activeren en er zeker belang bij had.
6. Opnieuw in Hoger beroep heeft appellante er niets aan gedaan om haar standpunt uiteen te zetten en de nodige bewijsstukken voor te leggen.
De vorderingen die de administratie op appellante heeft zijn enkel te wijten aan een compleet naast zich neerleggen van de wettelijke bepalingen van het W.BTW. Aan appellante werden enkel boetes opgelegd en verschuldigde BTW gevorderd ingevolge door appellante begane overtredingen.
Van deze overtredingen werd appellante telkens op de wettelijk voorziene wijze op de hoogte gebracht.
Bij schrijven van 10 juni 1998 ontving appellante een volledig overzicht van de schulden, met een berekening van de intresten tot 20 juni 1998. (stuk 1 dossier van de administratie).
De administratie stelt terecht dat, gelet op de houding van appellante, er geen sprake kan zijn om enige toegeving te doen in verband met de vervallen intresten en opgelegde boeten.
Het hoger beroep is ontvankelijk doch ongegrond;
7. Overeenkomstig art. 1017 Ger.W. zijn de gerechtskosten ten laste van de in het ongelijk gestelde partij.
Appellante is gelet op de ongegrondheid van het hoger beroep de in het ongelijk gestelde partij.
Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding hoger beroep bedraagt overeenkomstig het K.B. van 26.10.2007 de som van … EUR en het Hof ziet geen reden om hiervan afte wijken.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
HET HOF,
Recht doende bij arrest dat geacht wordt op tegenspraak te zijn gewezen ten aanzien van appellante;
Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935;
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.
Bevestigt het bestreden vonnis integraal.
Verwijst appellante in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde begroot op … EUR (rechtsplegingsvergoeding);
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van ZESENTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZENDENTIEN,
waar aanwezig waren :
0. W., Raadsheer wd. Voorzitter;
M. D. en S. B., Raadsheren
A. V. L., Griffier
A.V. L. S. B.
M. D. D. W.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.