Poursuite, droits et privilèges du Trésor, instance · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 4 octobre 2004

Rechercher
Texte en néerlandais

Poursuite, droits et privilèges du Trésor, instanceTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-droits-privileges-tresor-instance-tribunal-anvers-2004-10-04-e888

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
4 octobre 2004

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

37 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance d'Anvers du 04.10.2004

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op vier oktober tweeduizend en vier in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

L. B., enig rechter,

H. B., griffier.

In zake : AR nr. 00/5204/A

BVBA D. T., met BTW-nummer …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….

eisende partij,

niet verschijnend.

tegen :

DE BELGISCHE STAAT,

A. vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, waarvan het kabinet gevestigd is te Brussel, Wetstraat 12, en de dienst belast met het ontvangen van de aktes te Brussel, Bischoffheimlaan 38,

B. Administratie der Belastingen over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de heer Gewestelijk Directeur der Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Eerst aanwezend Inspecteur van het 1° BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4.

verwerende partij,

verschijnende bij meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

- het tussenvonnis van de 1F kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 14 februari 2003,

- de conclusie van verwerende partij neergelegd ter griffie op 25 februari 2004.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord verwerende partij in haar middelen en gezegden ter zitting van 6 september 2004.

Overwegende dat eisende partij, alhoewel behoorlijk opgeroepen bij gerechtsbrief overeenkomstig artikel 751 van het Gerechtelijk Wetboek, niet is verschenen, noch iemand voor haar.

Overwegende dat het voordeel van artikel 751 van het Gerechtelijk Wetboek werd gevorderd.


Middels voorlegging van bijkomende stukken door verweerder en diens verduidelijkingen in conclusie, is gebleken dat de fiscale vordering - uit oorzaak van gedeeltelijk dubbel gebruik -lager ligt dan wat wordt gevorderd met de betwiste dwangbevelen (verweerder spreekt in dit verband duidelijk ten onrechte van het 'in proces-verbaal gevorderde').

De betwisting door eiseres is dan ook gegrond tot op die hoogte, aldus voor het bedrag van 864.360 BEF, nu te lezen als 21.426,92 EUR aan rechten, en 86.000 BEF, nu te lezen als 2.131,88 EUR aan herleide administratieve boete, en de intrest op deze beide, en de kosten van het in beschikkend gedeelte van dit vonnis betrokken dwangbevel (stuk 4 verweerder), en verder ongegrond.

Voor het overige zijn de boetes terecht toegepast, nu uit de gegevens van de zaak duidelijk tot uiting komt dat eiseres - over een niet korte periode en in grote omvang - heeft gehandeld met het inzicht BTW te ontduiken.

Dispositif

OM DIE REDENEN

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak ten opzichte van verweerder en rechtdoende bij vonnis dat overeenkomstig artikel 751 van het Gerechtelijk Wetboek geacht wordt op tegenspraak te zijn gewezen ten opzichte van eiseres.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de in het tussenvonnis van 14 februari 2003 reeds toelaatbare vordering gegrond in volgende mate,

Zegt voor recht dat het dwangbevel van 2 augustus 1999 (RCIV …, referte Reg. …) onwettig is en verbiedt er de uitvoering van,

Veroordeelt eiseres tot drie vierde en verweerder tot een vierde van de kosten, deze in hun geheel vereffend op (158,50 EUR + 159,10 EUR =) 317,13 EUR dagvaarding plus nihil rechtsplegingsvergoeding in hoofde van eiseres en op 174,76 EUR aan geactualiseerde rechtsplegingsvergoeding in hoofde van verweerder,

Wijst eiseres af van het meer en of het anders gevorderde.

H. B. L. B.