Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance d'Anvers du 10.09.2003
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op tien september tweeduizend en drie in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :
N. V., enig rechter,
N. D., adjunct-griffier.
In zake : A.R. Nr. 99/7520/A
1. …, binnenhuisinrichter, geboren te …, op … en zijn echtgenote, …
2. …, bediende, geboren te … op …, beiden gedomicilieerd te …, …
EISENDE PARTIJEN
verschijnende bij meester P. D. F., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, in de persoon van de heer Ontvanger van het tweede BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, ltaliëlei 4 bus 4.
VERWERENDE PARTIJ
verschijnende bij meester G. V. R. loco meester J. B., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :
- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder A. V. D. S. in vervanging van gerechtsdeurwaarder G. L. te … op 8 december 1999.
- de besluiten van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gelet op de verordeningen van de Raad van de Ministers nummer … van 03 mei 1998 en nummer … van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.
Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 25 juni 2003.
De vordering strekt ertoe :
- het verzet tegen het dwangbevel gekend onder Reg. … uitgevaardigd op 14 oktober 1999 door F. D. R., waarnemend Eerst Aanwezend inspecteur van het 2de BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 22 november 1999 door de gedelegeerde ambtenaar, ontvankelijk en gegrond te horen verklaren;
- dienvolgens de vordering vervat in het dwangbevel opgemaakt door de ontvanger van het 2de BTW-ontvangkantoor te Antwerpen op 14 oktober 1999 en geviseerd op 22 november 1999, nietig de horen verklaren;
- verwerende partij te zien en te horen veroordelen tot de kosten van het geding hierin begrepen de verzetskosten en de rechtsplegingsvergoeding;
- het te vellen vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.
1. Feiten
Eisende partijen hebben in 1996 werken laten uitvoeren aan hun eigendom gelegen aan de … nr. … te ….
Deze werken betreffen zowel het gelijkvloers als de verdiepingen van de betreffende panden.
De werken werden uitgevoerd door een aannemer onder het stelsel van de BTW.
De aannemer factureerde het BTW tarief van 6 % met betrekking tot de werken. De discussie tussen partijen betreft het al dan niet voldoen aan de voorwaarden voor de aanrekening van het tarief van 6 %.
2. Beoordeling
Toelaatbaarheid van het verzet
Het verzet is tijdig en regelmatig naar vorm en er worden noch door partijen redenen van ontoelaatbaarheid opgeworpen, noch worden er door de rechtbank ambtshalve op te werpen redenen van ontoelaatbaarheid vastgesteld, zodat het verzet toelaatbaar is.
Met betrekking tot de medeaansprakelijkheid van eisende partijen
Eisende partijen stellen dat de aannemer, bouwbedrijf …., facturen heeft opgesteld met aanrekening van het BTW percentage van 6 %, zonder dat deze aannemer een attest heeft opgevraagd aan eisende partijen betreffende de basis waarop de verschuldigde belasting werd bepaald. Bijgevolg is de aannemer volgens eisende partijen aansprakelijk en dient de invordering enkel te gebeuren lastens hem.
Verwerende partij stelt terecht dat eisende partij en op grond van artikel 51bis, § 1, 1° en 3° WB BTW hoofdelijk gehouden zijn tot voldoening van de belasting, zodat zij op rechtmatige wijze werden aangesproken tot voldoening van de belasting door verwerende partij.
Motivering van het dwangbevel
Eisende partijen werpen op dat verwerende partij thans haar vordering steunt op een andere motivering dan deze vermeld in het proces-verbaal wat niet toegelaten is.
Een dwangbevel vormt een administratieve akte tot invordering, zodat het volstaat dat deze administratieve akte verwijst naar een of meer aan de betrokkene medegedeelde stukken en /of elementen waarop de belastingdienst de gegrondheid van zijn aanspraken formuleert, en verder nog dat het detail van het gevorderde in het dwangbevel wordt medegedeeld.
Het voorliggende dwangbevel geeft duidelijk weer welke sommen er worden gevorderd en verwijst ter motivering naar een mede betekend proces-verbaal.
Uit het proces-verbaal blijkt duidelijk dat verwerende partij zich baseert op een inbreuk op KB nummer 20 van 20 juli 1970 meerbepaald artikel 1, 3° omdat eisende partijen volgens haar niet voldoen aan de voorwaarden opgesomd in tabel A onder XXXI. Werken in onroerende staat met betrekking tot privé-woningen, § 1, 1°.
Ook thans in de conclusies van verwerende partij wordt nog steeds gesteld dat eisende partijen niet voldoen aan de bovenvermelde voorwaarde.
Bijgevolg steunt verwerende partij zich nog steeds op dezelfde rechtsgrond als deze vermeld in het dwangbevel en bijhorend proces-verbaal en is er geen schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, noch van de bepalingen van de wet betreffende de motivering van bestuurshandelingen of de bepalingen van het BTW-wetboek.
Ten gronde
Als eisende partijen beweren dat zij toepassing mogen maken van een uitzonderingsregime vervat in artikel 1, 1° van het KB nr. 20 van 20 juli 1970, dienen zij te bewijzen dat zij aan de voorwaarden terzake voldoen, wat niet het geval is.
In haar proces-verbaal van 20 april 1999 heeft verwerende partij vastgesteld dat er door eisende partijen werken werden uitgevoerd aan een eengezinswoning met winkelruimte en dat na de uitvoering van de werken het pand bestond uit een gelijkvloers en twee verdiepingen, waarbij het gelijkvloers werd verhuurd aan BVBA …, de eerste en tweede verdieping van het pand 23 werd bewoond door eisende partijen, de eerste verdieping van nummer 25 werd verhuurd aan de heer en mevrouw … en de tweede verdieping van nummer 25 werd verhuurd aan de heer….
Verwerende partij heeft tevens vastgesteld dat de administratie van het kadaster de werken als volgt beschrijft :
- "nr. 23 voorgevel 2de V verbouwd, dagverblijf nieuw; GV muur achteraan tussen nr. 23 en 25 gesloopt inkom verplaatst;
- appartement 1e verdiep (volledig nieuwbouw, behalve trapzaal, voorgevel en hall)
- appartement 2e verdiep (volledig nieuwbouw, behalve trapzaal en hall)"
Bijgevolg betreffen de vaststellingen zowel elementen met betrekking tot het pand nummer 23 als elementen met betrekking tot het pand nummer 25.
Deze vaststellingen worden op zich niet betwist door eisende partijen.
Verwerende partij stelt dat door eisende partijen niet voldaan werd aan volgende voorwaarde vermeld in tabel A, XXXI, § 1, 1°·: De handelingen moeten de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben.
Eisende partijen stellen dat de bouwwerken zich beperken tot een vergroting: of omvorming van een bestaand gebouw en dat deze werken niet dienen te worden geherkwalificeerd als oprichting van een nieuw gebouw.
Eisende partijen leggen terzake geen stavingsstukken voor.
In casu is er volgens verwerende partij geen sprake van omvorming doch wel van oprichting van een nieuw gebouw met betrekking tot de werken verricht aan de eerste en tweede verdieping van pand nummer 25.
Zij baseert zich hiervoor op het feit dat de appartementen volledig op zichzelf staande entiteiten zijn die volledig onafhankelijk functioneren van het oude gedeelte. Deze stelling komt de rechtbank bewezen voor gelet op het feit dat deze appartementen afzonderlijk verhuurd worden aan derden.
Bijgevolg kan met betrekking tot de bouwwerken aan de eerste en tweede verdieping het verlaagd tarief van 6 % niet worden toegepast.
Door de aannemer van eisende partijen werden met betrekking tot de bouwwerkzaamheden aan het pand 23/25 in de … facturen opgesteld met toepassing van het verlaagd BTW tarief van 6 %. Deze facturen bevatten geen detail met betrekking tot de uitgevoerde werken en geen opsplitsing tussen de werken uitgevoerd aan pand 23 en deze uitgevoerd aan pand 25 zodat er ten onrechte toepassing werd gemaakt van het verlaagd BTW tarief van 6 %.
Verwerende partij kan enkel de facturatie aan een BTW tarief van 6 % in globo verwerpen gelet op het gebrek aan detail terzake, dit betekent geenszins dat zij in het dwangbevel en bijgevoegd proces-verbaal de woning als een geheel beschouwd, mede gelet op de vaststellingen vervat in het proces-verbaal.
Bijgevolg is de BTW verschuldigd, zulks over de bevonden bedragen als maatstaf van heffing en onder het BTW tarief zoals vermeld in het proces-verbaal van 20 april 1999 en is de vordering van eisende partijen ongegrond.
Betreffende de uitvoerbaar verklaring bij voorraad
Door partijen worden er geen redenen voorgebracht die nopen tot de uitvoerbaar verklaring bij voorraad van huidig vonnis.
Dispositif
0M DIE REDENEN
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak.
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.
Verklaart de vordering in verzet tegen het dwangbevel toelaatbaar doch ongegrond.
Veroordeelt eisende partij tot de kosten van het geding in hoofde van verwerende partij begroot en door de rechtbank ambtshalve vereffend op … EUR rechtsplegingsvergoeding.
Wijst het meer- en anders gevorderde af.
N. D. N. V.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.