Paiement de l'impôt, poursuite, instance · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 21 février 2005

Rechercher
Texte en néerlandais

Paiement de l'impôt, poursuite, instanceTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/paiement-impot-poursuite-instance-droits-tribunal-bruges-2005-02-21-4add

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
21 février 2005

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

55 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 21.02.2005

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 03/3019/A Rep. nr. 2005/2497

de heer R. H., zonder gekend beroep, voorheen wonende te …, …, Ondernemingsnr. …, thans wonende te …, …,

eiser,

voor wie is opgetreden Meester I. J. loco Meester J. B., advocaat met kantoor te …, …,

tegen :

De F.O.D. FINANCIËN, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de heer e.a. Inspecteur van het BTW­Ontvangkantoor te Oostende, met burelen gevestigd te 8400 OOSTENDE, Vrijhavenstraat 1,

verweerder,

voor wie optreedt Meester P. D., advocaat met kantoor te …, …,

I. RECHTSPLEGING

Gelet op de dagvaarding houdende verzet de dato 2 oktober 2003.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 24 januari 2005.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

2.1. Eiser is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW­registratienummer …, ingevolge de activiteit van vrije vertegenwoordiger in batterijen, lampen en signalisatie. Hij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 22 oktober 2002 werd door J. D., eerstaanwezend inspecteur-diensthoofd bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 december 2001.

Op 1 juli 2003 werd door voornoemde een proces-verbaal opgesteld met de door eiser begane overtredingen en de verschuldigde rechten en boeten.

Op 28 augustus 2003 werd op basis van het proces-verbaal van 1.07.2003 door E. D. D., eerstaanwezend inspecteur a.i. van het BTW-ontvangkantoor te Oostende, overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW, een dwangbevel uitgevaardigd. In dit dwangbevel werd … EUR BTW, … EUR boete en … EUR interesten gevorderd.

Voormeld dwangbevel werd op 9 september 2003 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer R. D., gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge en op 19 september 2003 bij gerechtsdeurwaardersexploot aan eiser betekend.

Bij dagvaarding de dato 2 oktober 2003 stelt eiser zijn vordering in.

2.2. Eiser vraagt dat de zaak onbepaald wordt uitgesteld op grond van het adagium 'Ie criminel tient Ie civil en état'. Ondergeschikt vraagt eiser dat de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens het bestreden dwangbevel wordt vernietigd. Tevens vordert hij dat verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op de geïndexeerde rechtsplegingvergoeding ten bedrage van … EUR. en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard niettegenstaande elk verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.

2.3. Verweerder vraagt dat de vordering ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiser wordt veroordeeld tot de gedingkosten, in zijn hoofde begroot op de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van … EUR.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond

3.2.1. Op 22 oktober 2002 heeft J. D., eerstaanwezend inspecteur-diensthoofd bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen een dossier ontvangen van de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit. Dit dossier had betrekking op eiser en bevatte de resultaten van diverse onderzoeken lopende bij bedrijven actief in de sector van de openbare- en structuurwerken. Het dossier bevatte tevens een lijst van facturen die werden teruggevonden in de boekhouding van verschillende aannemers en besturen en die blijkbaar door eiser werden uitgereikt voor geleverde dienstprestaties en leveringen.

Uit de vergelijking van de facturen die in voormeld dossier staken en de boekhouding van eiser heeft D. J. vastgesteld dat een aantal door eiser uitgereikte facturen niet werden opgenomen in zijn boekhouding en/of in zijn BTW-aangiften.

3.2.2. De vordering van verweerder steunt op artikel 51, § 1, 3° W.BTW dat stelt : "De belasting is verschuldigd door eenieder die op een factuur of op een als zodanig geldend stuk de belasting over de toegevoegde waarde vermeldt, zelfs indien hij geen goed heeft geleverd noch een dienst heeft verstrekt. Hij wordt schuldenaar van de belasting op het tijdstip van het uitreiken van de factuur of het stuk".

Overeenkomstig voormelde bepaling wordt de BTW dus verschuldigd door de persoon die de BTW vermeldt op de factuur of op een zodanig geldend stuk.

De bewering van eiser dat de opgemaakte facturen met geen enkele levering noch dienstprestatie overeenstemmen en dat hij ook geen enkele som heeft ontvangen, is dan ook niet relevant en kan de opeisbaarheid van de BTW niet verhinderen.

Aangezien eiser tijdens het onderzoek verder nooit heeft ontkend dat de kwestieuze facturen door hem zijn opgemaakt geworden en aangezien de facturen uit zijn boekhouding en de facturen teruggevonden in de boekhouding van zijn leveranciers hetzelfde handschrift vertonen, was er voor verweerder geen enkele aanwijzing om te twijfelen aan de juistheid van de facturen die werden teruggevonden bij de afnemers van eiser en die door eiser 'als voldaan' werden afgetekend,

Verweerder heeft dan ook terecht aangenomen dat de kwestieuze facturen met de werkelijkheid overeenkwamen en dat zij door eiser zijn opgesteld geworden waardoor hij in toepassing van artikel 51, § 1, 3° W.BTW, van rechtswege schuldenaar is geworden van deze BTW.

3.2.3. Verder is er ook geen reden om de behandeling van deze zaak op te schorten (art. 4, 1ste lid VTSV) aangezien uit de voorliggende stukken niet blijkt dat eiser klacht met burgerlijke partijstelling zou hebben neergelegd lastens opstellers van de zogezegde valse facturen.

3.2.4. Voor het intreden van de verjaring op 31 december 2002 heeft eiser via zijn faxberichten van 3 en 16 december 2002 ondubbelzinnig te kennen gegeven afstand te willen doen van de verlopen termijn van verjaring over de sommen die het voorwerp uitmaken van het bestreden dwangbevel. De verjaring werd derhalve rechtsgeldig gestuit conform artikel 2244 e.v. B.W. en artikel 83 W.BTW.

3.3. nopens de kosten

Eiser wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet hij de gerechtskosten dragen.

3.4. nopens de uitvoerbaarheid bij voorraad

Nu de vordering ongegrond wordt bevonden, moet de vraag tot voorlopige ten uitvoerlegging geacht worden zonder voorwerp te zijn.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk en ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op … EUR geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op éénentwintig februari tweeduizend en vijf.

Aanwezig zijn :

H. N., alleenrechtsprekend rechter

L. N., e.a. adjunct-griffier

N. L. N. H.