Paiement de l'impôt, disposition pénale, amende administrative, poursuite, instance · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Hasselt 22 novembre 2012

Rechercher
Texte en néerlandais

Paiement de l'impôt, disposition pénale, amende administrative, poursuite, instanceTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/paiement-impot-disposition-penale-amende-tribunal-hasselt-2012-11-22-7e82

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Hasselt
Date
22 novembre 2012

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

61 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Hasselt du 22.11.2012

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DE BURGERLUKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER A, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

IN ZAKE A.R. nr. 11/678/A

C. B., geboren op …, en diens echtgenote S. S., geboren op …, samenwonende te …, ….

eisers,

vertegenwoordigd door mr. J. J. loco mr. V. B. D., advocaat te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, in de persoon van de gewestelijke Directeur van de BTW-directie te Hasselt, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 40.

verweerder,

vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigde de heer V. R., dienstdoend eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur verbonden aan de gewestelijke directie van de BTW te Hasselt.

VOLGT HET VONNIS

Gelet op :

- het verzoekschrift op tegenspraak dat neergelegd werd ter griffie van deze rechtbank op 15.02.2011, met aangehecht een afschrift van het proces-verbaal van 31.08.2010;

- de besluiten, synthesebesluiten en stukken van eisers;

- de conclusies, tweede conclusies, synthesebesluiten en stukken van verweerder.


I. FEITEN EN VOORGAANDEN

Eisers hebben in de jaren 2004 tot en met 2006 een appartementsgebouw opgericht in de … te …. Naar aanleiding van de oprichting en ingebruikname van dit gebouw dienden eisers op 27.09.2007 een op 18.09.2007 ondertekende BTW-aangifte in (zie stuk 1, bundel verweerder).

Na controle van deze BTW-aangifte werd er bij brief van 25.10.2010 een correctieopgave overgemaakt aan eisers (zie stuk 2, bundel verweerder). In de correctieopgave werd gesteld dat in het BTW-dossier van eisers facturen terug te vinden waren van de vennootschappen P. en F. dewelke vals bleken. Op basis van art. 51bis, § 4 W.BTW werd er een BTW vordering gesteld.

De raadsman van eisers liet bij brief van 22.04.2010 weten dat zij eisers niet akkoord gingen met de correctieopgave (zie stuk3, bundel verweerder).

Bij aangetekend schrijven 31.05.2010 weerlegde verweerder de argumenten van eisers en stelde hij dat de oorspronkelijke BTW-vordering behouden bleef (zie stuk 4, bundel verweerder).

Aangezien er geen akkoord kon bereikt worden tussen eisers en de administratie, werd op 31.08.2010 een proces-verbaal opgesteld, dat diezelfde datum per aangetekend schrijven ter kennis gebracht werd aan eisers (zie stuk 6, bundel verweerder).

Uit dit proces-verbaal blijkt dat de hierna volgende bedragen verschuldigd is :

- … euro BTW;

- … euro geldboete in toepassing van art. 70, § 1 W.BTW;

- moratoire intresten toepassing van art. 91, § 4 W.BTW.

Op basis van het opgestelde proces-verbaal werd er op 06.09.2010 een betalingsbericht overgemaakt aan eisers.

Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 15.02.2011 stelden eisers een vordering in rechte in.

II. BEOORDELING

1. Ontvankelijkheid

Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

2. Ten gronde

2.1. Art. 51bis, § 4 W.BTW

1. De administratie baseert haar BTW-vordering op art. 51bis, § 4 W.BTW op grond waarvan een belastingplichtige hoofdelijk gehouden is de belasting te voldoen met de persoon die er krachtens art 51, § 1 en § 2 schuldenaar van zijn, als hij o het tijdstip waarop hij een handeling heeft verricht wist of moest weten dat de betaling van de belastingen niet werd gedaan of zou worden gedaan met de bedoeling de belasting te ontduiken.

Art. 51 bis, § 4 W.BTW werd ingevoerd bij wet van 20 juli 2006, B.S. 28 juli 2006.

Eisers zijn van oordeel dat de administratie zich niet kan baseren op art. 51, § 4 W.BTW om tot heffing over te gaan nu de facturen en de werken in kwestie dateren van 2004 en 2005, zijnde van een tijdstip dat het artikel in kwestie nog niet van toepassing was.

Verweerder is van oordeel dat art. 51, § 4 W.BTW enkel de bedoeling heeft om de invordering van de belasting te verzekeren en iet het belasten van een nieuwe categorie van verrichtingen, handelingen of feiten, zodat niets belet dat dit artikel ook van toepassing kan zijn op handelingen uit het verleden.

2. De rechtbank stelt vast dat art. 51bis, § 4 W.BTW nog niet in werking getreden was op het ogenblik dat de belastbare handelingen werden gesteld.

Op het ogenblik van de facturatie was er immers geen hoofdelijke gehoudenheid in hoofde van de bouwheer zoals voorzien in art. 51bis, § 4 W.BTW van toepassing. Art. 51 bis, § 4 W.BTW pas werd ingevoerd bij wet van 20 juli 2006, B.S. 28 juli 2006.

Verweerder verwijst naar een arrest van het Hof van Cassatie van 21.02.2003 waarin gesteld wordt dat een nieuwe wet niet alleen van toepassing is op toestanden die na de inwerkingtreding ontstaan, maar ook op toekomstige gevolgen van onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of die voortdurend onder vigeur van de nieuwe wet voor zover die toepassing geen afbreuk doen aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten.

Deze cassatierechtspraak is evenwel niet van toepassing op het voorliggend dossier.

De hoofdelijke gehoudenheid is pas ingevoerd bij wet van 20 juli 2006 en is geenszins te beschouwen als een toekomstig gevolg van onder de vroegere wet ontstane toestand.

De vordering van eisers is derhalve gegrond.


Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art. 13 en 14).

Partijen ter zake standpunt ingenomen.

In casu wordt de in het proces-verbaal gestelde fiscale vordering betwist.

Deze vordering is in geld waardeerbaar en de rechtbank bemerkt geen enkele reden om af te wijken van het basisbedrag.


De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.


Dispositif

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk en gegrond.

Stelt dat de BTW-vordering in hoofdsom, geldboete en interesten gesteld in het proces-verbaal van 31.08.2010 ongegrond is.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding, vereffent in hoofde van eisers op … euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer A, op het gerechtshof te Hasselt op 22.11.2012, alwaar aanwezig waren :

Mevrouw M. C., enige rechter, en

De Heer L. P., griffier.

L. P. M. C.