Ordre de recouvrement, Requête en degré d’appel · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Gand 4 janvier 2022

Rechercher
Texte en néerlandais

Ordre de recouvrement, Requête en degré d’appel

https://juriel.be/fr/jurisprudence/ordre-recouvrement-requete-degre-prejudice-cour-appel-gand-2022-01-04-1ffc

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Gand
Date
4 janvier 2022

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

109 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d’appel de Gand du 04.01.2022

WF 714-15-20/056029

[Favorable à l’Etat belge]

Taxe sur la valeur ajoutée – Ordre de recouvrement – Requête en degré d’appel – Préjudice aux intérêts – Nullité de l’acte d’appel

Dispositions légales

Article 1057, 1er alinéa, 7° du Code Judiciaire

Résumé

1- Les antécédents de procédure

L’assujettie à la TVA avait introduit une action en justice auprès du tribunal de première instance dans laquelle elle s'opposait à l'ordre de recouvrement de la TVA émis à son encontre pour défaut de dépôt de déclarations-TVA et pour défaut de paiement. Dans son jugement, le tribunal a estimé que la demande de l’assujettie était recevable mais non fondée. Le contribuable a fait appel de ce jugement.

2- L’arrêt de la cour d’appel

Comme le soutenait l'administration, la requête en degré d’appel est nulle et non avenue. En effet, elle ne contient aucun motif et aucun grief. Selon l'art. 1057, 1er alinéa, 7°, du Code judiciaire, l'acte d'appel doit, à l'exception du cas où l'appel est formé par conclusions, contenir, à peine de nullité, l'énonciation des griefs.

Comme le soutient l'administration, cette méconnaissance de l'article 1057, 1er alinéa, 7°, du Code judiciaire nuit ses intérêts dans cette présente affaire. En effet, l'administration ne peut pas de cette manière savoir sur quel point du jugement contesté l’assujettie est en désaccord de sorte qu'elle ne peut pas se défendre. A cet égard, l’administration soutient qu'il est de son plus haut intérêt d’une part de pouvoir développer une argumentation dans le cadre de sa défense et d’autre part de pouvoir examiner dans quelle mesure l’assujettie peut étendre sa demande initiale à de nouveaux griefs.

L’absence de motivation dans l’acte d’appel de l’assujettie porte donc indéniablement atteinte aux intérêts de l'administration.

La Cour d'appel juge que l'administration démontre à suffisance que l'absence de motivation et de griefs dans l'acte d'appel porte atteinte à ses intérêts. L'exception de nullité est dès lors fondée. L'appel principal est nul et non avenu.

Texte de l’arrêt

L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Arrest van het Hof van beroep te Gent van 4 januari 2022

Rol: 2021/AR/1736

In de zaak van:

MT.DC. B.V.B.A., ON 045...68, met maatschappelijke zetel te ..., appellante, hebbende als raadsman mr. ..., advocaat te ...

tegen

BELGISCHE STAAT, ON 0308.357.159 Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal - Directeur KMO Centrum Kortrijk, met burelen te 9050 LEDEBERG, Gaston Crommenlaan 6 bus 762, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. ... advocaat te ...

wijst het hof het volgend arrest:

De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift van 30 september 2021 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, tiende kamer, op 18 mei 2021 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 20/2290/A, waarvan niet blijkt dat het zou zijn betekend.

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 7 december 2021, waarna het debat werd gesloten.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De appellante heeft voor de eerste rechter een vordering ingesteld waarmee ze zich verzette tegen het invorderingsorder dat inzake de btw tegen haar was opgemaakt onder referentienummer 500.221.669.325.

In het vonnis van 18 mei 2021 heeft de tiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg West­ Vlaanderen, afdeling Brugge geoordeeld dat de vordering van de appellante ontvankelijk maar ongegrond was.

De appellante werd veroordeeld tot het dragen van de gerechtskosten van de eerste aanleg, maar die kosten werden op nul euro vastgesteld.

Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

3. De vorderingen van de partijen

3.1. De vordering van de appellante

In de akte van het hoger beroep van de appellante wordt geen vordering geformuleerd.

De advocaat van de appellante is op de openbare terechtzitting van 7 d ecember 2021 verschenen en heeft verklaard zich naar de wijsheid van het hof te gedragen.

3.2. De vordering van de geïntimeerde

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

In hoofdorde

Het verzoekschrift tot hoger beroep nietig te verklaren;

In ondergeschikte orde:

Het verzoekschrift tot hoger beroep onontvankelijk te verklaren;

In alle gevallen:

Het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen en de bestreden aanslagen te bevestigen.

Appellante tot de kosten van het hoger beroep te veroordelen, zijnde het maximumbedrag van de rechtsplegingsvergoeding: 2.400,00 EUR doch minstens het basisbedrag: 1.080,00 EUR.

4. De betwistingen en hun beoordeling

De beroepsakte is, zoals door de geïntimeerde aangevoerd, nietig. Ze bevat immers geen enkele motivering, noch grief.

Artikel 1057, lste lid, 7° Ger.W. luidt als volgt:

“Met uitzondering van het geval waarin het hoger beroep bij conclusies wordt ingesteld, vermeldt de akte van hoger beroep, op straffe van nietigheid:

[ ...]

7° de uiteenzetting van de grieven

[...].”

Een beroepsakte, zoals hier, die alleen de naam en identificatiegevens van de partijen en de datum en het rolnummer van het bestreden vonnis vermeldt en verder slechts melding maakt van de plaats en datum en het uur waarop bij de inleiding moet verschenen worden, voldoet niet aan de vereiste die erin bestaat de 'uiteenzetting van de grieven' weer te geven.

Zoals de geïntimeerde aanvoert, houdt die miskenning van artikel 1057, 1ste lid, 7° Ger.W. in het concrete geval een schending van zijn belangen in. De geïntimeerde kan op die manier immers niet weten op welk vlak de appellante het oneens is met het bestreden vonnis, waardoor hij zich niet kan verweren. De geïntimeerde stelt in dat verband meer bepaald het volgende: Die wettelijke verplichting is voor verweerder van kapitaal belang om enerzijds een argumentatie ter verdediging te kunnen opbouwen dan wel om te kunnen onderzoeken in welke mate appellante haar oorspronkelijk verzoek zal kunnen uitbreiden met nieuwe bezwaren. Het ontbreken van middelen vanwege verzoekster schaadt in casu aldus ontegensprekelijk de belangen van geïntimeerde.

De geïntimeerde moet daarin gevolgd worden: hij toont afdoende aan dat het gebrek aan motivering en grieven in de beroepsakte zijn belangen schaadt.

De exceptie van nietigheid is dan ook gegrond: het principaal hoger beroep is nietig.

5. De gerechtskosten

De appellante wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten in hoger beroep dragen.

5.1. Wat het rolrecht betreft

Het rolrecht is vrijgesteld (belastingen (art. 162, 4° + 279/1 Wb.Reg.)).

5.2. Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft

De vordering in hoger beroep is in geld waardeerbaar. De rechtsplegingsvergoeding wordt geïndexeerd op datum van de uitspraak (vandaag). De waarde van de vordering bevindt zich in de schijf van 5.000,01 tot 10.000,00 euro.

De geïntimeerde vraagt om af te wijken van het basisbedrag. Hij vraagt immers om een rechtsplegingsvergoeding van 2.400,00 euro op te leggen.

Na indexatie is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 1.170,00 euro.

In alle redelijkheid moet worden aangenomen dat de behandeling van de zaak niet meer tijd gevergd heeft dan gemiddeld. Dat de zaak opnieuw geactiveerd moest worden en dat de invorderingsprocedure moest opgeschort worden, zijn geen elementen die betrekking hebben op de wijze waarop het verweer van de geïntimeerde kan of moet worden gevoerd. In wezen heeft de geïntimeerde in conclusies kunnen verwijzen naar de feiten en eenvoudige middelen ontwikkelen tot afwijzing van het hoger beroep.

Er is geen reden om af te wijken van het basisbedrag.

De appellante is voor de procedure in hoger beroep aan de geïntimeerde een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd van 1.170,00 euro.

Dispositif

BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak; Het hof beslist als volgt:

• het principaal hoger beroep is nietig;

• het bestreden vonnis wordt bevestigd.

• het hof veroordeelt de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt:

- aan de kant van de appellante (maar te haren laste blijvend):

• bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 20,00 EUR

- aan de kant van de geïntimeerde:

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 1.170,00 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 4 januari 2022.

Aanwezig: ....

Ondertekening

Décision jointe par le SPF

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg

Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer

Vonnis van 18/05/2021

Rol: 20/2290/A

MT.DC. bv (KBO: 045...68), met vennootschapszetel ..., hebben als zaakvoerster mevrouw ..., woonachtig op hetzelfde adres, eisende partij, die niet verschijnt noch iemand voor haar

tegen

de BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoren gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal van het Centrum KMO KORTRIJK, met kantoor te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31, verwerende partij, voor wie optreedt de heer X, adviseur en de heer Y, attaché, (ref.: ...).

I. RECHTSPLEGING.

Gelet op het tegensprekelijk verzoekschrift de dato 5.10.2020.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Verweerder werd gehoord in zijn middelen in de openbare terechtzitting van 20.04.2021.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK.

2.1. Eiseres verzet zich tegen het invorderingsorder BTW gemaakt onder het refertenummer 500...25. Het nog openstaand saldo van die belastingschuld is het onderwerp van huidige vordering.

2.2. Eiseres vraagt dat de opgelegde geldboetes en belastingen worden kwijtgescholden of verminderd en dat de kosten lastens verweerder worden gelegd.

2.3. Verweerder vraagt dat de vordering onontvankelijk wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.

III. BEOORDELING.

3.1. nopens de nietigheid.

Titel V bis van boek Il van het vierde deel van het Gerechtelijk Wetboek, met uitzondering van de artikelen 1034ter en 1034quater, is van toepassing op het tegensprekelijk verzoekschrift in belastinggeschillen (artikel 1385 decies, tweede lid Ger.W.}. Bij gebrek aan vermelding van de middelen kan het verzoekschrift niet nietig worden verklaard.

3.2. nopens de grond.

Naar aanleiding van de fiscale controle van het boekjaar 2016-2017, werd op 16.12.2019 een correctieopgave opgesteld. Deze minnelijke schikking is op voorhand besproken en voorgelegd ter afronding van de controle. De voorgestelde schikking bevatte 4 regularisatierubrieken waarvan eigenlijk 2 de totale ingevorderde BTW vertegenwoordigen. Eisende partij heeft zich op 16.12.2019 hiermee akkoord verklaard. In huidig verzoekschrift wordt geen enkel argument ten gronde vermeld om de goedgekeurde en ondertekende schulderkenning te betwisten.

3.3. nopens de kosten

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, pte lid van het gerechtelijk wetboek moet zij de gerechtskosten dragen. Aangezien verweerder niet bijgestaan is door een advocaat, heeft hij geen recht op een rechtsplegingsvergoeding en zijn de gerechtskosten in hoofde van verweerder onbestaande.

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend. Verklaart de vordering ontvankelijk en ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op 0,00 EUR.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg West­ Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op DINSDAG ACHTTIEN MEI TWEEDUIZEND EENENTWINTIG waar zitting hadden: ...

Ondertekeningen