Location immeuble, Déduction · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Luxembourg 7 février 2002

Rechercher
Texte en néerlandais

Location immeuble, Déduction

https://juriel.be/fr/jurisprudence/location-immeuble-deduction-tribunal-luxembourg-2002-02-07-5259

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Luxembourg
Date
7 février 2002

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

60 paragraphes

Corps de la décision

Jugement du Tribunal de Première Instance de Gand dd. 07.02.2002

Location immeuble - Déduction

Un assujetti à la TVA/personne physique fait construire un bâtiment dans le cadre de son activité économique. Par après, l'assujetti apporte son activité à une société de personnes à responsabilité limitée et met le bien à disposition de cette S.Personnes.R.L. contre paiement. De ce fait, la TVA déduite initialement devait faire l'objet d'une révision. La transaction amiable que l'assujetti a signée à cet effet était valable et il ne peut revenir sur les termes de celle-ci, sauf en cas d'erreur de fait ou de droit, ou pour cause de vice du consentement.

Zesde kamer

Alleenzetelend rechter: Dhr. De Backer J.

Griffier: Dhr. De Temmerman J.

Partij: Van Vynck Carlos t. De Belgische Staat

1. RECHTSPLEGING

Gelet op de inleidende dagvaarding d.d. 26 december 1985 voor de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde.

Gelet op het vonnis d.d. 8 maart 1988 (AR 40.685) van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde houdende verwijzing van de zaak aanhangig gemaakt bij dagvaarding d.d. 26 december 1985, naar de rechtbank van eerste aanleg te Gent.

Gelet op de inleidende dagvaarding d.d. 31 december 1985 voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent.

De rechtbank neemt kennis van de dossiers van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde stukken.

De partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 10 januari 2002, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

2. DE VORDERING

Eiser vraagt dat de zaken AR. 940/88 en AR. 54/86 worden samengevoegd, dat verweerder wordt veroordeeld om te betalen de som van 675.098 frank (16.735,24 EUR), meer de gerechtelijke rente vanaf 26/12/1985 tot op de datum van de volledige betaling, dat verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.

Verweerder vraagt eveneens de samenvoeging en vordert dat de vordering onontvankelijk minstens ongegrond wordt verklaard, dat eiser wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.

3. FEITEN EN GESCHIL

Eiser is fabrikant en aannemer van serrebouw en in die hoedanigheid BTW belastingplichtige.

Eiser ging in het kader van de uitoefening van zijn bedrijf in de loop van 1979 over tot de bouw van een fabrieksruimte te Aalter. De BTW door hem verschuldigd aan zijn leveranciers werd op regelmatige wijze betaald en in aftrek gebracht (art. 45 W.BTW).

Op 31/3/1979 diende eiser een aangifte van stopzetting in, daar hij de firma C. had opgericht die zijn activiteiten zou verder zetten.

Op 1/4/1979 werd tussen eiser (zaakvoerder van de PVBA) en de PVBA C. een overeenkomst afgesloten waarbij eiser beroepslokalen O.M toonzaal en fabricageruimte ter beschikking stelde van de PVBA mits een maandelijkse vergoeding van 80.000 frank (1983,15 EUR) + BTW.

Er werd bedongen dat de PVBA niet het uitsluitend genot bezit en dat eiser er «persoonlijk mag in vertoeven om er zijn persoonlijke bedrijvigheid in uit te oefenen» (stuk 3, stukken verweerder) op 29/10/1979 herneemt eiser zijn activiteit en laat zijn BTW dossier heropenen.

Naar aanleiding van een BTW toezicht voor de periode van 1 januari 1979 tot en met 31 december 1980 vorderde de BTW administratie 5/7 van de afgetrokken BTW terug, dit werd opgenomen in een minnelijke regularisatieopgave welke op 24/11/1981 door eiser voor akkoord werd ondertekend (stuk 1, stukken verweerder):

«Daar de terbeschikkingstelling van de fabrieksruimte buiten de werkingssfeer van de BTW valt, is geen BTW aftrekbaar voor de fabrieksruimte. Voor de toonzaal is de BTW echter wel aftrekbaar. Voor de facturen waar geen onderscheid is te maken tussen fabrieksruimte en toonzaal wordt het niet aftrekbare gedeelte op 5/7 geraamd.»

De vastgestelde verschuldigde BTW bedroeg 687.166 frank (17.033,16 EUR), de geldboete 10.000 frank (247,89 EUR), onverminderd de wettelijke intresten verschuldigd vanaf 21/1/1981.

Eiser betaalde zonder voorbehoud alle verschuldigde sommen.

Thans stelt eiser dat deze terugvordering ten onrechte gebeurde, dat de minnelijke inregelstelling steunde op een foutieve interpretatie van de stukken, dat de werkzaamheden volledig werden uitgevoerd in het kader van de beroepsactiviteit van eiser.

Verweerder betwist de vordering verwijzende naar de op 24/11/1981 ondertekende minnelijke inregelstelling ter beëindiging van het geschil (dading), de betalingen zonder voorbehoud, het feit dat de terbeschikkingstelling van de fabrieksruimte dient beschouwd als onroerende verhuur, handeling die toendertijd buiten de werkingssfeer van de BTW viel.

4. BESPREKING M.b.t. de samenvoeging

Beide zaken betreffen identieke betwistingen, voorwerp en oorzaak zijn dezelfde.

Op vraag van de beide partijen kunnen de beide zaken dan ook worden samengevoegd.

Ten gronde

1. De betwisting beperkt zich tot de post I B (terbeschikkingstelling fabrieksruimte) van de voor akkoord ondertekende regularisatieopgave en betreft het recht op aftrek dat eiser met betrekking tot de oprichtingskosten van de fabrieksruimte kan doen gelden.

2. Eiser houdt voor dat de minnelijke inregelstelling steunt op een vergissing m.n. een foutieve interpretatie van de stukken.

Eiser stelt dat de terbeschikkingstelling van een gedeelte van het gebouw (fabricageruimte) aan de PVBA het recht verleent een bepaalde beroepswerkzaamheid uit te oefenen (art. 18 § 1, 6° W.BTW) zodat de aftrek van de betaalde BTW diende toegestaan.

3. Een minnelijke inregelstelling kan worden beschouwd als een bekentenis van de belastingplichtige waarmee deze zijn akkoord betuigt met de vaststellingen gedaan door de administratie en de daarop verschuldigde belasting en derhalve gelden als element van bewijs ten voordele van diegene die er zich wenst op te beroepen.

De minnelijke inregelstelling van 24/11/1981 is krachtens art. 84 W.BTW, een compromis omtrent feitenkwesties waarvan de partijen, ter beëindiging van een geschil op onherroepelijke wijze de vaststelling aanvaarden.

De belastingplichtige behoudt steeds het recht om op het akkoord terug te komen, indien hij aantoont dat hij een dwaling in feite of in rechte heeft begaan of indien hij een ander wilsgebrek kan aantonen.

4. Eiser faalt in deze bewijslast.

5. De vraag stelt zich of eiser de fabrieksruimte al dan niet heeft bestemd voor handelingen die onderworpen zijn aan belasting.

Verweerder is van oordeel dat de terbeschikkingstelling van de fabrieksruimte een onroerende verhuur is die buiten de werkingssfeer van de BTW valt aangezien het essentieel voorwerp van de overeenkomst niet het recht is een handelsinrichting te exploiteren maar het genot van de inrichting.

De rechtbank stelt vast dat alhoewel de overeenkomst d.d. 1/4/1979 tussen eiser en de PVBA een clausule bevat waarin wordt gesteld dat eiser in het gebouw mag vertoeven om zijn persoonlijke bedrijvigheid uit te oefenen, deze clausule zonder voorwerp is wegens de stopzetting door eiser van zijn persoonlijke bedrijvigheid minstens tot 29/10/1979). Uit het door verweerder verricht onderzoek naar de feitelijke toestand blijkt dat de bedrijvigheid van eiser sedert 29/10/1979 beperkt is tot de tussenkomst bij de verkoop van tuinmeubelen.

Gelet op deze concrete feitelijke omstandigheden en het feit dat de fiscus niet enkel gebonden is aan de juridische kwalificatie welke partijen aan hun overeenkomst hebben gegeven, werd omtrent de feitelijke grondslagen een minnelijke inregelstelling opgemaakt waarbij eiser zich akkoord verklaarde met het feit dat in casu de terbeschikkingstelling van de fabrieksruimte een onroerende verhuur is, dat 5/7 van de ter beschikking gestelde ruimte fabrieksruimte is en dat 2/5 van de ter beschikking gestelde ruimte toonzaal is, waarvoor wel een recht op aftrek bestaat (art. 18 par. 1, 6° W.BTW).

Ten onrechte stelt eiser dat de minnelijke inregelstelling berust op een foutieve interpretatie van de stukken.

6. De feitelijke omstandigheden, nl. de ondertekening van de inregelstelling op 24/11/1981, de bevestiging van de inbreuken bij brief d.d. 2/12/1981, de betaling zonder voorbehoud van de verschuldigde bedragen, met een laatste betaling op 28/2/1983, en het verstrijken van een tijdspanne van 4 jaar vooraleer eiser tot het inzicht komt dat hij zich heeft vergist laten vermoeden dat eiser met volle inzicht gehandeld heeft en voldoende op de hoogte was van de problematiek en de grondslag van de voorgestelde regeling en nu het tegendeel niet wordt bewezen volledig geldig zijn toestemming verleende.

7. De minnelijke regeling moet als basis worden aanvaard van de belastingschuld.

Bijgevolg is art. 1377 B.W. evenmin van toepassing.

Dispositif

Op die gronden,

De rechtbank,

Rechtdoende op tegenspraak,

Melding makende dat de bepalingen van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd;

Alle meeromvattende of strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend;

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk en niet gegrond;

Veroordeelt de eiser tot de kosten van het geding tot dusver begroot als volgt:

aan de zijde van eiser:

dagvaardingskosten: 103,55 EUR en 89,37 EUR

rechtsplegingsvergoeding: 327,22 EUR

aan de zijde van verweerder:

rechtsplegingsvergoeding: 327,22 EUR.

Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts alle verhaal en zonder borgstelling.