Liste des clients passibles d'une amende · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Gand 24/246/A 24 mars 2026

Rechercher
Texte en néerlandais

Liste des clients passibles d'une amende

https://juriel.be/fr/jurisprudence/liste-clients-passibles-amende-identification-tribunal-gand-2026-03-24-c882

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Gand
Numéro de rôle
24/246/A
Date
24 mars 2026

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

68 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du tribunal de première instance de Gand du 24.03.2026 (24/246/A)

FIN 55083897

Liste des clients passibles d'une amende - Identification d'office des assujettis étrangers

Résumé

Résumé non fourni

Texte intégral

Corps de la décision

L'arrêt n'est disponible que dans la langue originale.

Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen

Afdeling Gent

Vonnis

6e burgerlijke kamer

24 maart 2026

Rolnummer: 24/246/A

IN DE ZAAK VAN:

cie1, vennootschap naar Bulgaars recht, met zetel te ..., ingeschreven in het Bulgaarse rechtspersonenregister onder het nummer ..., woonstkeuze doende bij haar raadsman,

eiseres, vertegenwoordigd door mr. Philippe RENIER in eigen naam en loco mr. Thijs DERMAUX, advocaten te 3500 Hasselt, Casterstraat 70 bus 1,

TEGEN:

De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, ON 0308.357.159, in de persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de adviseur-generaal van de algemene administratie van de Fiscaliteit, KMO Centrum Specifieke Materies - Beheer Team 1 en KMO Centrum Aalst - beheer Team 1, met kantoren te 9050 Ledeberg, Gaston Crommenlaan 6 respectievelijk bus 735 en bus 572,

verweerder, vertegenwoordigd door mr. Brecht HEIRMAN loco mr. Tine BRICOUT en mr. Carmenta DECORDIER, advocaten te 9041 Gent, Orchideestraat 61A,

BESLIST DE RECHTBANK ALS VOLGT

1. Rechtspleging

De rechtbank hoorde op de openbare terechtzitting van 24 februari 2026 partijen in hun argumenten. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam zij de zaak in beraad. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in. De rechtbank heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

2. Relevante feiten van het geschil en voorafgaande procedure

2.1.

Eiseres is een Bulgaarse vennootschap. Ze dient haar BTW-aangiften en haar aangiften in de vennootschapsbelasting in Bulgarije in.

2.2.

Eind 2021 voerde verweerder een fiscaal onderzoek lastens eiseres vermits er concrete en ernstige aanwijzingen waren dat eiseres in werkelijkheid vanuit België werden geleid.

Op 22 november 2022 maakte verweerder een proces-verbaal op waarin werd gesteld dat eiseres haar diensten vanuit België verricht. Als gevolg daarvan, had eiseres volgens verweerder Belgische BTW moeten aanrekenen en deze BTW moeten doorstorten aan de Belgische Staat. De BTW-schuld voor het kalenderjaar 2015 werd ingekohierd in een innings- en invorderingsregister d.d. 28 december 2022.

De BTW-schuld voor de kalenderjaren 2016 tot en met 2021 werd geformaliseerd in een proces-verbaal d.d. 25 oktober 2023.

Eiseres betwistte het standpunt van verweerder en leidde twee vorderingen in rechte in. Over de vordering m.b.t. het kalenderjaar 2015 heeft deze rechtbank en kamer op 2 oktober 2024 een eindvonnis uitgesproken (rolnummer 2022/2939/A). Tegen dat vonnis stelde eiseres hoger beroep in. De zaak is gekend onder het rolnummer 2025/AR/341. De pleitdatum is voorzien voor de zitting van 16 juni 2026. De vordering m.b.t. de kalenderjaren 2016 tot en met 2021 is voor deze rechtbank en kamer hangende. De pleitdatum is voorzien voor de zitting van 1 september 2026.

2.3.

Om een BTW-schuld te kunnen registreren vereist het invorderingsprogramma van verweerder dat een Belgisch BTW-nummer als identificatiekenmerk van de schuldenaar wordt ingevoerd. Bijgevolg kende verweerder ambtshalve een Belgisch BTW-nummer aan eiseres toe (...). Dit gebeurde met ingang van 1 november 2022.

Het voor invorderingsdoeleinden gecreëerde BTW-nummer werd door verweerder per vergissing 'actief' gemaakt, wat impliceert dat het werd gekoppeld aan indieningsverplichtingen ten aanzien van de Belgische BTW-administratie.

Gelet op het uitblijven van de indiening van BTW-aangiften en niet-indiening van een klantenlisting, werden automatisch zogenaamde bijzondere rekeningen gecreëerd waarbij boeten wegens niet-indiening verschuldigd werden gemaakt. Dit zou volgens verweerder niet gebeurd zijn indien bij de (ambtshalve) creatie van het BTW-identificatienummer het regime "NN" (niet-indiener) was toegekend, waarbij dit nummer niet gekoppeld is aan indieningsverplichtingen.

2.4.

Op 7 januari 2024 verzond verweerder aan eiseres een betaalbericht waarbij gevraagd werd om "het bedrag van € 3.000,00 binnen de 48 uur na ontvangst van deze brief te betalen op het rekeningnummer IBAN ... van de btw-Ontvangsten MECHELEN met vermelding van de volgende gestructureerde mededeling: ***500/2842/41904***". In de referte bovenaan op de brief wordt vermeld 'Boete niet-indiening klantenlisting' (zie stuk 5 van eiseres).

2.5.

Eiseres was het met het opleggen van voormelde boete van 3.000 EUR niet eens. Ze maakte de zaak bij deze rechtbank aanhangig door op 19 januari 2024 een verzoekschrift ter griffie neer te leggen.

3. Vorderingen van partijen

Eiseres vraagt in haar laatste besluiten aan de rechtbank om:

de vordering van verzoekster ontvankelijk en gegrond te verklaren;

dienvolgens,

· het betaalbericht d.d. 7 januari 2024 nietig te verklaren, en

· te zeggen voor recht dat verzoekster geen boete verschuldigd is;

in ieder geval,

· de Belgische Staat te veroordelen tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, thans begroot op 15.697,67 euro, zijnde het maximumbedrag voor niet in geld waardeerbare vorderingen cf. artikel 1022 Ger. W. juncto het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007.

Verweerder vraagt in zijn laatste besluiten aan de rechtbank om:

De vordering van eiseres onontvankelijk te verklaren, minstens ongegrond in al haar onderdelen,

Eiseres te veroordelen tot de kosten, aan de zijde van concluant begroot op het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 1.020,35 EUR.

Ondergeschikt, en slechts in de mate deze rechtbank zou oordelen dat de vordering van eiseres wel degelijk in bepaalde mate gegrond zou kunnen worden verklaard, dient te worden vastgesteld dat concluant hoogstens tot 1/4 van de basisrechtsplegingsvergoeding in deze zaak kan worden gehouden (KB van 26 oktober 2007, art.1, laatste lid), zijnde 255,09 EUR.

Minstens dient het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding in voorkomend geval te worden herleid tot het wettelijk voorziene minimum van 588,66 EUR, gelet op het kennelijk onredelijk karakter van de situatie en de zeer beperkte complexiteit van de zaak.

4. Beoordeling door de rechtbank

Op de openbare terechtzitting van 24 februari 2026 verklaarden beide partijen dat verweerder de 'Boete niet-indiening klantenlisting' van 3.000 € na het neerleggen van het inleidende verzoekschrift op 19 januari 2024 ambtshalve heeft geannuleerd.

Bijgevolg is het geding zonder voorwerp.

5. Gerechtskosten

5.1.

De gerechtskosten omvatten (i) de bijdrage aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand t.b.v. 24 EUR en (ii) de rechtsplegingsvergoeding. Deze vergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en de erelonen van de advocaat van de in het gelijkgestelde partij (artikel 1022, lid 1 van het Gerechtelijk Wetboek).

In toepassing van de artikelen 279 en 162,4° van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is geen rolrecht verschuldigd.

5.2.

Aangezien verweerder de boete pas na het neerleggen van het inleidende verzoekschrift heeft geannuleerd, komt het passend voor te zeggen voor recht dat elk van de partijen de eventuele kosten, gevallen aan de eigen zijde, definitief voor eigen rekening zal dragen, derwijze dat partijen uit dien hoofde aan elkaar niets meer verschuldigd zijn.

Dispositif

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK, recht doende OP TEGENSPRAAK,

Verwerpt alle meeromvattende en strijdige conclusies als niet ter zake dienend.

Stelt vast dat het geding zonder voorwerp is geworden.

Veroordeelt beide partijen elk tot hun eigen kosten. Zegt voor recht dat er derhalve geen gedingskosten te begroten zijn.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op dinsdag 24 maart 2026, waar aanwezig waren:

De heer Frank JACOBS, rechter, voorzitter van deze kamer, bijgestaan door mevrouw Aline CARTON, griffier.

(…)