Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Corps de la décision
Jugement du Tribunal de Première Instance d'Anvers dd. 07.11.2001
Limitation - Frais voiture - Preuve
Un assujetti à la TVA avait acheté une voiture qu'il considérait comme une camionnette. Il avait par conséquent déduit intégralement la TVA qu'il avait payée à l'achat. Initialement, le Ministère des Communications avait confirmé la qualification de camionnette. Cette qualification avait été toutefois remise en question à la suite d'une demande de renseignements ultérieure, étant donné que le véhicule n'aurait plus répondu aux nouveaux critères en ce domaine, à la suite de quoi l'Administration de la TVA avait limité le droit à déduction à 50%. Pour le tribunal, il est indubitable qu'en l'espèce, le véhicule avait été agréé à tort comme une camionnette et qu'il ne répondait pas aux critères à respecter pour être considéré comme tel. L'Administration de la TVA n'était donc pas liée par l'agréation initiale. En outre, l'assujetti à la TVA qui revendique le droit à une déduction totale de la TVA acquittée a la charge de prouver qu'il en remplit toutes les conditions.
A défaut, il n'est pas possible de lui accorder ce droit à une déduction totale.
1F kamer
Enig rechter: Dhr. P. Wolles
Griffier: Dhr. K. Beyers
Partij: Minnebo Hugo t. De Belgische Staat
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, o.m.:
-de inleidende dagvaarding, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder R. De Beckker te Antwerpen op 8 april 1997,
-de dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring, betekend door het ambt van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder J. Baelde van B. Van Kerckhoven , gerechtsdeurwaarder te Brussel op 17 augustus 1999,
-de besluiten van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 10 oktober 2001.
De vordering strekt ertoe verweerders te horen veroordelen tot teruggaaf van een bedrag van 112.986 BEF ten titel van nagevorderde B.T.W., te vermeerderen met de moratoire intresten voorzien in artikel 91 § 4 van het wetboek van B.T.W. vanaf 8 april 1997, en tot teruggaaf van een bedrag van 5601 BEF ten titel van B.T.W.-boete, te vermeerderen met de moratoire intresten voorzien in artikel 91 § 4 van het wetboek van B.T.W. vanaf 8 april 1997 en verweerders tevens te veroordelen tot de kosten van het geding.
In ondergeschikte orde strekt de vordering ertoe, alvorens verder recht te doen, een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.
Bij dagvaarding van 17 augustus 1999 heeft eiser een tussenvordering ingesteld, strekkende tot veroordeling van verweerder in tussenkomst en vrijwaring om tussen te komen in de zaak teneinde eiser te vrijwaren in feite en in rechte door te verklaren dat het voertuig Chrysler Voyager Crew Cab terecht werd gekwalificeerd als «lichte vrachtwagen» en verweerder te veroordelen te antwoorden op een vraag.
In subsidiaire orde strekt deze tussenvordering ertoe, in het onmogelijke geval dat verweerder in tussenkomst en vrijwaring zou moeten toegeven of indien de rechtbank zou achten dat verweerder in tussenkomst en vrijwaring een fout heeft begaan door een PV van «lichte vrachtwagen» op te stellen met betrekking tot de Chrysler Voyager Crew Cab, verweerder in tussenkomst en vrijwaring te veroordelen om de aldus door eiser geleden schade te vergoeden en bijgevolg verweerder in tussenkomst en vrijwaring te veroordelen tot 112.986 BEF en 5061 BEF in hoofdsom, meer de wettelijke verwijlintresten vanaf 8 april 1997 en de kosten van het geding.
Relevante feiten
Op 12 april 1994 kocht eiser een nieuw voertuig, zijnde een Chrysler Voyager Crew Cab met dubbele cabine, voor de prijs van 1.102.308 BEF + 225.973 BEF B.T.W.
Volgens het gelijkvormigheidsattest, het inschrijvingsbewijs bij de Dienst voor Inschrijvingen van Voertuigen (D.I.V.) en het keuringsbewijs betreft het een lichte vrachtauto.
Op 9 mei 1994 werd het voertuig Chrysler Voyager Crew Cab met dubbele cabine door het Ministerie van Verkeerswezen - Bestuur van het Vervoer - goedgekeurd als lichte vrachtwagen.
Op verzoek van de N.V. Chrysler Import Belgium bevestigde op 19 juni 1996 het Ministerie van Verkeerswezen - Bestuur van het Vervoer - dat, niettegenstaande dit voertuig slechts op 9 mei 1994 werd goedgekeurd als lichte vrachtwagen, deze erkenning reeds vanaf 1 februari 1993 effectief was.
Ingevolge een vraag om inlichtingen van de B.T.W.-administratie heeft het Ministerie van Verkeerswezen - Bestuur van het Vervoer - een onderzoek ingesteld en werd vastgesteld dat het voertuig Chrysler Voyager Crew Cab met dubbele cabine niet daadwerkelijk voldeed aan de opgelegde criteria zodat het Ministerie van Verkeerswezen vanaf 1 januari 1996 de goedkeuring van dit voertuig als lichte vrachtwagen heeft ingetrokken.
Naar aanleiding van een B.T.W.-controle op 5 juli 1996 stelde de B.T.W.-administratie dat dit voertuig een personenwagen betreft en geen bestelwagen zodat, op grond van artikel 45 § 2 van het wetboek van B.T.W., de aftrek van de betaalde B.T.W. op de aankoop van dit voertuig diende beperkt te worden tot 50% en dat aldus 112.986 BEF B.T.W. diende teruggestort te worden door eiser.
Bij schrijven van 5 september 1996 verklaarde eiser zich hiermede niet akkoord.
Op 8 januari 1997 heeft de B.T.W.-administratie een proces-verbaal opgesteld waarin vastgesteld werd dat het voertuig Chrysler Voyager Crew Cab met dubbele cabine werd ingeschreven als lichte vrachtwagen, terwijl niet alle daartoe gestelde voorwaarden vervuld waren.
Beoordeling
Betreffende het recht op volledige aftrek van B.T.W.
Krachtens artikel 45 § 2 van het wetboek van B.T.W. mag ten aanzien van de levering, de invoer en de intracommunautaire verwervingen van automobielen voor personenvervoer, daaronder begrepen de voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen, en ten aanzien van goederen en diensten met betrekking tot die voertuigen, de aftrek in geen geval hoger zijn dan 50% van de betaalde belasting.
De criteria, om uit te maken of een voertuig al dan niet zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kan dienen, zijn vastgesteld in aanschrijving nummer 10/1987, zoals gewijzigd door aanschrijving nummer 25/1990.
Deze aanschrijving maakt een onderscheid tussen personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen enerzijds, en lichte vrachtwagens anderzijds.
De criteria in deze aanschrijving zijn geldig voor de B.T.W., de inschrijvingstaks, de verkeersbelasting en voor het Ministerie van Verkeerswezen - Bestuur van het Vervoer (goedkeuring van de voertuigtypes en inschrijving). De criteria beogen in feite een betere omschrijving van het begrip «lichte vrachtwagen».
Op grond van deze criteria reikt het Ministerie van Verkeerswezen - Bestuur van het Vervoer - vanaf 1 januari 1988 de hierna vermelde processen-verbaal van goedkeuring uit, namelijk:
-processen-verbaal van goedkeuring van de reeks 4000 voor de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen, die, wat de B.T.W. betreft, onderworpen waren aan het tarief van 25% en die, wat de inschrijvingstaks betreft, binnen de werkingssfeer van deze taks vallen,
-processen-verbaal van goedkeuring van de reeks 1000 voor de lichte vrachtwagens, die onderworpen waren aan het normale B.T.W.-tarief van 19% (op het ogenblik van de aankoop 20,5%), en die buiten de werkingssfeer van de inschrijvingstaks blijven.
Volgens deze aanschrijving wordt voor de nieuwe voertuigen, waarvan de levering of invoer zich voordoet vanaf 1 januari 1988, het B.T.W.-tarief bepaald volgens deze criteria en in principe rekening houdend met de aard van het proces-verbaal van goedkeuring uitgereikt door het Bestuur van het Vervoer.
Verder bepaalt deze aanschrijving dat de beperking van het recht op aftrek van de B.T.W., krachtens artikel 45 § 2 van het wetboek van B.T.W., van toepassing is voor de voertuigen die dienen aangemerkt te worden als personenauto's, auto's voor dubbel gebruik of minibussen.
Zoals hierboven vermeld is de B.T.W.-administratie slechts in principe gebonden door het proces-verbaal van 9 mei 1994 van het Ministerie van Verkeerswezen - Bestuur van het Vervoer - waarbij het voertuig Chrysler Voyager Crew Cab met dubbele cabine als lichte vrachtwagen werd goedgekeurd.
Niettegenstaande het voertuig Chrysler Voyager Crew Cab met dubbele cabine slechts op 9 mei 1994 werd goedgekeurd als lichte vrachtwagen, heeft het Ministerie van Verkeerswezen - Bestuur van het Vervoer - bevestigd dat deze erkenning reeds vanaf 1 februari 1993 effectief was.
Aangezien eiser het voertuig op 12 april 1994 heeft aangekocht, was het voertuig op dat ogenblik reeds erkend als lichte vrachtwagen zodat de B.T.W.-administratie in principe dan ook gebonden was aan deze erkenning.
Het is ontegensprekelijk bewezen dat het voertuig Chrysler Voyager Crew Cab met dubbele cabine niet beantwoordde aan de criteria van voornoemde aanschrijving om als lichte vrachtwagen beschouwd te worden. Om deze reden heeft het Ministerie van Verkeerswezen - Bestuur van het Vervoer - vanaf 1 januari 1996 de goedkeuring van dit voertuig als lichte vrachtwagen dan ook ingetrokken.
Zoals hoger vermeld is de B.T.W.-administratie slechts in principe gebonden aan de erkenning van het voertuig als lichte vrachtwagen door het Ministerie van Verkeerswezen - Bestuur van het Vervoer - zodat de B.T.W.-administratie in casu niet gebonden is aan deze erkenning.
Het staat immers onomstotelijk vast dat het voertuig ten onrechte werd goedgekeurd als lichte vrachtwagen en dat het aldus niet beantwoordde aan de criteria om als lichte vrachtwagen beschouwd te worden zodat de B.T.W.-administratie dan ook niet gebonden is aan deze goedkeuring.
Bovendien dient opgemerkt te worden dat eiser, die zich beroept op het recht op volledige aftrek van B.T.W., de bewijslast heeft en hij dient dan ook het bewijs te leveren dat hij voldoet aan alle voorwaarden van het recht op volledige aftrek, bij gebreke waaraan het recht op volledige aftrek niet kan worden toegestaan.
Ongeacht de juridische waarde van aanschrijving nummer 10/1987, zoals gewijzigd door aanschrijving nummer 25/1990, heeft eiser dan ook de bewijslast dat het voertuig Chrysler Voyager Crew Cab met dubbele cabine uitsluitend en alleen voor goederenvervoer kan dienen, hetgeen hij op geen enkele wijze doet.
Terecht heeft de B.T.W.-administratie dit voertuig dan ook beschouwd als een voertuig dat zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kan dienen en werd, op grond van artikel 45 § 2 van het wetboek van B.T.W., de aftrek van de betaalde B.T.W. dan ook beperkt tot 50%.
Betreffende de schending van het beginsel van rechtszekerheid
De criteria, vastgelegd in de aanschrijving, zijn ongewijzigd van kracht gebleven en bovendien door de B.T.W.-administratie ongewijzigd geïnterpreteerd zodat het beginsel van rechtszekerheid dan ook niet werd geschonden.
Betreffende de schending van het vertrouwensbeginsel en de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht
De goedkeuring van het voertuig als lichte vrachtwagen door het Ministerie van Verkeerswezen - Bestuur van het Vervoer - kon niet leiden tot een gerechtvaardigd vertrouwen in hoofde van eiser dat de B.T.W.-administratie deze goedkeuring zou overnemen en dus de volledige aftrek van de B.T.W. zou aanvaarden, te meer daar de B.T.W.-administratie slechts in principe gebonden is door het proces-verbaal van goedkeuring.
Het vertrouwensbeginsel en de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht werden dan ook niet geschonden.
Betreffende de schending van het gelijkheidsbeginsel
Zoals hoger vermeld heeft de B.T.W.-administratie de criteria ongewijzigd geïnterpreteerd zodat het gelijkheidsbeginsel niet werd geschonden.
Betreffende de strijdigheid met het EG-recht
Niettegenstaande krachtens artikel 17.6 van de zesde B.T.W. richtlijn de Raad, uiterlijk binnen vier jaar te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn, dient te bepalen voor welke uitgaven geen recht op aftrek van de B.T.W. bestaat en niettegenstaande deze termijn reeds verstreken is zonder dat de Raad hieromtrent een regeling heeft bepaald, bepaalt dit artikel eveneens dat de Lid-Staten elke uitsluiting kunnen handhaven waarin hun wetgeving ten tijde van de inwerkingtreding van deze richtlijn voorzag totdat de hierboven bedoelde voorschriften in werking treden.
Bij gebreke aan inwerkingtreding van deze voorschriften kunnen de Lid-Staten bijgevolg elke uitsluiting handhaven waarin hun wetgeving ten tijde van de inwerkingtreding van deze richtlijn voorzag, zelfs na het verstrijken van deze termijn van vier jaar.
Bijgevolg blijft artikel 45 § 2 van het wetboek van B.T.W. geldig en is deze aftrekbeperking in geen geval in strijd met het EG-recht, nu artikel 17.6 van de zesde B.T.W. richtlijn uitdrukkelijk voorziet dat elke uitsluiting kan gehandhaafd worden.
Artikel 45 § 2 van het wetboek van B.T.W. is dan ook niet in strijd met het EG-recht zodat er dan ook geen enkele reden is om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.
Betreffende de vordering in tussenkomst en vrijwaring
De goedkeuring van het voertuig als lichte vrachtwagen door het Ministerie van Verkeerswezen - Bestuur van het Vervoer - bindt de B.T.W.-administratie slechts in principe, geeft dan ook geen recht op de volledige aftrek van de B.T.W. en kan dan ook niet leiden tot een gerechtvaardigd vertrouwen dat de volledige aftrek zou aanvaard worden.
Bijgevolg kan het Ministerie van Verkeerswezen - Bestuur van het Vervoer - dan ook niet verantwoordelijk gesteld worden als de B.T.W.-administratie de volledige aftrek niet aanvaardt.
Betreffende de uitvoerbaar verklaring bij voorraad
Conform artikel 92bis van het wetboek van B.T.W. schorsen de termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing zodat huidig vonnis dan ook niet uitvoerbaar bij voorraad kan verklaard worden.
Dispositif
OM DEZE REDENEN
DE RECHTBANK
Rechtdoende op tegenspraak.
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.
Verklaart de hoofdvordering toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.
Verklaart de vordering in tussenkomst en vrijwaring toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.
Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding tot op heden door verweerders op hoofdvordering begroot op 12.300 BEF rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op 13.200 BEF rechtsplegingsvergoeding en door verweerder in tussenkomst en vrijwaring begroot op 12.600 BEF en door de rechtbank ambtshalve vereffend op 13.200 BEF rechtsplegingsvergoeding.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.