Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 06.03.2008
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel - 36ste Kamer
A.R. 94/2311/A
- Fiscale Zaken : BTW
- op tegenspraak
- eindvonnis
In zake van :
De heer L. D. M., advocaat met kantoor te …, …, optredend in zijn hoedanigheid van curator van de NV A. V. I. E., failliet verklaard bij vonnis van de rechtbank van Koophandel van Brussel van 1 april 1997.
eisende partij,
vertegenwoordigd door Mr. L. D., advocaat te …, …
tegen :
De BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, registratie en domeinen op vervolging en benaarstiging van de heer eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Leuven, waarvan de burelen gevestigd zijn te 3000 Leuven, Strijdersstraat 63/90, die keuze van woonplaats heeft gedaan bij gerechtsdeurwaarder D. D. wiens studie gevestigd is te …, …
verwerende partij,
Vertegenwoordigd door Mr. A. D., advocaat te …, …
In deze zaak, in beraad genomen op 7/02/2008, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken :
Gelet op :
1. de dagvaarding, houdende verzet tegen dwangbevel inzake BTW, betekend op 18/02/1994;
2. de beschikking genomen in toepassing van art. 747, § 2 Ger. W. houdende de vaststelling van conclusietermijnen op 8/09/2006;
3. de conclusies, aanvullende conclusies en aanvullende conclusies van verweerder, neergelegd ter griffie van de rechtbank op respectievelijk 18/11/1994, 11/08/1995 en 5/04/2007;
4. de conclusies en tweede conclusies van eiser, neergelegd ter griffie op respectievelijk 30/06/1995 en 5/01/2007;
5. de verderzetting van het geding door curator L. D. M. namens oorspronkelijke eiseres;
Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 7/02/208, waarna twee bundels met de staving stukken van partijen werden neergelegd en de zaak in beraad werd genomen.
Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
1. FEITEN
Het geding heeft betrekking op een geschil inzake BTW-wetgeving.
NV A. en v. i. e. (hierna A.V.I.) was BTW-plichtige (BTW nr. …).
N.a.v. een door de diensten van verweerder uitgevoerde BTW-controle m.b.t. periode 1989 werd een proces-verbaal opgesteld op 12 januari 1994 op grond waarvan eiseres volgende sommen aan verweerder verschuldigd zou zijn :
BTW : … BEF
Boete : … BEF
Interest : p.m.
Op 10 februari 1999 vaardigde de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor Leuven een dwangbevel uit dat op 27 januari 1994 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard.
Dit dwangbevel werd bij exploot van gerechtsdeurwaarder D. D. aan eiseres betekend op 6 april 1999 met bevel tot betalen.
Eiseres dagvaardde verweerder in verzet voor de rechtbank van eerste aanleg van Brussel d.m.v. dagvaarding betekend op 18 februari 1994.
2. DE VORDERING
De vordering van eiseres beoogt het dwangbevel op 25/01/1994 uitgevaardigd door de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor Leuven, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer R. M., adjunct directeur van de BTW-administratie te Mechelen op 27/01/1994 te horen vernietigen en verweerder te horen veroordelen tot de terugbetaling van alle op grond daarvan ten onrechte geïnde bedragen.
De vordering beoogt tevens de veroordeling van verweerder tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.
3. BEOORDELING
3.1. Ontvankelijkheid
De vordering van eiseres werd ingesteld bij dagvaarding betekend op 18 februari 1994.
Verweerder betwist de ontvankelijkheid van de vordering van eiser niet.
Waar zich voor het overige geen ambtshalve op te werpen gronden van onontvankelijkheid aandienen, is de vordering van eiseres dan ook ontvankelijk.
3.2. Gegrondheid
Het geschil betreft een discussie over al dan niet verschuldigde BTW en speciale taks n.a.v. een door de bevoegde diensten van verweerder opgesteld proces-verbaal d.d. 12 januari 1994.
Geen van beide partijen geeft, ondanks lijvige conclusies, een duidelijk en beknopt overzicht van de redenen waarom een proces-verbaal werd opgesteld en waarom eisende partij de thans betwiste BTW verschuldigd zou zijn.
Uit het dossier blijkt dat de diensten van verweerder na controle een aantal vermeende onregelmatigheden vaststelden :
- onregelmatigheden inzake handelingen met ambassades en hun personeel;
- onregelmatigheden van de facturen betreffende de toepassing van art. 43 W.BTW. (geen bestelbonnen, onjuiste vermeldingen ... );
- afleveren van valse facturen aan bepaalde klanten/fictieve facturatie.
Op basis van die vaststellingen zou er volgens verweerder een hoofdsom aan BTW van … BEf door eisende partij verschuldigd zijn.
Daarnaast werd A. V.I. een boete opgelegd op grond van art. 70, § 1 W.BTW en art. 70, § 1bis W.BTW wegens niet-betaling en onrechtmatige aftrek van de belasting.
Tot slot zou eisende partij interesten verschuldigd zijn op voormelde sommen op grond van art. 91, § 1 W.BTW.
Eisende partij argumenteert dat :
1. het betwiste dwangbevel en het p.v. van 12 januari 1994 nietig zijn wegens schending van de taalwetgeving;
2. Artikel 84, W.BTW geschonden zou zijn inzake
3. het algemeen rechtsbeginsel van het tegensprekelijk debat en het respect van de rechten van de verdediging inzake geschonden zouden zijn;
4. het p.v. van 12 januari 1994 niet bewijskrachtig is omdat de aangestelden van verweerder zich niet zouden hebben laten leiden door hun eigen materiële vaststellingen en persoonlijke waarnemingen maar zich op een strafdossier zouden hebben gesteund;
5. de aankoopfacturen uitgeschreven door eisende partij regelmatig zijn;
6. art. 42, § 3 W.BTW nageleefd werd;
7. het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel (49° correctionele kamer) het vermeend gegrond karakter van de schuldvordering van de Belgische Staat vervat in het dwangbevel fundamenteel aantast;
8. de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie inzake het recht op BTW-aftrek bij fraude-carroussels niet uit het oog verloren mag worden.
M.b.t. de beweerde nietigheid van het dwangbevel en het proces-verbaal d.d. 12 januari 1994 wegens schending van de taalwetgeving.
Eisende partij stelt dat het dwangbevel inzake nietig zou zijn wegens schending van de taalwetgeving.
Eisende partij argumenteert dat wanneer de motivering van een dwangbevel verkeerd of onvolledig is het dwangbevel nietig is. Zij stelt voorts dat in een dwangbevel kan verwezen worden naar een proces-verbaal dat samen ermee wordt betekend, en dat in dergelijk geval het dwangbevel en het proces-verbaal een onafscheidelijk geheel vormen en het proces-verbaal de enige wettelijke basis van de vervolgingen ingesteld door de Staat vormt.
Volgens eisende partij steunt het proces-verbaal essentieel op inlichtingen geput uit strafdossiers geopend lastens mevrouw R. F. en mevrouw A. V. T., en worden vanaf bladzijde 2 tot en met bladzijde 14 van het proces-verbaal franstalige verklaringen en cijfers geciteerd die geput werden uit die strafdossiers.
Elders in het proces-verbaal wordt bovendien, aldus eisende partij, voortdurend verwezen naar de strafdossiers in kwestie. Voor een vennootschap die in het Nederlandse taalgebied gevestigd is dat onbegrijpelijk, nog steeds aldus eisende partij, en zou dit bovendien in strijd zijn met de wettelijke bepalingen inzake de taal wetgeving.
Eisende partij verwijst dienaangaande o.m. naar art. 13, § 1 en art. 58, eerste lid van de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken van 18 juli 1966.
Artikel 13, § 1 van de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken van 18 juli 1966 dat bepaalt dat :
"Iedere plaatselijke dienst, die in het Nederlandse of in het Franse taalgebied gevestigd is, stelt de akten, die particulieren betreffen, in de taal van zijn gebied"
Art. 58, eerste lid van de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken van 18 juli 1966 dat bepaalt dat :
"Zijn nietig alle administratieve handelingen en verordeningen, die naar vorm of naar inhoud, strijdig zijn met de bepalingen van deze gecoördineerde wetten".
Uit het proces-verbaal d.d. 14 februari 1994 blijkt dat in de redenering van de Fiscale Administratie waarmee geconcludeerd wordt dat eisende partij schuldenaar is van de gevorderde rechten, boete en interesten op een essentieel punt gebruik gemaakt van het Frans.
Alle verklaringen uit het gerechtsdossier waarop gesteund wordt, worden in het Frans overgenomen zonder vertaling en op het einde van de opsomming van verklaringen wordt dan een conclusie getrokken.
Het feitelijk bewijs waarop de Fiscale Administratie steunt wordt m.a.w. in het Frans weergegeven.
Zonder dit grote deel van het proces-verbaal dat in het Frans is gesteld wordt het proces-verbaal onverstaanbaar en mist het een logische en begrijpelijke motivering. (zie in die zin Antwerpen 26 februari 2004. bevestigd door Cassatie 1 december 2005, www.cass.be )
In die zin is het proces-verbaal en omdat er in het dwangbevel naar dit proces-verbaal verwezen wordt en erop wordt gesteund ook het dwangbevel niet in de Nederlandse taal opgesteld zoals wettelijk vereist in toepassing van de wetgeving op het gebruik der talen in bestuurszaken.
De rechtbank moet zodoende vaststellen dat het proces-verbaal en het dwangbevel nietig zijn wegens schending van de wetgeving op het gebruik der talen in bestuurszaken (zie voor een gelijkaardig geval Antwerpen 26 februari 2004, bevestigd door Cassatie 1 december 2005, www.cass.be ).
Nu een dwangbevel met een eraan gehecht proces-verbaal één geheel uitmaken en een bestuurshandeling vormen zijn zowel het proces-verbaal als het dwangbevel nietig.
De overige middelen van eisende partij dienen zodoende niet verder onderzocht te worden.
4. WAARDE VAN DE VORDERING EN GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDINGEN
De waarde of vordering situeert zich boven de … Euro.
Partijen verklaren ter zitting het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding te eisen. De rechtbank meent echter dat inzake kan worden overgegaan tot een verlaging van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding (zie het antwoord van de Minister van 26/02/2008 ParI. Vr. nr. 2112 van Mevrouw Schrijvers, ParI. St., CRIV, 52 COM 117,11).
Gelet op onder meer het feit dat de zaak reeds lang voor de inwerkingtreding van de door Wet van 21/04/2007 gewijzigde bepalingen van art 1022 Ger. Wb., bij de rechtbank aanhangig werd gemaakt beslist de rechtbank om billijkheidsredenen de toe te kennen rechtsplegingsvergoeding te herleiden tot … Euro
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,
Alle andersluidende en meeromvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond,
Veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten van het geding, begroot op € … rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van eisende partij.
Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 36ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 06 maart 2008.
Waar aanwezig waren en zitting namen :
De heer M. L., alleenrechtsprekend rechter
Mevrouw I. K., afgevaardigd adjunct-griffier.
I. K. M. L.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.