Exonération, Preuve, Export · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 16 novembre 2001

Rechercher
Texte en néerlandais

Exonération, Preuve, Export

https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-preuve-export-tribunal-anvers-2001-11-16-60f2

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
16 novembre 2001

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

75 paragraphes

Corps de la décision

Jugement du Tribunal de Première Instance d'Anvers dd. 16.11.2001

Exonération - Preuve - Export

L'assujetti à la TVA qui exporte des biens doit à tout moment posséder tous les documents établissant la réalité de l'exportation. Ces documents sont, entre autres, des bons de commande, documents de transport, documents de paiement et déclarations à l'exportation. La charge de la preuve pèse donc sur l'assujetti à la TVA et c'est à lui de prouver que toutes les conditions de l'exemption sont remplies, faute de quoi la TVA est due. Le fait que le vendeur dépende entièrement de l'acheteur n'est pas pertinent et ne lui donne aucunement le droit d'appliquer l'exemption s'il existe un doute sur le fait que les biens ont réellement été envoyés ou transportés en dehors de la Communauté.

1F kamer

Enig rechter: Dhr. P. Wolles

Adjunct-griffier: Dhr. Ph. Jano

Partij: Herald Estates n.v. t. De Belgische Staat

gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, o.m.:

-het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder J. Royer te Antwerpen op 7 december 1998;

-de conclusies voor verweerder, neergelegd ter griffie d.d. 20 juli 1999;

-de conclusie voor eiseres, neergelegd ter griffie d.d. 26 mei 2000;

-de aanvullende conclusies voor verweerder, neergelegd ter griffie d.d. 7 juli 2000;

-de aanvullende conclusie voor eiseres, neergelegd ter griffie d.d. 30 oktober 2000;

-de aanvullende conclusie voor eiseres, neergelegd ter griffie d.d. 1 december 2000;

-de tweede aanvullende conclusie voor verweerder, neergelegd ter griffie d.d. 14 december 2000;

gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken;

gelet op de rechtsmiddelen en argumenten van partijen ter zitting van 19 oktober 2001;

**

*

De vordering strekt ertoe het dwangbevel, uitgevaardigd op 29 juli 1998, te vernietigen en elke uitvoering ervan te verbieden, dienvolgens te zeggen voor recht dat eiseres de in het dwangbevel gevorderde sommen niet verschuldigd is, zowel wat de B.T.W. betreft als wat de boeten, kosten en intresten betreft, de teruggave te bevelen overeenkomstig het B.T.W.-wetboek van de ingehouden bedragen, in uiterst ondergeschikte orde de boete kwijt te schelden, minstens te verminderen, en verweerder tevens te veroordelen tot de kosten van het geding.

Relevante feiten

Naar aanleiding van een B.T.W.-controle bij eiseres werd een correctieopgave opgesteld die voor akkoord werd ondertekend door de Heer D. Ballon als gevolmachtigde van eiseres.

Hierdoor erkende de Heer D. Ballon op 28 januari 1998 dat eiseres de hierna volgende bedragen verschuldigd was, namelijk:

-B.T.W.: 3.306.354 BEF

-wettelijke intrest vanaf 21 januari 1997

-boete: 330.000 BEF.

Bij schrijven van dezelfde datum bevestigde de Heer D. Ballon dat hij de correctieopgave als volmachtdrager van eiseres had getekend, doch maakte hij voorbehoud indien de documenten binnen een redelijke termijn aan de administratie voorgelegd worden zodat dit herzien kan worden.

Bij schrijven van 3 februari 1998 antwoordde de administratie dat indien de nodige, wettelijk in orde zijnde documenten worden gevonden binnen de desbetreffende verjaringstermijn eiseres recht heeft op een herziening van de B.T.W. in haar voordeel.

Op 13 mei 1998 stelde de toenmalige raadsman van eiseres de firma SGS-Van Bree uitdrukkelijk in gebreke om binnen de 5 dagen de douanedocumenten over te maken voor de invoer en uitvoer van de goederen.

De firma SGS-Van Bree meldde echter dat zij niet meer over de gevraagde douanedocumenten beschikte omdat zij slechts als douane-expediteur is opgetreden waarop een bewaarplicht van 3 jaar rust voor douanedocumenten en dat zij «de (betrokken?) goederen in transit ontving» en dat deze goederen vervolgens werden geëxporteerd hetzij aan eiseres werden afgeleverd. Bovendien merkte de firma SGS-Van Bree op dat zelfs indien zij de bedoelde documenten diende bij te houden voor een langere termijn, dat ook op eiseres, en nog veel eerder, een wettelijke bewaarplicht rust.

Nadat het schrijven van de firma SGS-Van Bree aan de administratie was overgemaakt, meldde deze dat de stukken ter verantwoording van de vrijstelling nog steeds niet konden worden voorgelegd en dat het bewaren van deze stukken tot de verantwoordelijkheid van eiseres behoort.

Bij gebreke aan betaling door eiseres van de schuld voortvloeiend uit voornoemde correctieopgave werd voornoemd dwangbevel uitgevaardigd.

Beoordeling

Betreffende de nietigheid van het dwangbevel

Volgens eiseres kan niet worden uitgemaakt of het dwangbevel, dat aan haar werd betekend bij deurwaardersexploot op 1 september 1998, geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard door een terzake bevoegde ambtenaar aangezien diens machtiging niet blijkt uit het stuk zelf noch uit een daaraan gehecht stuk. Dit betekend dwangbevel is volgens eiseres dan ook nietig.

Krachtens artikel 85 § 1 van het wetboek van B.T.W. wordt het dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de administratie van de B.T.W., registratie en domeinen of door de door hem aangewezen ambtenaar.

Uit het delegatiebesluit van 17 november 1997 blijkt dat de eerstaanwezend inspecteurs bij een fiscaal bestuur diensthoofd van het controlekantoor Antwerpen 14 vanaf die datum gemachtigd zijn om de dwangbevelen te viseren en uitvoerbaar te verklaren.

Op het dwangbevel, dat aan eiseres werd betekend, werd uitdrukkelijk vermeld dat het geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard door A. Dieleman , eerstaanwezend inspecteur van de B.T.W. te Antwerpen 14, aangewezen door de gewestelijke directeur van de B.T.W., registratie en domeinen.

Het is bijgevolg ontegensprekelijk bewezen dat A. Dieleman gemachtigd was om het dwangbevel te viseren en uitvoerbaar te verklaren.

Geen enkele wettelijke bepaling vereist dat de machtiging moet blijken uit het afschrift van het dwangbevel of uit een daaraan gehecht stuk zodat het aan eiseres betekend afschrift van het dwangbevel dan ook rechtsgeldig is.

Betreffende de geldigheid van het akkoord

De administratie heeft zich uitdrukkelijk akkoord verklaard dat eiseres recht heeft op een herziening van de B.T.W. in haar voordeel indien de nodige, wettelijk in orde zijnde documenten worden gevonden binnen de desbetreffende verjaringstermijn.

Eiseres is dan ook niet gebonden door dit akkoord zodat het dan ook niet relevant is of de Heer D. Ballon de vereiste volmacht had om het akkoord te sluiten.

Betreffende de toepassing van artikel 39 § 1, 2° van het wetboek van B.T.W.

Krachtens artikel 39 § 1, 2° van het wetboek van B.T.W. zijn de leveringen van goederen die door of voor rekening van een niet in het binnenland gevestigde koper worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap vrijgesteld van belasting.

Artikel 39 § 3 van het wetboek van B.T.W. heeft aan de Koning opgelegd de voorwaarden te bepalen die voor het verkrijgen van de vrijstelling moeten worden nageleefd, hetgeen hij deed bij K.B. nummer 18 van 29 december 1992.

Indien de goederen door de niet in België gevestigde koper of voor zijn rekening worden afgehaald - zoals in casu het geval was via de douane-expediteur SGS-Van Bree - bepaalt artikel 6 van voornoemd K.B. nummer 18 dat de verkoper het bewijs van uitvoer moet leveren overeenkomstig artikel 3 van het K.B. nummer 18.

Krachtens artikel 3 van het K.B. nummer 18 dient eiseres als verkoopster van de goederen te allen tijde in bezit te zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de uitvoer blijkt en zijn deze stukken ondermeer bestelbons, vervoerdocumenten, betalingsstukken en de aangiften ten uitvoer.

Bijgevolg heeft eiseres de bewijslast van de vrijstelling en dient zij dan ook het bewijs te leveren dat zij voldoet aan alle voorwaarden van de vrijstelling, bij gebreke waaraan de belasting verschuldigd is.

Eiseres dient dan ook het bewijs van de regelmatige uitvoer te leveren door middel van een geheel van gebruikelijke en overeenstemmende handelsstukken waaruit de echtheid van de uitvoer blijkt waarbij elk bewijsstuk is toegelaten, doch waarbij geen enkel bijzonder stuk op zich voldoende of onmisbaar is; de opsomming van mogelijke bewijsstukken in artikel 3 van het K.B. nummer 18 is immers niet exhaustief.

De B.T.W.-administratie moet zich immers door middel van een sluitend geheel van bewijselementen kunnen vergewissen van het feit dat de goederen werkelijk het grondgebied van de Gemeenschap hebben verlaten.

Krachtens artikel 6 van het K.B. nummer 18 blijft eiseres verantwoordelijk voor de uitvoer van de goederen en bijgevolg voor de B.T.W. met betrekking tot de levering en is zij hiervan pas ontslagen wanneer zij kan bewijzen dat de goederen werkelijk werden uitgevoerd.

Eiseres, die zich beroept op de vrijstelling, heeft de bewijslast om aan te tonen dat zij voldoet aan de vrijstellingsvoorwaarde en dat de goederen bijgevolg werkelijk werden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap.

Bij gebreke aan dit bewijs is de administratie gerechtigd de vrijstelling te verwerpen ondanks het bestaan van verkoopfacturen naar de U.S.A. en ondanks de briefuitwisseling van de douane-expediteur SGS-Van Bree; er anders over oordelen zou immers de administratie elke werkelijkheid tot controle op het vervuld zijn van de vrijstellingsvoorwaarde ontnemen.

Het feit dat eiseres volledig afhankelijk is van de koper is niet relevant en verleent haar geenszins het recht om de vrijstelling toe te passen ingeval van twijfel dat de goederen werkelijk werden verzonden of vervoerd buiten de Gemeenschap.

Eiseres bewijst aan de hand van de verkoopfacturen naar de U.S.A. en aan de hand van de briefwisseling van de douane-expediteur SGS-Van Bree geenszins dat de goederen werkelijk werden uitgevoerd, ook niet door middel van feitelijke vermoedens.

Bijgevolg was de B.T.W.-administratie dan ook gerechtigd de vrijstelling te verwerpen zodat de belastingen dan ook verschuldigd zijn door eiseres.

Tot slot bepaalt artikel 19 van het K.B. nummer 18 dat door of vanwege de Minister van Financiën gehele of gedeeltelijke ontheffing van het opgelopen verval kan worden verleend indien ten gevolge van de niet-naleving van de in de vorige hoofdstukken voorgeschreven formaliteiten het voordeel van de vrijstelling verloren wordt.

Uit geen enkel element blijkt dat eiseres een dergelijk verzoek heeft gericht aan de Minister van Financiën zodat de rechtbank hieromtrent dan ook niet kan oordelen en er dan ook geen enkele reden is om verweerder te bevelen al deze niet-gepubliceerde beslissingen voor te leggen. Niettegenstaande eiseres mogelijk gedwongen werd verzet aan te tekenen tegen het dwangbevel, kon zij vanzelfsprekend eveneens een verzoek richten tot de Minister van Financiën op grond van artikel 19 van het K.B. nummer 18.

Betreffende de schending van de zesde B.T.W.-richtlijn

Men kan geenszins stellen dat de vrijstellingsvoorwaarden in artikel 39 § 1, 2° van het wetboek van B.T.W. en in K.B. nummer 18 dermate rigide zijn en in het economisch handelsverkeer onhaalbaar zijn zodat het recht op vrijstelling nagenoeg onmogelijk of overdreven moeilijk wordt gemaakt.

De vrijstellingsvoorwaarde dat eiseres het bewijs dient te leveren dat de goederen werkelijk werden verzonden of vervoerd buiten de Gemeenschap is immers een essentiële voorwaarde zonder dewelke fraude, misbruik en ongeoorloofde vrijstellingen zouden gestimuleerd worden die de belangen van de Gemeenschap ernstig zouden aantasten zodat deze voorwaarde dan ook redelijk is in verhouding tot het nagestreefde doel.

Eiseres kan deze vrijstellingsvoorwaarde bewijzen met alle middelen van het gemeen recht, uitgezonderd de eed, zodat deze voorwaarde dan ook niet strikt, doch integendeel ruim wordt toegepast.

Het feit dat de douane-expediteur slechts een bewaringsplicht heeft van 3 jaar is niet relevant, vermits eiseres krachtens artikel 60 § 1 van het wetboek van B.T.W. gehouden was de stukken, waaruit de echtheid van de uitvoer blijkt, gedurende 10 jaar te bewaren en zij deze stukken dan ook tijdig diende op te vragen.

De opgelegde voorwaarden zijn dan ook ontegensprekelijk verenigbaar met de zesde B.T.W. richtlijn en er is dan ook geen enkele reden om dienaangaande een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

Betreffende de boete

Ongeacht de bevoegdheid van de rechtbank om de opportuniteit van een administratieve sanctie te beoordelen, is de rechtbank van oordeel dat deze boete in verhouding staat met de gepleegde inbreuk en met de ernst van de feiten.

Er is dan ook geen enkele reden om de boete kwijt te schelden of te verminderen.

Betreffende de uitvoerbaarverklaring bij voorraad

Conform artikel 92bis van het wetboek van B.T.W. schorsen de termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing zodat huidig vonnis dan ook niet uitvoerbaar bij voorraad kan verklaard worden.

Dispositif

OM DIE REDENEN

De RECHTBANK

rechtdoende op tegenspraak,

alle andere en strijdige middelen verwerpend;

verklaart de vordering toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af;