Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'Appel de Bruxelles de 17.06.2010
Resumé non fourni
Texte de l’arrêt
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
HOF van BEROEP te BRUSSEL - Zesde fiscale kamer
Nr van de zaak : 2007/AR/3428
INZAKE VAN
De BVBA C. met maatschappelijke zetel te …, … KBO nummer …
Appellante
vertegenwoordigd door Meester D. B. loco Meester F. F. advocaat te …, …
TEGEN
De BELGISCHE STAAT, administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit sector BTW op vervolging en benaarstiging van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Halle waarvan de burelen gevestigd zijn te 1500 Halle Zuster Benardastraat 32
geïntimeerde
vertegenwoordigd door Meester B. loco Meester J. H., advocaat te …, …
Het hof na beraad spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit
EINDARREST – ongegrond
De procedurestukken
Gezien de procedurestukken en meer in het bijzonder
het afschrift van het vonnis van de zesendertigste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op tegenspraak gewezen op 7 september 2007 (A R nr. 2005/2088/A) vonnis dat werd betekend op3 december 2007
het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 31 december 2007.
De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt met betwist.
Het vonnis verklaarde de vordering van appellante ontvankelijk doch ongegrond.
Deze vordering strekte ertoe het dwangbevel op 10 februari 1999 uitgevaardigd door de heer L. R. waarnemend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor Halle geviseerd en uitvoerbaar verklaard door mevrouw I. V. D. S. eerstaanwezend inspecteur van de BTW-administratie te Ternat te horen vernietigen en geïntimeerde te horen veroordelen tot de terugbetaling van alle op grond daarvan ten onrechte geïnde bedragen.
I De feiten
Appellante is naar eigen zeggen een leverancier van traditionele Afrikaanse kwaliteitskledij. Zij is sedert 1 januari 1971 geregistreerd als BTW-plichtige.
Naar aanleiding van een door de administratie uitgevoerde BTW-controle met betrekking tot de periode lopende van 1 januari 1994 tot en met 31 december 1996 werd op 5 februari 1999 een proces-verbaal opgesteld waarin werd vermeld dat appellante de volgende sommen aan geïntimeerde verschuldigd was
BTW … BEF
Boete … BEF nadien verminderd tot … BEF interesten berekend aan 0,8 % per maand.
De grondslag van voormelde bedragen was voornamelijk gelegen in
beweerde inbreuken ten aanzien van de voorwaarde in het bezit te zijn van een conform getuigschrift uitgereikt door het hoofd van de diplomatieke zending of consulaire post om op grond van art 42, § 3, 1° en 2° W.BTW met vrijstelling van BTW te factureren
beweerde inbreuken op de in het K B nr. 18 van 29 december 1992 opgelegde verplichting de echtheid te bewijzen van de uitvoer van de goederen waarvan de levering op grond van art 39, § 1, 1°, 2° en 4° W.BTW werd gefactureerd
Op 10 februari 1999 werd een dwangbevel uitgevaardigd dat op 12 februari 1999 uitvoerbaar werd verklaard en dat op 6 april 1999 aan appellante werd betekend.
Op 14 juni 1999 dagvaardde appellante geïntimeerde in verzet voor de rechtbank van eerste aanleg te Leuven.
Op 4 februari 2005 verwees de rechtbank te Leuven de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.
Bij het bestreden vonnis van 7 september 2007 wees de rechtbank te Brussel de vordering van appellante af.
II. Discussie
a) Wat de beweerde schending van de beginselen van behoorlijk bestuur betreft
Appellante meent dat de eerste rechter ten onrechte oordeelde dat de beginselen van behoorlijk bestuur in het bijzonder het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel niet geschonden zijn. Zij wijst erop dat zij reeds 20 jaar op dezelfde wijze als in de betwiste jaren 1994, 1995 en 1996 handelde dat zij aan meerdere BTW-controles werd onderworpen en dat nooit enige opmerking werd gemaakt omtrent haar handelwijze. De administratie keert op retroactieve wijze terug op haar vroegere constante houding. Conform de beginselen van behoorlijk bestuur kan deze gewijzigde houding van de administratie enkel voor de toekomst gevolgen hebben nl. vanaf het jaar 1999.
Indien de beginselen van behoorlijk bestuur in het algemeen en het rechtszekerheidsbeginsel in het bijzonder in beginsel in belastingzaken toepassing vinden kan de belastingplichtige daaruit evenwel geenszins onbeperkte rechten te putten. Indien met name het rechtszekerheidsbeginsel in samenloop komt met het legaliteitsbeginsel primeert dit laatste beginsel en moet het eerstgenoemde beginsel daarvoor wijken.
Terecht merkt geïntimeerde op dat enkel over feitenkwesties overeenkomsten met de administratie kunnen worden gesloten.
Het legaliteitsbeginsel laat met toe dat een in het verleden toegepaste maar met de wet strijdige regeling wordt bestempeld als een rechtmatige regeling.
In deze gaat het om inbreuken ten aanzien van de voorwaarde om in het bezit te zijn van een conform getuigschrift uitgereikt door het hoofd van de diplomatieke zending of consulaire post om op grond van art. 42, § 3, 1° en 2° W.BTW met vrijstelling van BTW te factureren.
De primauteit van het legaliteitsbeginsel geldt zelfs indien de administratie uitdrukkelijk een standpunt zou hebben ingenomen omtrent de door de belastingplichtige gehanteerde handelwijze.
Het valt overigens ten zeerste te betwijfelen of er in deze sprake kan zijn van een uitdrukkelijk standpunt of vaste gedragslijn van de fiscale administratie.
Terecht relativeerde de eerste rechter in dat verband de bewering van appellante dat zij reeds 20 jaar op dezelfde wijze als in de betwiste jaren 1994, 1995 en 1996 handelde dat zij aan meerdere BTW-controles werd onderworpen en dat nooit enige opmerking werd gemaakt omtrent haar handelwijze. De terzake van de BTW geldende regeling waarbij een getuigschrift of bestelbon wordt vereist werd door de administratie bij wijze van aanschrijving ingevoerd. Deze regeling werd per 1 juli 1993 gemoderniseerd in een nieuwe aanschrijving De controle naar aanleiding waarvan het proces verbaal werd opgesteld was de eerste controle die na deze nieuwe aanschrijving werd uitgevoerd.
Derhalve roept appellante ten onrechte een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur in.
b) Wat het bewijs met betrekking tot de vrijstelling van BTW voor de leveringen aan diplomatieke zendingen en consulaire posten betreft
Appellante meent dat de door de ambassades afgeleverde attesten voor zowel officieel als persoonlijk gebruik van de door haar geleverde goederen de door art 42, § 3, 1° en 2° W.BTW vereiste inlichtingen bevatten.
Verder betwist appellante dat de hoeveelheden geleverd textiel te omvangrijk zouden zijn om te kunnen kaderen in de werking van de diplomatieke zending nu het gaat om herhaalde leveringen aan meer dan 10 verschillende ambassades.
Hoewel de eerste rechter appellante er reeds op wees dat zij met betrekking tot de vrijstelling in kwestie met de nodige bewijsstukken voorlegde vond appellante het met nodig om in hoger beroep enig bewijsstuk voor te leggen.
Door geïntimeerde werden modellen van aanvraag voor BTW-vrijstelling voor aankopen in België officieel gebruik (document 450) en persoonlijk gebruik (document 451) neergelegd. Het betreft hier met ingevulde modellen waaruit appellante geen argumenten kan putten nu zijzelf geen enkel ingevuld document neerlegt.
Bijgevolg oordeelde de eerste rechter terecht dat geïntimeerde met reden de vrijstelling van art 42, § 3, 1° en 2° W.BTW heeft geweigerd zonder dat het nodig was nader in te gaan op het argument van geïntimeerde met betrekking tot de geleverde hoeveelheden textiel.
c) Wat het bewijs met betrekking tot de vrijstelling van BTW voor de uitvoer van goederen betreft
Appellante meent dat de eerste rechter ten onrechte oordeelde dat zij met afdoende bewijst dat de goederen waarvoor zij de vrijstelling van BTW van art 39 W.BTW inroept wel degelijk de Europese Unie verlaten hebben. Appellante stelt de vervoerdocumenten bij te brengen voor de goederen waarvoor zij de vrijstelling inroept. Volgens haar volstaan die documenten als bewijs minstens mocht zij er rechtmatig op vertrouwen dat deze documenten voldoende waren.
Ook op dit punt wees de eerste rechter er reeds op dat appellante met op afdoende wijze aantoonde dat de goederen in kwestie de Europese Unie verlaten hebben. Niettemin vond appellante het niet nodig om terzake bijkomend bewijsmateriaal voor te leggen.
Van haar bewering ter zitting van het hof van 26 met 2010 dat haar cliënten de goederen in kwestie persoonlijk bij haar kwamen afhalen legt appellante met het minste bewijs voor.
De in het stukkenbundel van geïntimeerde terug te vinden factuur 01/01 van januari 1995 en het schrijven van de permanente vertegenwoordiging van Zaïre bij de Verenigde Naties te Geneve van 3 januari 1995 vormen alleszins een onvoldoende bewijs van effectieve uitvoer in het kader van art 39 W.BTW.
d) Wat de kosten betreft
Op 1 januari 2008 is de Wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en haar uitvoerings KB van 26 oktober 2007 in werking getreden. Deze wet en dit KB vinden toepassing op onderhavige zaak.
Ter openbare zitting van het hof van 26 mei 2010 verklaarden beide partijen terzake de rechtsplegingvergoeding in hoger beroep op het basisbedrag van … EUR te begroten.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak
Gelet op art. 24 van de wet van 15 juli 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.
Veroordeelt appellante tot de beroepskosten begroot op … EUR voor appellante en op … EUR voor geïntimeerde.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel op 17 JUNI 2010.
alwaar aanwezig waren en zitting namen
J. V. alleenzetelend raadsheer
C. D. N. griffier
C. D. N. J. V.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.