Exonération, exportation, importation, opération intracommunautaire, régime particulier, disposition pénale · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Hasselt 24 novembre 2004

Rechercher
Texte en néerlandais

Exonération, exportation, importation, opération intracommunautaire, régime particulier, disposition pénaleTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-exportation-importation-operation-intracommunautaire-tribunal-hasselt-2004-11-24-e408

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Hasselt
Date
24 novembre 2004

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

79 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Hasselt du 24.11.2004

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE-AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

IN ZAKE AR nr. 03/1785/A

E. I. NV, verkoopsfirma, ingeschreven in het handelsregister te Hasselt onder nummer …, met BTW-nummer BE …, met maatschappelijke zetel te …, ….

eiseres,

vertegenwoordigd door Mr. J. E. loco Mr. H. D., advocaat te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, Controlecentrum Hasselt-Beringen, Afdeling Geschillen 5.1, met kantoren gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43.

verweerder,

vertegenwoordigd door Mr. F. R., advocaat te …, ….

VOLGT HET VONNIS :

Gelet op :

a. het verzoekschrift in fiscale zaken neergelegd ter griffie op 1.9.2003 waarbij eiseres fiscaal verhaal instelt ingevolge de betekening op 6 augustus 2002 van het dwangbevel inzake BTW van 18 juli 2002 dat inhoudt dat het verzoek van eiseres tot toepassing van de vrijstellingsregeling van artikel 39bis, 1° W.BTW voor de levering van een wagen aan een afnemer gevestigd in Luxemburg in 1997, wordt afgewezen en waarin verweerder € 16.918,73 vordert als BTW, evenals € 1.690 als geldboete krachtens art. 70, paragraaf 1 W.BTW, verminderd overeenkomstig de bepalingen van het KB nr. 41 van 30 januari 1987, de interest over de verschuldigde BTW, de moratoire intresten over de geldboete en de vervolgingskosten;

b. de stukken en conclusies van partijen.

Feiten en voorgaanden

Eiseres is ingevolge haar economische activiteit, nl. handel in en verhuur van tweedehandse voertuigen, geregistreerd als BTW-belastingplichtige met BTW-nr. … en zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering daarvan getroffen besluiten.

Op 26.3.2002 hebben twee controleambtenaren van de AOIF Hasselt­Genk een BTW-controle doorgevoerd over de periode 1.1.1997 tot 31.12.2000 betreffende de door eiseres uitgevoerde beroepswerkzaamheden.

In deze controle werd volgens verweerder vastgesteld dat voor een levering van een voertuig door eiseres aan een in Luxemburg gevestigde vennootschap, de voorwaarden tot toepassing van vrijstelling van de levering van BTW zoals omschreven in artikel 39bis, lid 1, 1 W.BTW niet waren voldaan.

Het gaat volgens verweerder om de levering opgenomen in factuur nr. … van het uitgaand factuurboek van eiseres, van 31.7.1997, uitgereikt aan SA M.-A-L. L., maatstaf van heffing 3.250.000 BEF (€ 80.565,39). In concreto betreft het een wagen van het merk Ferrari.

Bij de controle zou verweerder vastgesteld hebben dat de voorwaarden tot het bekomen van voornoemde vrijstelling niet waren voldaan, meer bepaald niet de vereisten van het KB nr. 52 van 29.12.1992 voor wat betreft de intracommunautaire leveringen. De controleambtenaren stelden dat er geen bewijs geleverd was van de echtheid van het vervoer of de verzending van de goederen naar een plaats buiten België maar binnen de Gemeenschap.

De vaststellingen leidden tot een proces-verbaal van 5.7.2002 waarin gesteld werd dat eiseres de hierna volgende bedragen verschuldigd is :

a. € 16.918,73 BTW;

b. € 1.690 geldboete krachtens art. 70, § 1 W.BTW, verminderd conform de bepalingen van het KB nr. 41;

c. wettelijke intresten aan 0,8 % per maand vanaf 21.1.2001 over de som van € 16.910.

In het proces-verbaal, opgesteld op 5.7.2002 verhalen, de controlerende ambtenaren dat zij eiseres verzochten om het bewijs van een levering naar het Groothertogdom Luxemburg, met name door voorlegging van vervoerdocumenten of andere stukken, de vermelding van de identiteit van de persoon die de Ferrari afhaalde, alsmede het betalingsbewijs. Het proces-verbaal vermeldt dat "op geen van deze vragen werd geantwoord noch enig document voorgelegd".

Eiseres legt ondermeer een bevestiging voor van één van de ambtenaren van verweerder d.d. 12.8.2002, van ontvangst van stukken toegezonden per fax door eiseres aan verweerder op 13.6.2002. Het gaat om een stuk houdende verzoek door eiseres aan de NV KREDIETBANK tot creditering van haar bankrekening bij deze bank met een bedrag van 1.950.000 BEF (€ 48.339,23) wegens ontvangst van een cheque uitgegeven door de SA M.-A-L. uit Luxemburg, hetgeen volgens eiseres de betaling behelst van een deel van de prijs van de Ferrari die zij aan deze in Luxemburg gevestigde vennootschap verkocht. Verweerder bevestigt op 12.8.2002 dat hij dit stuk op 13.6.2002 heeft ontvangen.

Op 18.7.2002 werd tegen eiseres een dwangbevel uitgevaardigd, gesteund op het proces-verbaal van 5.7.2002. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 19.7.2002.

In dit dwangbevel werden de hoger vermelde bedragen gevorderd alsook moratoire intresten over de nog verschuldigde geldboeten vanaf de eerste kennisgeving of betekening van het dwangbevel in toepassing van artikel 91, § 4 W.BTW, alsook de vervolgingskosten.

Bij exploot van 6.8.2002 van gerechtsdeurwaarder R. K., plaatsvervanger van J. W., werd het dwangbevel aan eiseres betekend.

Eiseres verzocht alsnog om toepassing van de vrijstellingsregeling van artikel 39bis, lid 1, 1° W.BTW, hetgeen haar werd geweigerd. Daarop legde zij voormeld verzoekschrift in fiscale zaken neer ter griffie van deze rechtbank.

Beoordeling

Ontvankelijkheid

Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering, zodat zij de vordering als ontvankelijk beoordeelt.

Ten gronde

De rechten van verdediging

Eiseres verzoekt om nietigverklaring van het proces-verbaal van 5 juli 2002 wegens een volgens haar voorgehouden schending van de rechten van verdediging.

Haar rechten van verdediging zouden geschonden zijn doordat in het proces-verbaal van 5 juli 2002 geen rekening gehouden wordt met het feit dat eiseres op 13.6.2002 stukken toezond aan verweerder met betrekking tot de betaling van een deel van de prijs van de Ferrari. Verweerder bevestigde de ontvangst van die stukken middels een bericht aan eiseres van 12.8.2002.

In het proces-verbaal van 5 juli 2002 wordt met geen woord gerept over de ontvangst door verweerder van een stuk dat betrekking heeft op een deel van de betaling van de prijs van het voertuig Ferrari op 13.6.2002. Het proces-verbaal van 5 juli 2002 verhaalt dat aan verweerder geen enkel stuk met betrekking tot de betaling van de prijs van het voertuig Ferrari is voorgelegd.

Eiseres houdt voor dat om die reden het proces-verbaal en het daaropvolgend dwangbevel nietig verklaard zouden moeten worden.

Eiseres kan daarin niet gevolgd worden.

Bij nazicht van de stukken merkt de rechtbank op dat verweerder bij het opstellen van zijn proces-verbaal geen melding heeft gemaakt van alle gegevens die haar op het ogenblik van het opstellen ervan, bekend waren, hoewel zulks van ambtenaren van verweerder in beginsel wel mocht verwacht worden gezien de bewijswaarde die kleeft aan een door verweerder opgesteld proces-verbaal inzake BTW. Dit vereist van verweerder juistheid, omzichtigheid en zorgvuldigheid bij het opstellen van dergelijke processen-verbaal. Het proces-verbaal werd opgesteld op 5 juli 2002. Sinds 13.6.2002 had verweerder kennis van een stuk dat betrekking had op een deel van de betaling van de prijs voor de Ferrari. Het proces-verbaal van 5 juli 2002 stelt niet dat het slechts een relaas weergeeft van de op 26 maart 2002 bij eiseres uitgevoerde controle en de vraag op 26 maart 2002 naar voorlegging van betalingsstukken met betrekking tot het voertuig Ferrari en niet op de feiten en gebeurtenissen daarna, dit wil zeggen tot op het ogenblik van het opstellen van het proces-verbaal op 5 juli 2002.

Niettemin geldt de inhoud van een proces-verbaal inzake BTW slechts tot bewijs van het tegendeel.

Eiseres heeft in casu gebruik kunnen maken van haar recht op tegenspraak en heeft door voorlegging van de bevestiging van ontvangst van 12.8.2002 van een stuk met betrekking tot een deel van de betaling van de prijs op 13.6.2002 door verweerder, het tegenbewijs geleverd met betrekking tot dit onderdeel van het proces-verbaal van 5 juli 2002.

Derhalve heeft zij haar recht op tegenspraak kunnen uitoefenen en heeft zij het ook daadwerkelijk uitgeoefend en heeft zij het tegenbewijs kunnen leveren met betrekking tot de betaling van een deel van de prijs van het door haar verkochte voertuig.

Haar rechten van verdediging werden derhalve in acht genomen zodat geen nietigheid van het op 5 juli 2002 opgestelde proces-verbaal voorligt.

De al dan niet tijdigheid van het dwangbevel van 18 kuli 2002 en de betekening ervan op 6 augustus 2002

Eiseres houdt voor dat de vordering van verweerder verjaard zou zijn.

Het uitvaardigen van het dwangbevel van 18 juli 2002 en het betekenen ervan op 6 augustus 2002 zouden enkel zijn geschied met het oog op het sluiten van de verjaring van de vordering van verweerder opgenomen in het dwangbevel. Eiseres vordert daarom te zeggen voor recht dat de verjaring van de vordering van verweerder is ingetreden.

Eiseres kan hierin niet gevolgd worden.

Geen van de door eiseres aangevoerde elementen laten de rechtbank toe vast te stellen dat de betekening van het dwangbevel op 6 augustus 2002 niet tot doel zou hebben gehad over te gaan tot invordering van de vordering van verweerder op eiseres en enkel zou zijn geschied met het oog op het vermijden van de verjaring van de vordering van verweerder.

De tijd die verstreek tussen het ogenblik van facturatie van de Ferrari in 1997 en het ogenblik van de controle over die transactie in maart 2002, is geen reden om aan te nemen dat de betekening van het dwangbevel op 6 augustus 2002 zou zijn geschied met als enig en uitsluitend doel de verjaring van de vordering van verweerder te stuiten, hoewel die betekening wel zulk effect heeft gehad.

In tegenstelling tot hetgeen eiseres voorhoudt, was verweerder in maart 2002 nog gerechtigd over te gaan tot controle van de fiscale toestand van eiseres inzake BTW zodat zij in beginsel op 18 juli 2002 nog kon overgaan tot het uitvaardigen van een dwangbevel tot invordering van de daarbij volgens haar aan het licht gekomen na te vorderen BTW en toebehoren.

De vordering van verweerder is derhalve nog niet verjaard.

Het bewijs van verzending of vervoer van het voertuig Ferrari buiten België maar binnen de Europese Gemeenschap

Eiseres beroept zich ten aanzien van de levering van de Ferrari, van het type 355 Spider Cabrio, op de vrijstelling zoals voorzien door artikel 39bis, lid 1, 1° W.BTW. De door haar opgestelde factuur van 31 juli 1997 vermeldt "Bestemd voor export-vrij van BTW” (stuk 1 van eiseres). Zij factureerde de prijs van de Ferrari zonder aanrekening van de belasting over de toegevoegde waarde.

Krachtens artikel 39bis, lid 1, 1° W.BTW zijn van de BTW vrijgesteld de leveringen van goederen door de verkoper, andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56, § 2 W.BTW, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige, of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die als zodanig optreden in een andere Lid-Staat en die er aldaar toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen, voor zover die leveringen van goederen niet onderworpen zijn aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, § 4 W.BTW

Gelet op het feit dat eiseres een vrijstelling van belasting vraagt, draagt zij de bewijslast van het vervuld zijn van voormelde voorwaarden.

Zij moet derhalve bewijzen dat het voertuig verzonden of vervoerd werd buiten België maar binnen de gemeenschap.

Tot bewijs van de verzending en het vervoer buiten België, legt eiseres een factuur van 31 juli 1997 over, een bestelbon van 30 juli 1997, een kopie van een afhaalbon ondertekend door de afnemer, door de rechtbank gelezen als zijnde ondertekend op 1 augustus 1997 en betalingsbewijzen voor een deel van de prijs door creditering van de bankrekening van eiseres op 8 augustus 1997. Voorts legt eiseres een kopie voor van een stuk, gedateerd 5 augustus 1997, ondertekend volgens de vermeldingen van het stuk, door een zekere Heer C. A., waarin wordt verklaard dat de Ferrari over de weg naar Luxemburg is gebracht (stuk 8 van eiseres). Het stuk is gehecht aan een brief van 23 mei 2003 gericht aan verweerder, waarin op deze datum het stuk, gedateerd op 5 augustus 1997, aan verweerder wordt voorgelegd.

Eiseres moet bewijzen dat het voertuig Ferrari vervoerd werd buiten België, maar binnen de Gemeenschap.

Dit bewijs wordt door eiseres niet geleverd. De aan verweerder en aan de rechtbank voorgelegde stukken tonen enkel aan dat eiseres een voertuig Ferrari aan een in Luxemburg gevestigde koper verkocht, niet dat het voertuig ook daadwerkelijk buiten België, maar binnen de Gemeenschap werd vervoerd. Gelet op de door eiseres gevraagde vrijstelling ligt nochtans bij haar daarover de bewijslast. Zij moet aantonen dat het voertuig na de verkoop, het Belgisch grondgebied daadwerkelijk heeft verlaten.

De verklaring gedateerd op 5 augustus 1997 kan niet aangenomen worden als bewijs van een vervoer van het voertuig Ferrari buiten België in 1997, gelet op het ogenblik van voorlegging van die verklaring, meer bepaald in 2003.

Geen andere door eiseres overgelegde stukken laten de rechtbank toe te controleren en te besluiten dat het voertuig daadwerkelijk, volgend op de eigendomsoverdracht van het voertuig in 1997, buiten België, in concreto zoals eiseres voorhoudt, naar Luxemburg werd vervoerd.

Eiseres vervult haar bewijslast niet.

Haar vordering tot toepassing van de vrijstelling van artikel 39bis, lid 1, 1° W.BTW is dan ook niet gegrond.

Gelet op de toepassing van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK, statuerende op tegenspraak.

Verklaart de vordering ontvankelijk, doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, aan de zijde van verweerder begroot op € 0,00 bij gebrek aan vertegenwoordiging door een advocaat.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer op het gerechtshof te Hasselt op 24.11.2004 alwaar aanwezig waren :

De heer E. S., rechter, waarnemend voorzitter,

Mevrouw M. C., rechter,

Mevrouw C. V., rechter, en,

De heer Ph. N., griffier.

Ph. N. C. V. M. C. E. S.