Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 0404.2005
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :
In de zaak 02/29/A
De BVBA C. S., (HR Oostende nr. …), met maatschappelijke zetel te …, …,
eiseres,
voor wie optreedt Meester K. C., advocaat met kantoor te …, …,
tegen :
De FOD FINANCIËN, Administratie der BTW, Registratie en Domeinen, BTW-Ontvangkantoor Oostende, vertegenwoordigd door de e.a. inspecteur van het BTW-ontvangkantoor Oostende, met kantoren te 8400 OOSTENDE, Vrijhavenstraat 1/1,
verweerder,
voor wie optreedt Meester L. D. S., advocaat te ….
I. RECHTSPLEGING
Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet de dato 28 december 2001.
Gelet op het tussenvonnis van deze rechtbank en kamer de dato 5 april 2004.
De rechtbank nam opnieuw kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.
Partijen werden opnieuw gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 7 maart 2005.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
2.1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTWregistratienummer …, ingevolge haar activiteit van lossingscontrole van schepen. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Door E. B., eerstaanwezend inspecteur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, werd een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde.
Over de vastgestelde overtredingen werd door de heer B. voornoemd, op 29 november 2001, een proces-verbaal opgemaakt (zie stuk 1 verweerder).
Ten gevolge van dit proces-verbaal werd van eiseres een bedrag gevorderd van 12.414,31 EUR BTW en 1.214,68 EUR geldboete.
Aangezien eiseres de verschuldigde bedragen niet betaalde, werd op 6 december 2001 een dwangbevel uitgevaardigd.
Voormeld dwangbevel werd op 12 december 2001 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door R. D., directeur bij een fiscaal bestuur, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge.
Op 17 december 2001 werd het dwangbevel aan eiseres ter kennis gebracht bij aangetekend schrijven.
2.2. Eiseres vraagt dat het verzet ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens het bestreden dwangbevel nietig wordt verklaard. Tenslotte vraagt zij nog dat verweerder wordt veroordeeld tot de gedingkosten, in haar hoofde begroot op de dagvaardingskosten ten bedrage van 66,44 EUR en de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 349,53 EUR en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling of kantonnement.
2.3. Verweerder vordert dat het verzet ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard, mits rekening wordt gehouden met een vermindering van de vordering met 2.189,83 EUR BTW en 218,98 EUR geldboete, en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op 349,53 EUR rechtsplegingsvergoeding.
III. BEOORDELING
3.1. nopens de ontvankelijkheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.
3.2. nopens de grond
3.2.1. Eiseres is de mening toegedaan dat zij kon genieten van de vrijstelling van artikel 41, § 1, 5° W.BTW bij facturatie van uitgevoerde controles bij het lossen van schepen met goederen komende uit Nederland en Duitsland in opdracht van de NV E..
Verder poneert zij dat zij in ondergeschikte orde kan beroep doen op de vrijstellingsregeling van artikel 40, § 2, 2° W.BTW vermits de goederen werden geplaatst vanaf het binnenkomen in de Europese Gemeenschap, onder één van de regelingen bepaald in artikel 23, § 4 en § 5 W.BTW.
3.2.2. Overeenkomstig artikel 41, § 1, 5° W.BTW geldt voormelde vrijstelling enkel voor de diensten die gepresteerd worden bij vrijgesteld vervoer van goederen bij uitvoer buiten de Gemeenschap of bij het vervoer van goederen die onder een regeling van BTW-entrepot staan.
Overeenkomstig artikel 40, § 2, 2° W.BTW zijn van de belasting eveneens vrijgesteld de diensten, andere dan die welke zijn vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 41 en 42, met betrekking tot goederen die vanaf het binnenkomen in de Gemeenschap werden geplaatst onder één van de in artikel 23, §§ 4 en 5 bedoelde regelingen.
Het is diegene die zich op de vrijstelling beroept die daarvan het bewijs moet leveren. Het is zeker niet aan verweerder om voor de nodige bewijsstukken te zorgen. Verder ligt de verantwoordelijkheid voor de juiste toepassing van de wetgeving evenmin bij E.. Indien eiseres niet beschikte over voldoende stukken die de vrijstelling rechtvaardigen mocht ze niet met vrijstelling factureren.
Na vergelijking van de door eiseres voorgelegde 29 T1-documenten voor verzendingen van orthoxyleen en 7 T1-documenten voor verzendingen van isobutanol met de facturen opgenomen in het proces-verbaal van 29 november 2001 stelt de rechtbank samen met verweerder thans vast dat een aantal van de gemeten goederen België binnengebracht werden onder de regeling extern communautair douanevervoer, zodat daarvoor de vrijstelling van artikel 41, § 1, 5° W.BTW toegepast kon worden. Verweerder vermindert dan ook terecht haar vordering met 2.272,16 EUR BTW en met 227,21 EUR administratieve geldboete.
Voor de overige verrichte handelingen werd geen bewijs van vrijstelling geleverd. De thans voorliggende administratief geleide documenten geadresseerd aan de NV E. in de periode van 1998-1999 rechtvaardigen de vrijstelling niet.
Tenslotte verstrekt eiseres ook voor de vrijstelling van artikel 40, § 2, 2° W.BTW niet het vereiste bewijs.
3.2. nopens de kosten
Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van de partijen moeten zij elk hun eigen kosten dragen.
3.3. nopens de uitvoerbaarheid bij voorraad
Verweerder stelt dat artikel 377 WIB '92 de uitvoerbaarheid bij voorraad zou verbieden. Dat artikel luidt als volgt : De termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie schorsen de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing.
Dat artikel is evenwel, behalve wat het cassatieberoep aangaat, een bevestiging van de regeling van het gemeenrechtelijk procesrecht, namelijk artikel 1397 Ger. W.. Overeenkomstig artikel 1398 Ger. W. is het de regel dat de rechter de voorlopige tenuitvoerlegging van zijn vonnis kan toestaan. Het is alleen anders wanneer dat als uitzondering bij wet is bepaald. Artikel 377 WIB '92 voorziet geen dergelijke uitzondering (vgl. bijv. artikel 1399 Ger. W.). Het herhaalt, zoals gezegd, slechts het principe van artikel 1397 Ger. W.. Uit de volgorde waarin de genoemde artikelen voorkomen, moet worden afgeleid dat de mogelijkheid voor de rechter om de voorlopige tenuitvoerlegging toe te staan, niet verdwijnt door een wet die de schorsing van de tenuitvoerlegging door een rechtsmiddel als principe stelt.
Gelet op de uitspraak heeft eiseres belang bij de voorlopige tenuitvoerlegging.
Er is de rechtbank verder geen reden bekend op grond waarvan zij geen uitstel van tenuitvoerlegging zou kunnen verlenen. Aldus geldt het principe van artikel 1333 Ger. Wb.. De uitvoerbaarheid bij voorraad wordt daarom toegestaan.
De voorlopige tenuitvoerlegging kan niet afhankelijk gemaakt worden van het stellen van een zekerheid.
De vordering van eiseres is ongegrond voor wat betreft de gevorderde uitsluiting van het vermogen tot kantonnement in hoofde van verweerder.
Het kantonnement is een recht van de veroordeelde partij. Conform artikel 1406 Ger. W., kan de rechter, die uitspraak doet over de vordering zelf, beslissen dat er geen reden is tot kantonnement, indien door de schuldeiser, die desbetreffende de bewijslast draagt, wordt aangetoond dat de vertraging in de regeling hem aan een ernstig nadeel blootstelt (Brussel, 25 april 1997, P & B, 1997, 224; DIRIX, E. en Broeckx, K. in A.P.R., Tw. Beslag, p. 1996, nr. 360).
Aangezien eiseres dit ernstig nadeel niet aanvoert en niet bewijst, kan het recht op kantonnement aan verweerder niet worden ontzegd.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Verklaart het verzet tegen het dwangbevel ontvankelijk en gegrond in de mate zoals hierna bepaald.
Zegt voor recht dat het bestreden dwangbevel ongegrond is voor een bedrag van 2.272,16 EUR BTW en 227,21 EUR administratieve geldboete.
Wijst eiseres van het overige af.
Veroordeelt de partijen elk tot het betalen van hun eigen gerechtskosten van deze procedure, in welke omstandigheden die kosten niet moeten worden begroot.
Verklaart onderhavig vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts alle verhaal en zonder borgstelling.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op vier april tweeduizend en vijf.
Aanwezig zijn :
H. N., alleenrechtsprekend rechter;
S. C., griffier.
C. S. N. H.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.