Exonération, exportation, importation, opération intracommunautaire, preuve, mesure de contrôle · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 8 décembre 2000

Rechercher
Texte en néerlandais

Exonération, exportation, importation, opération intracommunautaire, preuve, mesure de contrôleTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-exportation-importation-operation-intracommunautaire-tribunal-anvers-2000-12-08-6b71

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
8 décembre 2000

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

98 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance d'Anvers du 08.12.2000

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op acht december tweeduizend in openbare zitting van de eerste F kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, alwaar zetelden :

P. W., enig rechter,

G. G., griffier.

In zake : AR nr. 98/2232/A

NV D. B., ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …,

eisende partij,

verschijnende bij Meester A. C. loco Meester H. D., advocaat, kantoorhoudende te …, …,

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de heer Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de heer Gewestelijk Directeur van de BTW, Registratie en Domeinen te Antwerpen, in de persoon van de heer eerstaanwezend inspecteur van het controlekantoor Malle I, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2390 Malle, Lierselei 120,

verwerende partij,

verschijnende bij Meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, o.m. :

- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt vare gerechtsdeurwaarder F. H. te … op 30 maart 1998;

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 10 november 2000.


De vordering strekt ertoe te horen zeggen voor recht dat de in het dwangbevel gevorderde sommen niet verschuldigd zijn, zowel wat de BTW betreft als wat de boeten, kosten en intresten betreft, dienvolgens verweerder te horen veroordelen tot terugbetaling van 432.107 BEF, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding.

Relevante feiten

Eiseres baat een industriële lakkerij uit.

De Luxemburgse vennootschap D. V. S. SA zou goederen vervoerd hebben naar eiseres en zou met een bestelbon, uitzonderlijk via een telefonische bestelling, deze goederen in het bedrijf van eiseres een lakbehandeling hebben laten ondergaan.

Vervolgens zouden de goederen door voornoemde Luxemburgse vennootschap D. V. S. SA met eigen vervoermiddelen terug afgehaald zijn waarbij de zaakvoerder van deze vennootschap, op verzoek van eiseres, steeds een transportfiche ondertekende met volgende vermelding :

"Ondergetekende verklaart hiermede dat de door hem ontvangen goederen naar het buitenland zullen getransporteerd worden en zodoende vrij van BTW zijn volgens artikel 39bis."

Met verwijzing naar de bestelbon en de transportfiche factureerde eiseres de Luxemburgse vennootschap D. V. S. SA met vrijstelling van BTW op grond van artikel 39bis van het Wetboek van BTW, nu deze Luxemburgse vennootschap aldus met eigen vervoermiddelen zou gezorgd hebben voor het vervoer naar een andere Lid-Staat.

De facturen werden vanuit Luxemburg betaald.

Naar aanleiding van een BTW-controle op 24 juli 1996 over de periode van 1 januari 1993 tot 30 juni 1995 werd op 12 november 1996 een correctieopgave overgemaakt aan eiseres waarbij de leveringen aan de Luxemburgse vennootschap D. V. S. SA - bij gebreke aan de nodige bewijzen van de echtheid van het vervoer of de verzending naar het Groothertogdom Luxemburg - werden beschouwd als nationale leveringen en derhalve belastbaar waren met Belgische BTW voor een bedrag van 322.643 BEF. Hierbij werd verder de wettelijk opgelopen administratieve geldboete verminderd tot 40 %, zijnde 129.057 BEF.

Bij aangetekende brief van 27 november 1996 verklaarde de raadsman van eiseres zich niet akkoord met de correctieopgave.

Bij aangetekende brief van 28 maart 1997 werd eiseres in kennis gesteld van een dwangbevel, dat was uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 27 maart 1997, en waarbij een eensluidend verklaard afschrift van een proces-verbaal van 27 maart 1997 was gevoegd.

Hierdoor werd de BTW verminderd tot het volgende bedrag en de geldboete hierop werd bepaald als volgt zodat eiseres verschuldigd werd :

- BTW : 316.019 BEF

- geldboete : 91.500 BEF

- totaal : 407.519 BEF

- intrest van 0,80 % per maand over de niet-tijdig betaalde BTW te rekenen vanaf 21 juli 1995

- moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten vanaf de kennisgeving of betekening van het dwangbevel

- vervolgingskosten.

Op 1 april 1997 betaalde de notaris een bedrag van 432.107 BEF, waarvan de raadsman van eiseres op 3 november 1997 de terugbetaling vorderde.

Beoordeling

Betreffende het bewijs van intracommunautaire levering

Conform artikel 39bis, eerste lid, 1° van het Wetboek van BTW zijn de leveringen van goederen vrijgesteld van de belasting indien :

- de leveringen worden verricht door de verkoper, andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56, § 2,

- de leveringen worden verricht voor een andere belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die als zodanig optreden in een andere Lid-Staat en die aldaar ertoe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen,

- de leveringen niet onderworpen zijn aan de bijzondere regeling van de belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, § 4,

- de goederen worden verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap door de verkoper, de koper of voor hun rekening.

Artikel 39bis, tweede lid van het Wetboek van BTW heeft aan de Koning opgelegd de beperkingen en voorwaarden te bepalen die voor de toepassing van deze vrijstelling moeten worden nageleefd, hetgeen hij deed bij KB nr. 52 van 29 december 1992.

Conform voornoemd KB nr. 52 is de vrijstelling van artikel 39bis, eerste lid, 1° van het Wetboek van BTW afhankelijk van de volgende voorwaarden :

- het bewijs dient geleverd te worden dat de goederen verzonden of vervoerd zijn buiten België maar binnen de Gemeenschap (artikel 1) en de verkoper, in casu eiseres, moet te allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt. Die stukken zijn ondermeer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken (artikel 3),

- het bewijs dient geleverd te worden dat de levering is geschied voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor de belasting over de toegevoegde waarde geïdentificeerd is in een andere Lid-Staat (artikel 2).

Bijgevolg heeft eiseres, die zich beroept op de vrijstelling, de bewijslast en dient zij dan ook het bewijs te leveren, dat zij voldoet aan alle voorwaarden van de vrijstelling, bij gebreke waaraan de belasting verschuldigd is.

In casu dient eiseres het bewijs van het bestaan van de echtheid van het vervoer of de verzending van de goederen naar het Groothertogdom Luxemburg te leveren via een geheel van gebruikelijke en overeenstemmende handelsstukken die aantonen dat aan de voorwaarden voor de vrijstelling is voldaan waarbij elk bewijsstuk is toegelaten, doch waarbij geen enkel bijzonder stuk op zich voldoende of onmisbaar is.

De BTW-administratie moet zich immers door middel van een sluitend geheel van bewijselementen kunnen vergewissen van het feit dat de goederen werkelijk werden verzonden of vervoerd naar een andere Lid-Staat.

Conform het KB nr. 52 blijft eiseres verantwoordelijk voor de betaling van de BTW met betrekking tot de leveringen en is zij hiervan pas ontslagen wanneer zij kan bewijzen dat de goederen werkelijk werden verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap.

De bestelbons, de door de zaakvoerder van de Luxemburgse vennootschap D. V. S. SA ondertekende transportfiches waarin hij verklaarde "dat de door hem ontvangen goederen naar het buitenland zullen getransporteerd worden en zodoende vrij van BTW zijn volgens artikel 39 bis" en de betalingen vanuit het Groothertogdom Luxemburg vormen een nuttige aanvulling op overige bewijselementen, doch bewijzen zonder bijkomende bewijselementen geenszins dat de goederen werkelijk werden verzonden of vervoerd naar een andere Lid-Staat en verlenen bijgevolg op zichzelf niet automatisch het recht op de vrijstelling.

Eiseres, die zich beroept op de vrijstelling, heeft immers geen bewijslast om aan te tonen dat zij voldoet aan de vrijstellingsvoorwaarden en dat de goederen bijgevolg werkelijk werden verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap.

Bij gebreke aan dit bewijs is de administratie gerechtigd de vrijstelling te verwerpen ondanks het bestaan van deze bestelbons, transportfiches en betalingen. Er anders over oordelen zou immers de administratie elke werkelijkheid tot controle op het vervuld zijn van de vrijstellingsvoorwaarden ontnemen.

Eiseres faalt in haar bewijslast en bovendien zijn de volgende elementen duidelijke aanwijzingen dat het zeer twijfelachtig is dat de goederen werkelijk werden verzonden of vervoerd naar een andere Lid-Staat :

- de betalingen gebeurden middels c/o rekeningen, zijnde rekeningen gedomicilieerd op het adres van een bank of een fiduciaire zodat het zeer twijfelachtig is dat de Luxemburgse vennootschap D. V. S. SA een bedrijfsinrichting heeft in het Groothertogdom Luxemburg,

- verder blijkt uit geen enkel objectief element dat de Luxemburgse vennootschap D. V. S. SA een bedrijfsinrichting, een opslagplaats of dergelijke heeft in het Groothertogdom Luxemburg waar zij goederen kan opslaan zodat het zeer twijfelachtig is dat de goederen naar het Groothertogdom Luxemburg werden verzonden of vervoerd,

- de bestelbons op naam van de Luxemburgse vennootschap D. V. S. SA werden niet verzonden vanuit het Groothertogdom Luxemburg, doch werden gefaxt via een Belgisch faxnummer met het zonenummer 050 (= …),

- de zaakvoerder van de Luxemburgse vennootschap D. V. S. SA is tevens de zaakvoerder van de BVBA V. I. P. (V.I.P.), een vennootschap die een gelijkaardige activiteit uitoefent en gevestigd is in …,

- op de transportfiches aanvankelijk de letters "VIP" werden vermeld, hetgeen duidelijk wijst op de BVBA V. I. P. (V.I.P.).

Mede gelet op de hierboven vermelde redenen bewijst ook het loutere feit dat de Luxemburgse vennootschap D. V. S. SA de leveringen heeft opgenomen in haar boekhouding en de BTW hierop heeft betaald in het Groothertogdom Luxemburg geenszins, ook niet door middel van feitelijke vermoedens, dat de goederen werkelijk werden verzonden of vervoerd naar het Groothertogdom Luxemburg, te meer daar deze leveringen slechts zeer laattijdig als intracommunautaire verwervingen werden opgenomen in haar BTW-aangiften in het Groothertogdom Luxemburg.

Het feit dat eiseres volledig afhankelijk is van de Luxemburgse vennootschap D. V. S. SA is niet relevant en verleent haar geenszins het recht om de vrijstelling toe te passen ingeval van twijfel dat de goederen werkelijk werden verzonden of vervoerd naar een andere Lid-Staat.

Tot slot is het voor de toepassing van de vrijstelling van geen enkel belang of eiseres al dan niet te goeder trouw was.

Bijgevolg was de BTW-administratie dan ook gerechtigd de vrijstelling te verwerpen zodat de belastingen dan ook verschuldigd zijn door eiseres.

Betreffende de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur

Men kan geenszins stellen dat de vrijstellingsvoorwaarden in artikel 39bis, eerste lid, 1° van het Wetboek van BTW en in KB nr. 52 dermate rigide zijn en in het economisch handelsverkeer onhaalbaar zijn zodat het recht op vrijstelling nagenoeg onmogelijk of overdreven moeilijk wordt gemaakt.

De vrijstellingsvoorwaarde dat eiseres het bewijs dient te leveren dat de goederen werkelijk werden verzonden of vervoerd naar het Groothertogdom Luxemburg is immers een essentiële voorwaarde zonder dewelke fraude en misbruik zouden gestimuleerd worden die de belangen van de Gemeenschap ernstig zouden aantasten zodat deze voorwaarde dan ook redelijk is in verhouding tot het nagestreefde doel.

Eiseres kan deze vrijstellingsvoorwaarde bewijzen met alle middelen van het gemeen recht, uitgezonderd de eed, zodat deze voorwaarde dan ook niet strikt, doch integendeel ruim wordt toegepast.

Nu - zoals hoger vermeld - er voldoende aanwijzingen waren dat het zeer twijfelachtig was dat de goederen werkelijk werden verzonden of vervoerd naar een andere Lid-Staat, diende eiseres bijgevolg dan ook voorzichtig te werk te gaan en diende zij zo nodig aan de Luxemburgse vennootschap D. V. S. SA BTW aan te rekenen en die BTW terug te betalen op het ogenblik dat het door middel van een geheel van overeenstemmende stukken zeker was dat de goederen werkelijk werden verzonden of vervoerd naar het Groothertogdom Luxemburg zodat aan eiseres dan ook een werkbare oplossing wordt aangeboden.

De algemene beginselen van behoorlijk bestuur werden dan ook nageleefd zodat verweerder dan ook niet veroordeeld kan worden tot schadevergoeding.

Betreffende de schending van het neutraliteitsbeginsel

In het Groothertogdom Luxemburg hebben zich geen intracommunautaire verwervingen voorgedaan zodat de Luxemburgse vennootschap D. V. S. SA deze leveringen dan ook niet diende op te nemen in haar BTW-aangiften in het Groothertogdom Luxemburg en er dan ook geen sprake is dat een situatie werd gecreëerd waarin een dubbele belasting werd geheven.

Bijgevolg werd het neutraliteitsbeginsel dan ook niet geschonden.

Betreffende de bewijskracht van het proces-verbaal

Het is niet relevant welke bepalingen van het proces-verbaal van 27 maart 1997 de bijzondere bewijskracht van artikel 59, § 1 van het Wetboek van BTW genieten, nu eiseres immers de bewijslast heeft dat de voorwaarden voor de toepassing van de vrijstelling vervuld zijn en zij - zoals hoger vermeld - faalt in deze bewijslast en de rechtbank zich niet steunt op de bijzondere bewijskracht van dit proces-verbaal voor de beoordeling van het geschil.

Betreffende het rechtmatig karakter van de door verweerder gebruikte informatie

De Verordening (EEG) van de Raad van 27 januari 1992 voorziet in administratieve samenwerking op het gebied van de indirecte belastingen en regelt onder meer de uitwisseling van gegevens tussen de lidstaten van de E.U. met betrekking tot de intracommunautaire leveringen.

Uit een brief van 17 juni 1996 van de bevoegde autoriteit van het Groothertogdom Luxemburg blijkt onmiskenbaar dat verweerder de gebruikte informatie op rechtmatige wijze heeft verkregen.

Betreffende de administratieve geldboete

Tijdens deze procedure werd de administratieve geldboete verminderd tot 10 % en op 21 februari 1999 werd het teveel betaalde bedrag van 32.000 BEF in het voordeel van eiseres geboekt op haar rekening-courant en bijgevolg terugbetaald.

Er is dan ook geen betwisting meer omtrent de hoegrootheid van de administratieve geldboete.

Conform artikel 91, § 4 van het Wetboek van BTW is verweerder moratoire intresten verschuldigd op 32.000 BEF van 30 maart 1998 tot 21 februari 1999.

Betreffende het verzoek van verweerder om hem toe te laten om bijkomende overtuigingsstukken bij te brengen met betrekking tot een gelijkaardige betwisting

Aangezien de rechtbank van oordeel is dat de BTW-administratie terecht de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen heeft verworpen, is het niet opportuun om dit verzoek toe te laten aan verweerder.

Betreffende de uitvoerbaarverklaring bij voorraad

Conform artikel 92bis van het Wetboek van BTW schorsen de termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing zodat huidig vonnis dan ook niet uitvoerbaar bij voorraad kan verklaard worden.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering toelaatbaar en als volgt gegrond.

Veroordeelt verweerder tot betaling aan eiseres van de moratoire intresten op tweeëndertigduizend Belgische franken (32.000 BEF) van 30 maart 1998 tot 21 februari 1999.

Verklaart de vordering voor het overige ongegrond en wijst deze af.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding tot op heden aan de zijde van verweerder begroot op 12.300 BEF rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend 12.900 BEF.

G. G. P. W.