Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Hasselt du 07.11.2007
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER D, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :
IN ZAKE AR nr. 02/471/A
S. W., garagist, wonende te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Hasselt onder nummer ….
eiser,
vertegenwoordigd door mr. V. H., advocaat te …, ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de ontvanger van het Tweede BTWOntvangkantoor, met burelen te 3500 Hasselt, Koning Boudewijnlaan 4.
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. R. F., advocaat te …, ….
VOLGT HET VONNIS :
Gelet op :
- het exploot van gerechtsdeurwaarder L. R. te … van 04.02.2002 waarbij verzet werd aangetekend tegen het dwangbevel van 18.12.2001 lastens eiser uitgevaardigd door de heer D. S., eerstaanwezend inspecteur a.i. van het tweede ontvangkantoor van de BTW te Hasselt, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 20.12.2001 door de heer R. C., gewestelijk directeur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen, en betekend aan eiser op 27.12.2001;
- de conclusies, aanvullende conclusies en stukken van eiser;
- de conclusies, aanvullende conclusies en stukken van verweerder.
I. FEITEN EN VOORGAANDEN
Eiser is ingevolge de door hem uitgeoefende activiteit van handelaar in personenwagens geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder BTW-nummer … en is derhalve onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering daarvan genomen besluiten.
Op 27.08.1999 en 04.12.2000 onderwierp R. C., eerstaanwezend verificateur bij de AOIF, controlecentrum Hasselt-Beringen, eiser aan een BTW-controle voor de periode 01.01.1996 tot en met 31.12.1997.
Bij nazicht van de inkomende en uitgaande facturen, facturenboeken, dagboeken van ontvangsten, inventarisboeken alsmede van de comptabiliteitsboeken en bescheiden en in het bijzonder van alle boeken en stukken met betrekking tot de toepassing van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge van eiser, stelde de controleambtenaar vast dat er door eiser inbreuken zouden gepleegd zijn op art. 58, § 4 W.BTW met betrekking tot de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge voor tweedehandse goederen.
Eiser zou een aantal tweedehandse personenwagens verkocht hebben met toepassing van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge, niettegenstaande niet alle voorwaarden tot toepassing van deze regeling met betrekking tot de herkomst van de goederen nageleefd werden.
Deze vaststellingen leidden tot een proces-verbaal van 17.12.2001 waarin gesteld werd dat eiser de hierna volgende bedragen verschuldigd is :
- 4.981.200 BEF (123.480,72 euro) aan BTW;
- 996.000 BEF (24.690,20 euro) aan geldboete in toepassing van art. 70, § 1 W.BTW en verminderd tot 20 % overeenkomstig het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele geldboeten op het stuk van de BTW, tabel G, eerste afdeling, rubriek V;
- wettelijke intresten overeenkomstig art. 91, § 1 W.BTW aan 0,8 % per maand vanaf 21.01.2000 over de som van 4.981.200 BEF (123.480,72 euro) (zie stuk 1, bundel verweerder)
Op 18.12.2001 werd er tegen eiser een dwangbevel uitgevaardigd, gesteund op het proces-verbaal van 17.12.2001. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 20.12.2001 (zie stuk 2, bundel verweerder).
In dit dwangbevel werden de voormelde bedragen gevorderd alsook moratoire intresten over de nog verschuldigde geldboeten vanaf de eerste kennisgeving of betekening van het dwangbevel in toepassing van art. 91, § 4 W.BTW alsmede de vervolgingskosten.
Bij exploot van gerechtsdeurwaarder L. R. te … van 04.02.2002 werd door eiser bij deze rechtbank verzet aangetekend tegen het dwangbevel van 18.12.2001.
In zijn akte van verzet zijn eiser onder meer uiteen dat :
- de BTW-administratie ten onrechte de desbetreffende verkopen heeft onderworpen aan de normale regeling van BTW en ten onrechte de toepassing van de bijzondere margeregeling heeft verworpen;
- men beschikt over de nodige documenten om de margeregeling toe te passen;
- eventuele gebreken in de bewijzen zijn niet de fout van eiser en kunnen hem niet aangewreven worden.
II. BEOORDELING
1. Ontvankelijkheid
Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.
De vordering is dan ook ontvankelijk.
2. Ten gronde
2.1. Met betrekking tot de toepassing van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge
De betwisting tussen partijen betreft de vraag of eiser terecht krachtens art. 58, § 4 W.BTW toepassing heeft gemaakt bij de verkoop van een 31-tal wagens in de boekjaren 1996 t.e.m. 1999 van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge gerealiseerd door hem als belastingplichtige wederverkoper op de door hem verrichte verkopen van tweedehandse voertuigen.
Krachtens deze bepaling is een bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge gerealiseerd door de belastingplichtige wederverkopers van toepassing op de door hen verrichte leveringen van tweedehandse voertuigen.
De toepassing van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge is aan een aantal voorwaarden onderworpen die betrekking hebben op :
- de aard van de goederen;
- de hoedanigheid van de verkoper;
- de hoedanigheid van de vorige eigenaar.
Enkel gebruikte goederen komen in aanmerking voor deze regeling, zoals in casu tweedehandse personenauto's
Tussen partijen bestaat er geen betwisting over de hoedanigheid van eiser ten aanzien van deze regeling, dit wil zeggen, over het feit dat eiser een belastingplichtige wederverkoper is die in beginsel op deze regeling een beroep kan doen (zie art. 58, § 4, 1° W.BTW).
De bijzondere regeling kan enkel worden toegepast indien de door de belastingplichtige geleverde goederen, noodzakelijkerwijze zijnde gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten hem binnen de Europese Gemeenschap zijn geleverd :
- door een niet-belastingplichtige, of;
- door een andere belastingplichtige, voor zover de levering van het goed door deze andere belastingplichtige krachtens art. 44, § 2, 13° W.BTW is vrijgesteld, of;
- door een andere belastingplichtige, voor zover de levering van het goed door deze andere belastingplichtige is vrijgesteld krachtens art. 56, § 2 W.BTW en het een bedrijfsmiddel betreft, of;
- door een andere belastingplichtige wederverkoper, voor zover de levering van het goed door deze andere belastingplichtige wederverkoper overeenkomstig de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge onderworpen is geweest aan de belasting.
De bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge is niet van toepassing op de door een belastingplichtige wederverkoper verrichte leveringen van goederen die hem binnen de Gemeenschap zijn geleverd door personen die bij de aankoop, de intracommunautaire verwerving of de invoer van goederen, de vrijstelling van belasting hebben genoten krachtens art. 42 W.BTW of die hebben genoten van de teruggaaf van de belasting krachtens art. 77, § 2 W.BTW.
Krachtens art. 54, § 4, 12° W.BTW worden de leveringen van de goederen waarop de belastingheffing krachtens de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge in beginsel van toepassing is, voor dewelke de voorwaarden en de modaliteiten die voor de toepassing van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge zijn, niet nageleefd worden, geacht te zijn verricht onder de normale regeling van de belasting. Wanneer de voorwaarden derhalve niet nageleefd zijn, geldt een weerlegbaar wettelijk vermoeden van belastingheffing over die leveringen onder de gewone, normale regeling der BTW.
De bewijslast van het vervuld zijn van de voorwaarden waaronder de margeregeling kan worden toegepast rust op de belastingplichtige, hetgeen wordt bevestigd door het bestaan van het weerlegbaar wettelijk vermoeden zoals voorzien in art. 58, § 4, 12° W.BTW.
De bijzondere voorwaarden waaronder de bijzondere regeling van BTW-heffing op de winstmarge van toepassing kan zijn, zijn opgenomen in het KB BTW nr. 53 van 25 december 1992 met betrekking tot de bijzondere regeling van de belastingheffing over de winstmarge voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten (BS 30 december 1994).
Zo moet de belastingplichtige die tegelijk goederen levert onder de normale regeling van belastingheffing en onder de margeregeling, de boekingen betreffende de margeregeling afzonderlijk in zijn boekhouding bijhouden.
In de BTW-Aanschrijving nr. 2 van 2 januari 1995 heeft de BTW-administratie een aantal voorwaarden opgenomen die de belastingplichtige toelaat het bewijs te leveren dat hij rechtsgeldig toepassing heeft gemaakt van de belastingheffing op de winstmarge op zijn levering van gebruikte goederen, in het bijzonder tweedehandse vervoersmiddelen, zoals eiser verhandelt.
Krachtens deze aanschrijving dient de belastingplichtige wederverkoper in het bezit te zijn van een factuur uitgereikt door zijn leverancier wederverkoper, zonder vermelding van de belasting maar voorzien van een formulering waaruit blijkt dat de winstmargeregeling werd toegepast.
Verder schrijft deze aanschrijving voor dat de belastingplichtige wederverkoper van zijn leverancier een origineel attest moet krijgen op het ogenblik van de levering en uitgaande van de oorspronkelijke verkoper - vorige gebruiker en waarvan het model door de BTW-administratie is vastgelegd. In dit attest moet de verkoper - vorige gebruiker van het voertuig bevestigen dat hij geen enkel recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de belasting heeft kunnen uitoefenen bij de aankoop, intracommunautaire verwerving of invoer van het vervoermiddel.
Verder moet hij een kopie van het inschrijvingsbewijs van het vervoermiddel bewaren in de gevallen waar overeenkomstig de reglementering betreffende de inschrijving van de motorvoertuigen een inschrijvingsbewijs vereist is.
Hij moet tevens een aankoopregister bijhouden met de aankopen van de tweedehandse vervoermiddelen, evenals een vergelijkingsregister. Hij moet de tweedehandse vervoermiddelen die hij verkoopt, individualiseren.
De belastingplichtige wederverkoper moet zowel het attest als het inschrijvingsbewijs van het voertuig bewaren.
Indien de belastingplichtige deze stukken niet kan voorleggen, kan hij door alle middelen van recht aantonen dat hij ertoe gerechtigd was de levering te verrichten met toepassing van de belastingheffing over de winstmarge. In ieder geval rust dan op hem de bewijslast dat de wettelijke voorwaarden tot toepassing voldaan zijn (zie art. 58, § 4, 12° W.BTW). Slaagt hij daar niet in, dan wordt de levering geacht plaats te vinden onder de normale regeling van heffing van de BTW.
In deze zaak houdt verweerder voor dat eiser niet op afdoende wijze bewijst dat hij voor de verkopen van tweedehandse vervoermiddelen in 1996 t.e.m. 1999 terecht een toepassing heeft gemaakt van de BTW-belastingheffing over de winstmarge voor die verkopen. Het gaat om de verkopen opgenomen in het proces-verbaal van 17.12.2001, lastens eiser opgesteld (zie stuk 1, bundel verweerder).
Meer bepaald blijkt uit nazicht van de boekhouding van eiser dat eiser enerzijds in het bezit is van aankoopfacturen uitgereikt door een andere belastingplichtige wederverkoper van gebruikte vervoermiddelen voorzien van de vermelding "levering onderworpen aan de bijzondere regeling BTW over de marge BTW niet aftrekbaar" en anderzijds werden er aan deze facturen attesten gehecht waarbij diezelfde belastingplichtige wederverkoper verklaart te handelen in zijn hoedanigheid van particulier. De aankoopfacturen met nrs. 97/25, 97/36 en 97/79 droegen die vermelding niet.
Ingevolge de tegenstrijdige inhoud van de stukken aangetroffen in de boekhouding van eiser en ingevolge het feit dat eiser in gebreke blijft andere stukken bij te brengen waaruit de daadwerkelijke oorsprong van de desbetreffende voertuigen zou kunnen blijken, is verweerder van oordeel dat deze voertuigen niet in aanmerking kwamen voor de toepassing van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge, zoals voorzien in art. 58, § 4 W.BTW.
Voor al de verkopen opgenomen in het proces-verbaal van 17.12.2001 gaat het om tweedehandse auto's die aan eiser zijn geleverd door een Belgische BTW-plichtige, zijnde enerzijds mevr. G. A., handel drijvend onder de commerciële naam "A. S. C." en "A. S. C. B." en anderzijds NV G. B..
Voor al deze aankopen van tweedehandse auto's bij A. S. C. brengt eiser thans onder meer de volgende stukken bij :
- een kopie van de verkoopfactuur van een tweedehandse personenauto uitgaande van eiser;
- een kopie van een aankoopfactuur van A. S. C. of G. B. waarop met een stempel de vermelding "levering onderworpen aan bijzondere regeling BTW over de marge, BTW niet aftrekbaar" is aangebracht (behalve op de aankoopfacturen met nrs. 97/25, 97/36 en 97/79);
- een kopie van een Duitse ''fahrzeugbrief” en inschrijvingsbewijzen;
- een attest opgesteld door A. S. C. B. of G. B. naar het model van de hoger vermelde BTW-aanschrijving nr. 2 waarop de vermelding voorkomt dat de leverancier van het voertuig A. S. C. B. of G. B. ten aanzien van de verkoop van het voertuig aan eiser handelt als "particulier"
(zie stukken 4 t.e.m. 31 , bundel eiser).
Aangezien A. S. C. of G. B. op het ogenblik van de levering van de tweedehandse voertuigen aan eiser voor BTW-doeleinden geïdentificeerd was als een BTW-belastingplichtige, hetgeen ook door eiser vastgesteld kon worden daar deze leverancier op zijn facturen melding maakt van zijn BTW-nummer, is deze vermelding op de attesten dat hij als particulier handelt manifest in strijd met de vermelding op de facturen. De attesten en facturen bevatten totaal tegenstrijdige gegevens en zijn geenszins in overeenstemming met elkaar te brengen. In tegenstelling tot hetgeen eiser beweert, is om hoger vermelde redenen de aankoopfactuur op zich niet voldoende om te kunnen genieten van dit bijzondere BTW-regime. De BTWplichtige verkoper handelde niet als particulier en er ligt ook geen bewijs voor dat de respectievelijke rechtsvoorgangers van de BTW-plichtige, particulieren waren die het voertuig niet beroepsmatig gebruikten en die geen belasting over de aankoop ervan in aftrek hebben gebracht.
In tegenstelling tot hetgeen eiser voorhoudt kan hij thans dan ook niet volhouden dat hij het bewijs van aankoop van de door hem geleverde tweedehandse voertuigen overeenkomstig art. 58, § 4, 2° W.BTW levert onder de voorwaarden gesteld in de Aanschrijving nr. 2.
Derhalve treedt voor deze verkopen het weerlegbaar vermoeden van art. 54, § 4, 12° W.BTW in werking dat stelt dat in principe de wederverkoop had dienen te geschieden onder toepassing van de normale BTW-regeling, tenzij eiser alsnog aantoont dat de tweedehandse voertuigen hem geleverd werden door een wederverkoper die zelf voor de aankoop van de auto's, hetzij de intracommunautaire verwerving of de invoer, geen enkel recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de belasting heeft kunnen uitoefenen.
Met verweerder moet worden vastgesteld dat eiser dit bewijs niet levert door het voorleggen van een factuur voor ieder van de door hem verrichte aankoop van een tweedehandse auto bij A. S. C. of G. B., noch door het voorleggen van een Duits inschrijvingsbewijs. Op deze wijze wordt immers geen bewijs bijgebracht van het BTW-regime waaronder de leverancier van eiser het aan eiser verkochte voertuig in zijn voorraad heeft opgenomen, noch wat het BTW-regime van de rechtsvoorgangers van deze leverancier ten aanzien van het voertuig was.
Terecht merkt verweerder op dat het attest voorgelegd door eiser per aangekocht voertuig bij A. S. C. B. of G. B. waarop de vermelding ''particulier" is aangeduid, gezien moet worden in samenhang met de overlegde factuur en het inschrijvingsbewijs. Het geheel van deze documenten verschaft geen zekerheid over het BTW-regime waaronder A. S. C. B. en G. B. het voertuig aanschafte omdat de samenlezing van de factuur en het attest duidelijk aantonen dat A. S. C. B. en G. B. geen particulieren zijn.
Een dergelijk attest geeft geen uitsluitsel over de vraag of het verkochte tweedehandse voertuig in hoofde van de leverancier van eiser of in hoofde van diens leverancier het finale verbruiksstadium had bereikt zoals omschreven in art. 54, § 4 W.BTW.
Zodoende had hij de tweedehandse vervoermiddelen dienen te leveren onder het normaal regime van de BTW, met belastingheffing over de prijs van het vervoermiddel.
De naar Belgische wetgeving verlangde bewijsinvulling is, in tegenstelling tot hetgeen voorgehouden door eiser, niet onmogelijk.
Eiser voert verder nog aan dat het vertrouwensbeginsel zou zijn geschonden door de verwerping van de toepassing van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge en door het niet juist toepassen van de Aanschrijving nr. 2 waarin volgens eiser een vaste gedragslijn van de fiscus in terug te vinden is.
De rechtbank is evenwel op grond van het bovenstaande tot het oordeel gekomen dat eiser voor alle in het proces-verbaal van 17.12.2001 opgesomde leveringen niet voldoet aan de voorwaarden van deze Aanschrijving nr. 2 zodat zijn vertrouwen in dat opzicht niet kan geschonden zijn.
Daarenboven verleent deze Aanschrijving nr. 2 op zichzelf geen absoluut recht op toepassing van de margeregeling vermits de wijze van bewijsvoering ook anders dan zoals omschreven in deze Aanschrijving nr. 2 kan geleverd worden.
De overige argumenten van eiser zijn ter zake niet dienend.
De vordering is wat dit punt betreft ongegrond.
2.2. Met betrekking tot de opgelegde geldboete
Aan eiser werd een administratieve geldboete ten bedrage van 996.000 BEF (24.690,20 euro) opgelegd. Deze boete opgelegd in toepassing van art. 70, § 1 W.BTW en overeenkomstig afdeling I, rubriek V van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele geldboeten op het stuk van de BTW verminderd tot 20 %.
De rechter kan met volle rechtsmacht oordelen over de door de administratie opgelegde geldboete (zie E.H.R.M., 4 maart 2004, T.F.R., 2004,nr. 264,636).
Volle rechtsmacht houdt in dat de rechter de rechtsmacht heeft om in het licht van de concrete omstandigheden over te gaan tot behoud, vermindering of kwijtschelding van de geldboete.
Eiser moet tot het bewijs van het tegendeel worden geacht te goeder trouw te hebben gehandeld. Het is echter op grond van de hoger geciteerde vaststellingen ook duidelijk dat eiser als beroepshandelaar in tweedehandse voertuigen met betrekking tot de aan hem gedane leveringen door A. S. C. en G. B. bijzonder onnauwkeurig heeft gehandeld. Hij dient derhalve als beroepshandelaar de gevolgen te dragen van zijn gebrek aan zorgvuldigheid bij het naleven van de door de wet opgelegde verplichtingen.
In de gegeven omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat een geldboete van 10 % aansluit bij de feiten.
De vordering van eiser tot kwijtschelding of vermindering van de geldboete is in hoger vermelde zin gedeeltelijk gegrond.
De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak en na beraadslaging,
Verklaart het verzet tegen het dwangbevel van 18.12.2001 ontvankelijk, en in de hierna vermelde mate gegrond.
Herleidt de in het dwangbevel van 18.12.2001 gevorderde administratieve geldboete tot 10 % van de verschuldigde belasting.
Wijst eiser voor het overige af.
Veroordeelt eiser tot ¾ en verweerder tot ¼ van de kosten en begroot deze als volgt :
- in hoofde van eiser op de som van :
- 185,92 euro rechtsplegingsvergoeding;
- 64,02 euro dagvaardingskosten;
- in hoofde van verweerder op de som van :
- 185,92 euro rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer D op het gerechtshof te Hasselt op 07.11.2007 alwaar aanwezig waren :
De Heer L. B., rechter, waarnemend voorzitter,
Mevrouw M. C., rechter,
Mevrouw C. V., rechter,
De Heer L. P., e.a. adjunct-griffier.
L. P. C. V. M. C. L. B.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.