Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 25.02.2002
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :
de NV S. D. L., (H.R.·Brugge nr. …), met maatschappelijke zetel te …, …,
eiseres
voor wie optreedt Meester J.-P. V. N., advocaat te …
tegen :
de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie der Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, om vervolging en benaarstiging van :
a) De heer Rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te 8800 Roeselare, wiens kantoor aldaar gevestigd is, Ronde Kom 30;
b) De heer L. B., Eerst aanwezend inspecteur, bij een fiscaal bestuur a.i. van het BTW-Ontvangkantoor te 8800 Roeselare, Ronde Kom 30;
c) De heer L. V., Eerst aanwezend inspecteur, aangewezen door de Heer Gewestelijk Directeur van Brugge, Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, Registratie en Domeinen, afdeling Brugge, wiens kantoor gevestigd is te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4;
d) De heer D. E., Eerstaanwezend verificateur bij de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, Registratie en Domeinen, in die hoedanigheid ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en inkomensfiscaliteit, verbonden aan het controlecentrum te Brugge, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4;
e) De heer Directeur van het AOIF-Centrum Brugge, wiens kantoren gevestigd zijn te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4.
Zijnde voor haar op de Bischoffsheimlaan 38 te Brussel.
verweerder
voor wie optreedt Meester L. D. S., advocaat te …
I. RECHTSPLEGING
Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet de dato 4 juli 2000.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 28 januari 2002.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENSVAN DE ZAAK
2.1. Eiseres is gekend en ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer …, ingevolge de door haar aangevatte activiteit van meubelfabriek.
Op 15 december 1998 werd een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde en dit over de periode van 1 maart 1995 tot 28 februari 1997.
Door de controlerende ambtenaren werd op 17 december 1999 een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd.
Op 4 mei 2000 werd door de eerstaanwezend inspecteur a.i., van het BTW-ontvangkantoor te Roeselare, overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW, een dwangbevel uitgevaardigd.
Voormeld dwangbevel werd op 8 mei 2000 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer L. V. W., eerstaanwezend inspecteur, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge en op 24 mei 2000 bij deurwaardersexploot betekend aan eiseres.
2.2. Eiseres vraagt dat het verzet ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens voor recht wordt gezegd dat het bestreden dwangbevel nietig is en zonder gevolg. In ondergeschikte orde vraagt eiseres dat de rechtbank de opgelegde boete van … BF nietig en zonder gevolg verklaart.
Tevens vordert zij dat verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in haar hoofde begroot op in totaal … BF, zijnde … BF, dagvaardingskosten en … BF rechtsplegingsvergoeding en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.
2.3. Verweerder vraagt dat het verzet ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder begroot op … BF rechtsplegingsvergoeding. Tenslotte stelt verweerder dat eiseres in ieder geval de dagvaardingskosten dient te dragen.
III. BEOORDELING
3.1. nopens de grond van de zaak
3.1.1. Op 6 april 1989 heeft eiseres een huurovereenkomst gesloten met de NV F. met betrekking tot het industrieel complex gelegen te …, …, voor de duur van 30 jaar en tegen betaling van een jaarlijkse huurprijs van … BF.
Van 1 januari 1995 tot 30 juni 1995 heeft eiseres met eigen personeel aan bovenvermeld gehuurd goed investeringswerken verricht voor een bedrag van … BF
Eiseres maakte op 18.09.1995 aan zichzelf een stuk op met nummer …. De verschuldigde BTW ten bedrage van … BF werd in aftrek gebracht en deze werken werden in de boekhouding uitgedrukt onder de post “materiële en vaste activa inrichting magazijn”.
Het deel van de werken dat geen betrekking had op de inrichting van het magazijn, doch betrekking had op de gebouwen werd door gefactureerd aan de eigenaar van het gehuurd onroerend goed, de NV F. bij factuur de dato 4.12.1995 met nummer … en dit voor een bedrag van … BF zonder BTW. Deze factuur vermeldt als omschrijving : “doorgerekende kosten van onderhoud en herstelling gebouwen”.
In 1996 werd door de NV F. kwijtschelding van huur verleend aan eiseres voor een bedrag van … BF. Dit bedrag werd door eiseres geboekt als “andere uitzonderlijke opbrengsten”.
3.1.2. Eiseres stelt dat zij midden de jaren ‘90 met ernstige financiële moeilijkheden kampte en de NV F. een aantal steunmaatregelen had uitgewerkt om eiseres van het faillissement te redden. De voormelde steunmaatregelen bedroegen in totaal in het jaar 1996 … BF en in het jaar 1997 … BF. In 1996 bestond de financiële steun onder meer uit een bedrag van … BF, afkomstig van de NV M. en een kwijtschelding van huur door de NV F. ten bedrage van … BF. In 1997 bestond de steunmaatregel uit diverse beschikkingsstellingen van gelden of kwijtscheldingen door de verbonden ondernemingen. Eiseres stelt dat zij zonder deze steunmaatregelen hopeloos failliet was gegaan.
Zij stelt verder dat verweerder niet het bewijs levert dat de huur werd kwijtgescholden als tegemoetkoming voor de uitgevoerde inrichtingswerken. De steunmaatregelen die in hun geheel moeten bekeken worden, tonen immers geen enkel verband aan, noch qua bedragen, noch qua tijdstip, noch qua motief met de in 1995 uitgevoerde inrichtingswerken aan het magazijn. De toegekende steunmaatregelen zijn volgens eiseres enkel ingegeven om eiseres van het faillissement te redden.
3.1.3. Verweerder stelt daarentegen dat de kwijtschelding van huur ter waarde van … BF die toegekend is eind 1996, moet beschouwd worden als een indirecte terugbetaling van voormelde inrichtingswerken ad. … BF.
3.1.4. De rechtbank stelt vast dat de BTW op de investeringswerken aan het kwestieus gebouw aftrekbaar zijn wanneer zij worden verricht door en voor rekening van de huurster (eiseres). Deze BTW, is echter niet aftrekbaar wanneer deze werken zijn verricht door of voor rekening van de verhuurster de NV F., aangezien de verhuur van uit hun aard onroerende goederen op grond van artikel 44, § 3, 2°, W.BTW vrijgesteld is van de belasting en de verhuurster derhalve deze gemaakte kosten gebruikt voor het verrichten van vrijgestelde handelingen.
De beslissing van eiseres om deze investeringswerken uit te voeren aan het gehuurde gebouw is, gelet op haar zeer precaire financiële situatie, zeer merkwaardig wanneer zij, zoals zij zelf stelt, er in 1995 nog van uitging dat zij de achterstallige huur van 1994 ten bedrage van … BF evenals de latere huur nog ging moeten betalen. Haar initiatief tot deze verbouwing wijst er dan ook op dat er van in het begin een intentie bestond tot kwijtschelding, temeer daar er op geen enkel ogenblik enig initiatief werd genomen of afspraken werden gemaakt met betrekking tot de terugbetaling van de huurachterstallen en met betrekking tot de termijn waarbinnen dit moest gebeuren. Dat de toegekende steunmaatregelen enkel dienden om eiseres van het faillissement te redden is niet geloofwaardig nu eiseres voldoende in haar toekomst geloofde en dienovereenkomstig investeringen verrichtte.
Ten deze dient ook besloten dat de door NV F. kwijtgescholden huur, als een terugbetaling van de door de huurster (eiseres) gedane kosten dient te worden aangemerkt. Het is duidelijk dat de huurder (eiseres) de door haar gedane kosten geheel of gedeeltelijk in de een of de andere vorm terugbetaald kreeg door de eigenaar of hoofdhuurder, de NV F.. Bijgevolg heeft eiseres, bij toepassing van artikel 20 W.BTW, aan de NV F. een dienst verstrekt in de mate waarin de gedane werken door deze laatste werden vergoed. Bijgevolg moet de huurder (eiseres) aan de NV F. een factuur uitreiken volgens de gewone regels. De maatstaf van heffing is de vergoeding in geld of, bij ontstentenis daarvan, de normale waarde van de tegenprestatie. In casu werd de maatstaf van heffing dan ook terecht bepaald op het bedrag van de door de NV F. kwijtgescholden huur zijnde … BF.
3.2. nopens de vermindering of kwijtschelding van de boete
3.2.1. Eiseres stelt ondergeschikt dat de opgelegde boete van … BF als ongegrond dient verworpen te worden aangezien zij niet in evenredigheid is met de begane overtreding.
3.2.2. Het Arbitragehof oordeelde in zijn arrest van 24 februari 1999 dat artikel 70 W.BTW de artikelen 10 en 11 van de grondwet niet schendt wanneer het de rechter, bij wie een verzet tegen een dwangbevel aanhangig is, toestaat op de beslissing een fiscale geldboete op te leggen een controle met volle rechtsmacht uit te oefenen.
De rechtbank dient deze grondwetsconforme interpretatie toe te passen waardoor het mogelijk wordt niet alleen te toetsen of de boete in rechte dan wel in feite verantwoord is en of de wettelijke bepalingen werden nageleefd, doch bovendien gerechtigd is de opportuniteit van de fiscale geldboeten te beoordelen.
Daarenboven verleent de wet betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken de dato 23 maart 1999 uitdrukkelijk aan de bevoegde rechtsmachten de bevoegdheid op de opportuniteit van de fiscale geldboeten en verhogingen te beoordelen.
3.2.3. De proportionele fiscale boete werd overeenkomstig tabel G, eerste afdeling, V van het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987 bepaald op 20 % van het bedrag van de verschuldigde belasting.
De verschuldigde geldboete werd dientengevolge vastgesteld op 20 % van … BF, zijnde … BF.
3.2.4. De rechtbank stelt vast dat de begane overtreding, nl. het niet opnemen van belastbare handelingen in de daartoe bestemde aangiften, ernstig is en het algemeen belang schade toebrengt. Eiseres brengt bovendien geen enkel argument naar voor die als verzachtende omstandigheid kan worden aangemerkt om over te gaan tot kwijtschelding of vermindering van de boete.
De hierboven geschetste concrete omstandigheden verantwoorden het opleggen van een dergelijke fiscale geldboete. Bovendien is de fiscale geldboete evenredig met de gepleegde inbreuken.
OM DEZE·REDENEN,
Dispositif
De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Verklaart het verzet ontvankelijk doch wijst het af als ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op … EUR, uit hoofde van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op vijfentwintig februari tweeduizend en twee.
Aanwezig zijn :
H. N., aJleenrechtsprekend rechter
L. N., e.a. adjunct-griffier
N. L. N. H.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.