Exonération, autre exemption, droit à déduction de l’impôt · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruxelles 14 novembre 2008

Rechercher
Texte en néerlandais

Exonération, autre exemption, droit à déduction de l’impôtTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-autre-exemption-droit-deduction-tribunal-bruxelles-2008-11-14-c9f2

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruxelles
Date
14 novembre 2008

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

92 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruxelles du 14.11.2008

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 35ste KAMER

AR 2002/11875/A

- Fiscale zaken : BTW

- op tegenspraak

- eindvonnis

Inzake van :

NV P. P., met zetel te …, …, met KBO-nummer …

eisende partij,

vertegenwoordigd door Mr. M. V. D. B., advocaat te …, …,

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, Sector BTW, op vervolging en benaarstiging van de e.a. Inspecteur van het Ontvangkantoor Halle, met kantoren te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat nr. 32,

verwerende partij,

vertegenwoordigd door Mr. F. S., advocaat te …, … (ref. : ),

In deze zaak, in beraad genomen op 30/09/2008, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken :

Gelet op :

- de inleidende dagvaarding in verzet betekend op 18/01/2000;

- de conclusies van eiseres neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg van Leuven 24/04/2002;

- het verwijzingsvonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Leuven d.d. 11/10/2002;

- de conclusies en aanvullende conclusies voor verweerster neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg van Leuven op 5/06/2001 en 23/05/2002;

- gelet op het tussenvonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel d.d. 31 mei 2005;

- gelet op de conclusies na tussenvonnis van verweerster, neergelegd ter griffie op 2/09/2005;

- gelet op de conclusies na tussenvonnis van eiseres, neergelegd ter griffie op 28/09/2005;

- gelet op de conclusies na tussenvonnis van verweerster, neergelegd ter griffie op 9/12/2005;

- gelet op de beschikking 747, § 2 d.d. 22/01/2008;

- gelet op de syntheseconclusies na tussenvonnis voor eiseres, neergelegd ter griffie op 13/06/2008;

- het bundel met stukken van eiseres, neergelegd ter griffie op 13/06/2008;

- het bundel met stukken van verweerster neergelegd ter zitting op 30/09/08;

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 30/09/2008, waarna twee bundels met de stavingstukken van partijen werden neergelegd en de zaak in beraad werd genomen.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.


1. FEITEN

Het geding heeft betrekking op een geschil inzake BTW-wetgeving.

Eiseres, BTW-plichtige, nam een aan de NV M. verleend recht van opstal over met inbegrip van de gebouwen die deze laatste op basis daarvan had gebouwd. De notariële akte m.b.t. deze verkoop werd verleden op 13/03/1998.

Partijen hebben de bedoeling deze verkoop te laten plaatsvinden onder het BTW-stelsel.

N.a. v. de verkoop wordt door NV M. op 5/03/1998 een factuur opgesteld voor een totaal bedrag van 26.136.000 BEF (21.600.000. BEF voor de verkoop van het gebouw; 4.536.000 ten titel van BTW).

In het kader van een/de vraag van eiseres tot aftrek (aanvraag tot teruggave) van de 4.536.000 BEF aan BTW die aan haar gefactureerd werd voerden de diensten van verweerster een onderzoek uit dat aanleiding gaf tot het opstellen van het proces-verbaal d.d. 31/10/1989.

Volgens dat proces-verbaal wordt de aftrek van BTW geweigerd omdat er een onregelmatige factuur inzake BTW zou zijn opgemaakt en omdat eiseres geen activiteit van onroerende financieringshuur zou uitoefenen conform de voorwaarden voorzien in art. 44, § 3, 2°, W.BTW.

Op 21 september wordt een akte van inhouding aangezegd aan eiseres waarin wordt, medegedeeld dat het BTW-bedrag, wordt ingehouden, om redenen van het bestaan van een betwiste schuld.

Eiseres antwoordt op de correctieopgave dat zij niet akkoord is met de motivering van het proces-verbaal.

Op 12 november 1999 wordt aan eiseres een dwangbevel betekend waarin bepaald wordt dat eiseres aan verweerster een bedrag van 4.4851.637 als BTW, verschuldigd is, meer een boete t.b.v. 450.000 BEF.

D.m.v. dagvaarding in verzet betekend op 18/01/2000 wordt de zaak aanhangig gemaakt bij de·rechtbank van eerste aanleg van Leuven die de zaak bij vonnis d.d. 11/10/2002 naar deze rechtbank verzendt.

2. VOORWERP VAN DE VORDERING

De vordering strekt ertoe het bestreden dwangbevel, "gekend onder Reg. 127/1753", van nul en generlei waarde te horen verklaren en eiseres te horen ontslaan van de in dit dwangbevel ten onrechte van haar gevorderde sommen".

Zij beoogt tevens de veroordeling van verweerster, tot integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald en/of ingehouden en die toegerekend werden op de sommen vermeld in het dwangbevel waarvan de vernietiging wordt gevorderd.

Tot slot beoogt zij de veroordeling van verweerster tot de kosten van het geding.

3. BEOORDELING

3.I. Ontvankelijkheid

De vordering van eiseres werd ingesteld bij dagvaarding in verzet betekend op 18/01/2000.

Verweerder betwist de ontvankelijkheid van de vordering van eiser niet.

Nu er geen ambtshalve gronden van niet - ontvankelijkheid dienen te worden opgeworpen is de vordering van eiseres niet ontvankelijk.

3.II. Gegrondheid

Uit het dossier blijkt dat bij notariële akte d.d. 13/03/1998 opstallen (zonder grond) werden verkocht door NV M. evenals het recht van opstal zelf aan eiseres (zie stuk 2 bundel eiseres : blz. 2 onderaan notariële akte).

Deze opstallen werden door NV M. opgericht op grond van een opstalrecht dat aan NV M. werd verleend bij notariële akte d.d. 26/12/1995.

Bij overname op 13/03/1998 werd geopteerd om de verkoop onder het BTW-stelsel te laten gebeuren.

Daartoe werd door de verkoper, NV M., een voorafgaandelijke verklaring ingediend op 3/03/1998 op het bevoegde BTW-kantoor.

NV M. leverde voor de verkoop een factuur af op 5/03/1998 voor een bedrag van 26.136.000 BEF, waarin 4.536.000 BEF aan BTW was inbegrepen.

Uit de notariële akte blijkt voorts dat de eerste inkohiering van de onroerende voorheffing heeft plaatsgehad op 2/12/1997 aldus NV M.. Dit lijkt niet betwist te worden. Partijen delen hieromtrent ook geen stukken mee.

Verweerder stelt dat de huurgelden betaald op grond van de contracten van onroerende financiergshuur door de oorspronkelijke verkoper, de NV M., afgesloten met de NV E. en met de NV P.D.B., en overgenomen door eiseres sedert 13/03/1998 (datum van overname) vrijgesteld zijn van BTW omdat wanneer een leasinggever voor het verstrijken van de in het contract van financieringshuur bepaalde termijn de goederen die er het voorwerp van uitmaken, aan een ander persoon dan de leasingnemer overdraagt, die overdracht tot gevolg heeft dat het contract van financieringshuur buiten de werkingssfeer van art. 44, § 3, 2°, b W.BTW valt.

Doordat voormelde huren vrijgesteld zijn van BTW heeft aldus verweerster, eiseres de hoedanigheid van belastingplichtige zonder recht op aftrek en zodoende kan ze bij toepassing van art. 45, § 1 W.BTW de BTW geheven van haar uitgaven niet in aftrek brengen.

Eiseres betwist dit.

Eiseres stelt dat de overdracht inzake onder het stelsel van de BTW kan gebeuren in zoverre de belastingplichtige op de in KB nr. 14 bepaalde wijze kennis heeft gegeven van zijn bedoeling het gebouw te vervreemden met voldoening van de BTW.

Verweerster argumenteert dat omdat door de overdracht van de opstallen en het recht van opstal de contracten van financieringshuur afgesloten tussen NV M. en NV E. enerzijds en NV P.D.B. anderzijds buiten de toepassingssfeer van de BTW vallen waardoor eiseres geen recht op aftrek van BTW meer heeft.

Indien de leasinggever voor het verstrijken van het leasingcontract de goederen die het voorwerp van het contract van financieringshuur uitmaken verkoopt aan iemand anders dan de leasingnemer, heeft deze verkoop tot gevolg dat het onroerend leasingcontract buiten de werkingssfeer van art. 15, § 2 W.BTW aanschrijving nr. 10 d.d. 15 maart 1973, nr. 51.

De aanschrijving preciseert verder dat dit het geval is zelfs zo de overdracht onder toepassing van de BTW valt.

De opstallen en het opstalrecht konden in toepassing van art. 44, § 3, 1°, a) W.BTW onder toepassing van het BTW-stelsel worden verkocht aan eiseres.

Uit de conclusies van verweerster blijkt dat “zij niet het tegendeel beweert dat eiseres onder het bepaalde van art. 44, § 3, 1° W.BTW ressorteert.

Vraag is of, nu ver verkoop onder toepassing van de BTW viel eiseres de door haar NV M. betaalde BTW ook in aftrek kan brengen.

Nu net door de verkoop de contracten van financieringshuur niet meer onder het toepassingsgebied van de BTW vallen kan er, zoals verweerster stelt logischerwijze ook geen recht op aftrek meer zijn temeer daar de verhuur van het onroerend goed gelegen te …, … de enige activiteit van eiseres uitmaakt.

Eiseres argumenteert dat de situatie inzake anders is omdat ook het financieringshuurcontract werd overgedragen.

Nu fiscale bepalingen strikt geïnterpreteerd dienen te worden kan deze redenering van eiseres niet gevolgd worden.

De vordering van eiseres is bijgevolg ongegrond.

4. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

Aangezien de vordering van eiseres ongegrond is, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het gerechtelijk wetboek, ten laste gelegd van haar.

Uit het dossier blijkt dat de waarde van het geschil € 19.750,47 (zonder interesten) bedraagt.

De waarde van de vordering (met interesten) situeert zich derhalve tussen € 20.000,01 en € 40.000,01.

Partijen verklaarden ter zitting dat ze basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding vorderen.

Op grond van de waarde van het geschil kan deze vergoeding begroot worden op € 2000. Nu geen der partijen een vordering instelt instelt tot verhoging of verlaging van dit basisbedrag kan dit bedrag toegekend worden.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,

Alle andersluidende en meeromvattende besluiten van de hand wijzende aIs niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk maar ongegrond,

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding in hoofde van verweerster begroot op € 2000 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter buitengewone openbare terechtzitting van de 35ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 14 november 2008.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer M. L., rechter

Mevrouw I. D., griffier.

I. D. M. L.