Établissement de la taxe · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 26 mai 2005

Rechercher
Texte en néerlandais

Établissement de la taxeTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/etablissement-taxe-cour-appel-anvers-2005-05-26-8ca1

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
26 mai 2005

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

50 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 26.05.2005

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, VIJFDE KAMER, rechtdoende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen :

Inzake : 2003/AR/128

De BELGISCHE STAAT, in de persoon van :

1. de ontvanger van het derder BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, kantoorhoudende te 2000 Antwerpen, ltaliëlei 4 bus 4;

2. de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-controlekantoor Mortsel 1, kantoorhoudende te 2640 Mortsel, Mechelsesteenweg 56-58;

appellant

tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 11 oktober 2002

vertegenwoordigd door Mr. A. v. L. d. J., advocaat te 2018 Antwerpen, Van Breestraat 21;

tegen :

N.V. P., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder nr. …, ondernemingsnummer …;

geïntimeerde

vertegenwoordigd door Mr. K. H. loco Mr. H. D., advocaat te …, …;


In het bestreden vonnis van 11 oktober 2002 heeft de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen het verzet van geïntimeerde tegen het dwangbevel inzake BTW dd. 13 juli 2000 gegrond verklaard en rechtens gezegd dat zij niet gehouden was tot de in dit dwangbevel gevorderde sommen.

De teruggave werd bevolen van hetgeen reeds zou betaald zijn in uitvoering van het dwangbevel, te vermeerderen met de intresten.

Appellant tekende hoger beroep aan bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 14 januari 2003 en vraagt de afwijzing van het verzet.

Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep.


Doel en grondslag, zowel in feite als in rechte, blijken uit het bestreden vonnis. Het hof verwijst ernaar.

Beide partijen zijn het erover eens dat de kunstgrasvelden onroerend van aard zijn.

Aldus dient ervan uitgegaan dat het kunstgras duurzaam met de grond verbonden is of eraan vastzit (art. 518 BW).

De eerste rechter heeft, samengevat, geoordeeld 1) dat overeenkomstig art. 2 W.BTW. de handelingen van de belastingplichtige in beginsel als aan belasting onderworpen handelingen moeten worden aangemerkt, 2) dat hieruit moest worden afgeleid dat op de fiscus de bewijslast rustte aan te tonen dat de kwestieuze handeling vrijgesteld is van BTW en 3) dat op grond van de voor handen zijnde feitelijke gegevens de fiscus niet bewees dat de ter beschikking stelling van de sportvelden in kwestie als een verhuring diende aangezien en derhalve als vrijgesteld van belasting.

Appellant meent dat op hem niet de bewijslast rust dat de vrijstelling in kwestie van toepassing is. Hij wijst erop geen partij te zijn in de gestelde handeling en zich dus niet op de vrijstelling "te beroepen" maar enkel de ambtshalve vrijstelling toe te passen omdat deze nu eenmaal "van kracht is".

Daarbij gaat appellant voorbij aan het beginsel volgend uit art. 2 W.BTW : als belastingplichtige mocht geïntimeerde ervan uitgaan dat de litigieuze handeling aan BTW onderworpen was, ongeacht het toepasselijke tarief van de belasting.

Wanneer appellant voorhoudt dat het vermoeden van belastbaarheid te dezen niet geldt draagt hij desbetreffend de bewijslast.

Blijkens de overgelegde stukken behoort de grond waarop de kunstgrasterreinen werden aangelegd toe aan een zekere mevrouw V. D.. Deze heeft de gronden verhuurd aan de VZW V. die de gronden uitsluitend mag aanwenden als sportterrein voor de hockey­sport (art. 3 van de huurovereenkomst).

In een addendum dd. 31 december 1984 op deze huurovereenkomst (waarna later :109 addenda werden toegevoegd) is geïntimeerde weliswaar "tussengekomen" in de overeenkomst en heeft bepaalde (voornamelijk een hoofdelijke borgstelling voor de verbintenissen van de huurster) maar is zelf niet de huurster of medehuurster geworden.

Krachtens art. 4 van het addendum wordt "aan de huurster en de tussenkomende partij" toegelaten op hun kosten een hockeyterrein in kunstgras aan te leggen op de gehuurde grond. Daarbij wordt hen ook toegelaten "alle infrastructuurwerken uit te voeren met het oog op het aanleggen van hogervermeld kunstgrasveld, mits toelating van de gemeente Edegem".

Daaraan wordt toegevoegd dat "alle infrastructuurwerken en verbeteringswerken aan het terrein door de huurster aangebracht, blijven bij het einde van de huurovereenkomst aan de verhuurster verworven, met dien verstande dat de huurster niet gerechtigd zal zijn aanspraak te maken op hetzij welke vergoeding uit hoofde van de uitgevoerde werken of meerwaarde aan het verhuurde goed verschaft n.a.v. de door haar uitgevoerde werken".

Uit één en ander volgt dat geïntimeerde geen enkel zelfstandig recht kan laten gelden op de grond waarop de kunstgrasterreinen werden aangelegd en dat haar eigendomsrecht op de kunstgrasvelden precair is.

De prestaties die de hockeyclubs van geïntimeerde vroegen beperken zich tot de aanleg van de terreinen met infrastructuur en de financiering hiervan. De tegenprestatie die geïntimeerde vroeg (de jaarlijkse betalingen zoals bepaald in art. 3 van de overeenkomst van 1 september 1995) is contractueel omschreven als vergoeding voor "het gebruik" van de kunstgrasvelden. Dit gebruik is evenwel niet te aanzien als huur aangezien de clubs hun rechten op het gebruik van de terreinen putten uit hun huurovereenkomst met de eigenaar van de grond. Geïntimeerde heeft ten overstaan van de clubs een dienst verleend door de gehuurde terreinen te voorzien van de nodige infrastructuur. De ter beschikking stelling van deze verbeteringen van de door de clubs gehuurde terreinen kan in de gegeven omstandigheden niet aangezien worden als een verhuur maar draagt veeleer de kenmerken van een aanneming en een financiering.

Dat de tegenprestaties in hoofde van de clubs bestaat uit jaarlijkse betalingen, bepaald in art. 3 van het contract dd. 1 september 1995, doet daaraan geen afbreuk.

De eerste rechter heeft dan ook terecht besloten dat appellant niet bewijst dat het om een van belasting vrijgestelde verhuur gaat.

Het hoger beroep is ongegrond.

Dispositif

OM DIE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep ongegrond;

Verwijst appellant in de kosten ervan, deze tot op heden aan de zijde van geïntimeerde begroot op € … rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van ZESENTWINTIG MEI TWEEDUIZEND EN VIJF

waar aanwezig waren :

de heer E. H., Voorzitter

mevrouw A. W., Raadsheer

de heer E. L., Raadsheer

mevrouw G. V., Griffier.

Op het ogenblik van de uitspraak van huidig arrest, waarover Plaatsvervangend Raadsheer E. B. mede beraadslaagd heeft overeenkomstig art. 778 Ger.W., wordt deze magistraat, die thans wettig verhinderd is, vervangen door Raadsheer A. W., hiertoe aangewezen overeenkomstig art. 779 Ger.W ., bij beschikking van de Eerste Voorzitter van het Hof van beroep te Antwerpen in datum van heden.

G. V. E. L. A. W. E. H.