Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Corps de la décision
Jugement du Tribunal de première instance de Bruges dd. 23.12.2003
Droit d'exercer une activité professionnelle - Différences avec la location immobilière
Un assujetti a conclu deux conventions portant sur un bâtiment qui, selon lui, ne constituent pas des locations de biens immeubles mais des conventions en vertu desquelles le droit d'exercer une activité professionnelle a été concédé au cocontractant. Les cocontractants ne disposeraient pas d'un droit exclusif de jouissance sur les locaux fermés, les espaces ne seraient pas fermés, de sorte qu'il ne serait pas pertinent d'examiner si des clés ont été mises à la disposition des cocontractants et si les espaces se chevauchent.
Le tribunal constate, après lecture des conventions, que, dans les deux cas, l'essence de ce qui a été convenu entre parties (et qui a dû être voulu) est la mise à disposition de parties déterminées du complexe immobilier de l'assujetti. La mise à disposition d'espaces communs est seulement accessoire: chacun des contrats concède la disposition d'espaces qui ne peuvent être utilisés par quelqu'un d'autre, et c'est sur ses espaces que portent principalement les contrats. La mention, dans les deux conventions, que personne n'a un droit d'exclusivité sur un espace fermé et que le public a toujours un droit de passage entre les différentes exploitations, est manifestement consciemment voulue aux fins de donner au contrat la qualification de concession du droit d'exercer une activité professionnelle. De plus, les prétendues "activités professionnelles" que les cocontractants de l'assujetti pouvaient exercer dans le bâtiment sont, il est vrai, énumérées, mais pas d'une manière bien délimitée, et l'assujetti lui-même n'exerçait aucune activité dans le bâtiment durant la période en question.
Alleensprekend rechter: M. Vandeputte
Advocaten: Mr. Gheysen, Mr. Werbrouck
N.V. B.
tegen
de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën
I. Procedure
De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 2 december 2003, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.
De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.
De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten:
1. de gedinginleidende dagvaarding van 21 april 2000;
2. de conclusie voor verweerder van 8 mei 2001;
3. de conclusie voor eiseres van 1 februari 2002;
4. de conclusie voor verweerder van 22 oktober 2002;
5. de conclusie voor eiseres van 2 mei 2003;
6. de conclusie voor verweerder van 30 september 2003;
7. de conclusie voor eiseres van 21 oktober 2003 en
8. de conclusie voor verweerder van 12 november 2003.
Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.
II. De bijzonderste gegevens van de zaak
1. De feiten die relevant zijn voor het geschil
Eiseres is sinds 31 december 1992 eigenares van een gebouw te Knokke.
Op het moment van de aankoop bestond er een handelshuurovereenkomst voor een sportwinkel in een deel van het gebouw; die overeenkomst werd door eiseres behouden.
Eiseres sloot met betrekking tot dat onroerend nog twee andere overeenkomsten.
Op 6 december 1993 ging eiseres met de heren B.V. en J.P. een overeenkomst aan voor twaalf jaar vanaf 1 januari 1994, waarin staat dat die personen de ruimten, met een oppervlakte van ongeveer 700 m kunnen gebruiken voor het uitbaten van een fitness-klimmuur-recreatieruimte met bargelegenheid, met mogelijkheid tot het organiseren van recepties en feestelijkheden - zonnebank - sauna - jacuzi - verkoop van aanverwante uitrusting.
Met mevrouw K.G. sloot eiseres op 22 oktober 1994 voor de duur van achttien jaar van 1 maart 1995 tot eind februari 2013 een overeenkomst waarmee aan die medecontractante de grote hall en sanitaire installaties op de eerste verdieping, met toegang langs de achterkant van het gebouw (...) en de verbinding met het gelijkvloers voor eventueel gebruik van de sanitaire installaties en keuken aldaar ter beschikking werden gesteld, dit laatste in samenspraak met de gebruiker op het gelijkvloers.
Naar aanleiding van een B.T.W.-controle bij eiseres voor de periode van 9 april 1993 tot 31 december 1995, heeft verweerder geoordeeld dat de twee door eiseres afgesloten overeenkomsten als verhuringen van onroerende goederen moeten worden beschouwd. Daarom zou de B.T.W. op de investeringen die op de betrokken ruimten betrekking heeft, niet mogen afgetrokken worden. In het proces-verbaal dat uiteindelijk op 12 april 1999 werd opgemaakt, werd een bedrag van 3.594.653 frank (89.109,12 euro) B.T.W. verschuldigd verklaard meer een verminderde proportionele boete van 359.000 frank (8.899,38 euro) en meer de wettelijke interest vanaf 21 januari 1996.
Bij gebreke aan betaling werd op 14 april 1999 voor dezelfde bedragen een dwangbevel uitgevaardigd dat op 15 april 1999 geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd door de Gewestelijke Directeur. Met een aangetekende brief van diezelfde datum werd het dwangbevel aan eiseres ter kennis gebracht.
Op 31 maart 2000 werd beslag onder derden gelegd op basis van dat dwangbevel op een tegoed van eiseres bij de Ontvanger van de Directe Belastingen te Kortrijk 3 voor een bedrag van 7.814 frank (193,70 euro).
Met de dagvaarding van 21 april 2000 deed eiseres verzet tegen het genoemde dwangbevel en stelde zij haar huidige vordering in.
2. De vorderingen van de partijen
Eiseres vordert dat de rechtbank het bestreden dwangbevel zou vernietigen en haar zou ontheffen van alle veroordelingen die in dat dwangbevel tegen eiseres zijn uitgesproken.
Subsidiair vraagt eiseres dat de vordering van verweerder met 279.859 frank (6.937,50 euro) B.T.W. zou verminderd worden, dit naast de boeten en interest op dat bedrag.
Uiterst subsidiair vordert eiseres dat de rechtbank de vordering van verweerder zou verminderen met 163.859 frank (4.061,96 euro) B.T.W., dit naast de boeten en interest op dat bedrag.
Nog subsidiair vordert eiseres het bewijs met getuigen te mogen leveren.
Eiseres vordert ook dat de rechtbank de teruggave zou bevelen van alle ten onrechte ingehouden of ingevorderde bedragen vermeerderd met de interest vanaf datum van inhouding of betaling.
Eiseres vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten en dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar zou verklaren bij voorraad, zelfs wanneer een rechtsmiddel zou worden aangewend, zonder dat de uitvoering afhankelijk kan gesteld worden van een borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement.
Verweerder vordert dat de vordering van eiseres door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond, met dien verstande dat zij zelf een rechtzetting doet waardoor haar vordering teruggebracht wordt tot een bedrag van 3.268.935 frank (81.034,78 euro) B.T.W., 326.000 frank boete en de wettelijke interest daarop. Hij vordert ook dat eiseres zou verwezen worden in de gerechtskosten.
III. Beoordeling
1. De ontvankelijkheid van de vordering
Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.
2. De grond van de vordering
2.1. Stelling van eiseres
Volgens eiseres zijn de twee betreffende overeenkomsten die zij afsloot, geen verhuringen van onroerende goederen maar overeenkomsten waarmee het recht op de uitoefening van een beroepswerkzaamheid aan de medecontract wordt verleend. Bijgevolg zou er geen vrijstelling van B.T.W. zijn en werd volgens haar de aftrek van de B.T.W. op de leveringen en diensten die zij met betrekking tot die ruimten gedaan had, ten onrechte geweigerd.
Eiseres stelt dat haar medecontractanten geen exclusief recht van genot op de gesloten lokalen hebben. De ruimten zouden zelfs niet afgesloten zijn zodat het niet relevant zou zijn of er al dan niet sleutels aan die medecontracten ter beschikking worden gesteld. De ruimten zouden door elkaar lopen. De contracten zouden passen in een concept waarin de bezoekers van het complex naar keuze van verschillende sport- en ontspanningsaccommodaties gebruik kunnen maken. Die bezoekers zouden daarbij eigenlijk niet merken dat er verschillende overeenkomsten zijn omdat alles door elkaar loopt.
Bovendien, zo voert eiseres aan, wordt in de overeenkomsten wel duidelijk vermeld welke beroepswerkzaamheid door haar medecontractanten mag uitgevoerd worden. Desnoods vraagt eiseres om een plaatsbezoek en/of een getuigenverhoor te houden.
De overige argumenten van verweerder zijn volgens eiseres niet relevant. Zij zouden niet van aard zijn om een onderscheid tussen enerzijds een verhuring van een onroerend goed en anderzijds het verlenen van een recht om ergens een beroepswerkzaamheid uit te oefenen, te kunnen maken.
Eiseres benadrukt ook dat naar de tekst van de overeenkomst moet gekeken worden. In de beide overeenkomsten staat uitdrukkelijk dat niemand het exclusiviteitsrecht op een gesloten ruimte heeft en het publiek steeds doorgang moet hebben tussen de verschillende uitbatingen die in het sportcomplex kunnen uitgeoefend worden. In de overeenkomst met mevrouw G. wordt bovendien vermeld dat de overeenkomst nooit kan aangezien worden als een huurovereenkomst.
Subsidiair stelt eiseres dat, indien de rechtbank het relevant zou vinden te weten of zij zelf nog een activiteit uitoefende in het gebouwencomplex, er dan mee rekening moet gehouden wordt dat zij in 1994 daar nog een activiteit had. Daarom zou de vordering van de administratie met 279.859 frank (6.937,50 euro) moeten verminderd worden.
Uiterst subsidiair voert eiseres aan dat er hoe dan ook geen reden was om de volledige aftrek van B.T.W. voor het jaar 1994 te verwerpen, omdat zij het recht op aftrek had voor het gedeelte dat zij in dat jaar nog zelf exploiteerde, namelijk 15 procent van het gebouw. Vanuit die optiek berekent eiseres dat het bedrag dat aan verweerder verschuldigd is, zou moeten verminderd worden met 163.859 frank (4.061,96 euro).
2.2. Stelling van verweerder
Volgens verweerder zijn de overeenkomsten verhuringen van een onroerend goed.
Verweerder voert daartoe de volgende 6 argumenten aan.
- De medecontractanten van eiseres hebben het exclusief recht van genot op gesloten lokalen die in de overeenkomst uitdrukkelijk zijn bepaald. Ook al blijkt uit de overgelegde plannen dat er bepaalde gemeenschappelijke ruimtes zijn die niet exclusief zijn en dat de ingang voor alle medecontractanten dezelfde is, toch sluit dat volgens verweerder de kwalificatie als huurovereenkomst niet uit. Hij verwijst naar de verhuring in een appartementsgebouw met gemeenschappelijke delen. Volgens verweerder bewijst dat per contract het rustig huurgenot wordt verstrekt aan de medecontractant. Dat zou het wezen zelf zijn van een onroerende verhuur.
- De medecontractant heeft op om het even welk ogenblik toegang tot de ter beschikking gestelde ruimtes en hij heeft daartoe een sleutel.
- Eiseres oefent zelf geen activiteit uit in de ter beschikking gestelde ruimtes. Dat is volgens verweerder normaal wel het geval wanneer het gaat om het verlenen van een recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen.
- De duur van de overeenkomsten.
- De prijs wordt jaarlijks aangepast aan het indexcijfer.
- De prijs is niet afhankelijk van het zakencijfer dat gerealiseerd wordt in het onroerend goed.
- De Wet op de Handelshuur is niet uitdrukkelijk uitgesloten in de overeenkomsten.
Verweerder argumenteert ook dat de overeenkomst die vroeger al bestond en waarvan niet betwist wordt dat het om een handelshuur gaat, in wezen niet verschilt van de betwiste overeenkomsten.
2.3. Beoordeling
De rechtbank stelt bij lezing van de overeenkomsten vast dat in beide gevallen de essentie van wat tussen de partijen overeengekomen is (en bedoeld moet zijn) de beschikking over bepaalde delen van het gebouwencomplex van eiseres is. Het is onmiskenbaar dat enkele van de delen van het gebouw zowel voor de heren V. en P. en hun klanten enerzijds en voor mevrouw G. en haar klanten anderzijds beschikbaar waren. De beschikking over die ruimten is evenwel slechts bijkomend: elk van de overeenkomsten geeft de beschikking op ruimten die door niemand anders kunnen gebruikt worden en het zijn die ruimten waarop de overeenkomsten in hoofdzaak betrekking hebben. De vermelding in de beide overeenkomsten dat niemand exclusiviteitsrecht op een gesloten ruimte heeft en dat het publiek steeds doorgang heeft tussen de verschillende uitbatingen, zijn kennelijk bewust bedoeld om aan de overeenkomst een kwalificatie te geven van het verlenen van het recht om een beroepsactiviteit uit te oefenen. Het is immers niet mogelijk om een klimmuur, een sauna, een solarium, een sauna, een jacuzzi, een squashlokaal uit te baten of turn- en andere lessen te geven, zonder over de specifieke ruimte te kunnen beschikken zonder dat de exploitant en zijn klanten daar gestoord worden. De vergoeding die deze medecontractanten aan hun klanten konden vragen, is daarom hoofdzakelijk een vergoeding voor het gebruik van het onroerend goed. Zelfs al zijn er enkele ruimten gemeenschappelijk - wat duidelijk het geval was - dan nog sluit dat de kwalificatie als een huurovereenkomst niet uit (vgl. een studentenhuis met gemeenschappelijke sanitaire voorzieningen en keuken). Er blijkt immers dat er in elk van de twee overeenkomsten ruimten zijn - overigens de belangrijkste - die alleen in die overeenkomst opgenomen zijn. Dat brengt een exclusief recht op gebruik van die ruimten met zich voor de betreffende medecontractant.
In het licht van die overwegingen en gelet op de overgelegde plannen van het gebouwencomplex, is de rechtbank voldoende ingelicht over de feitelijke toestand en is er geen reden om in te gaan op het aanbod van eiseres om een getuigenverhoor en/of een plaatsbezoek te houden.
Voorts bieden de teksten van de betreffende overeenkomsten geen steun om de versie van eiseres aan te nemen dat er sprake was van een totaal concept waarin de bezoekers uit de verschillende sportactiviteiten - ongeacht de opsplitsing in de contracten van eiseres - konden kiezen. De folder (K. Nieuwsbrief) die eiseres voorlegt (haar stuk 7) dateert van 1998 en kan dus geen uitsluitsel geven over de toestand in de relevante periode (1994 en 1995), terwijl eiseres ook nalaat om de overeenkomsten uit 1998 voor te leggen.
Bovendien zijn de zogenaamde «beroepsactiviteiten» die de medecontractanten van eiseres konden uitoefenen in het gebouw weliswaar opgesomd, maar niet op een afgebakende manier. In de overeenkomst met V. en P. kon de ruimte gebruikt worden als «recreatieruimte». Dat is in wezen onbeperkt. In de overeenkomst met G. is sprake van «aanverwante sportbeoefening» en «aanverwante activiteiten». Ook hier is een brede invulling mogelijk.
In de voorbeelden die verweerder geeft waarin traditioneel aanvaard wordt dat er sprake is van een recht op de uitoefening van een beroepswerkzaamheid, namelijk toiletuitbating en de uitbating van een vestiaire, gaat het steeds om een beroepswerkzaamheid waarbij de klant aan die medecontractant gebruik maakt van de aanwezigheid van mensen die daar alom een andere reden zijn. De vergoeding die betaald wordt aan die medecontractanten slaat niet zozeer op het gebruik van het onroerend goed maar op de service (bewaking, onderhoud en schoonmaken van toiletten of het bewaken van jassen). In wezen betreft het een beroepswerkzaamheid die de persoon die het recht verleent (en die het recht op het onroerend goed heeft) verkiest niet zelf te doen maar aan een derde overlaat.
Verweerder laat dan ook niet zonder reden gelden dat eiseres zelf geen activiteit uitoefende in het gebouw in 1994 en 1995. Zelfs al zijn er hoe dan ook twee overeenkomsten die elkaar naar het publiek toe aanvullen, toch blijft de kern en de essentie van de betreffende overeenkomsten het ter beschikking stellen van een ruimte tegen vergoeding waarbij eiseres aan haar medecontractanten moet garanderen dat zij van die ruimten ongestoord gebruik kunnen maken voor de afgesproken bestemming. Het gaat in die omstandigheden om een onroerende verhuring. De hoofdvordering van eiseres is dus ongegrond.
Ook de ondergeschikte vorderingen van eiseres zijn ongegrond. Deze vorderingen steunen op de veronderstelling dat eiseres in 1994 zelf het onroerend goed voor een deel zou geëxploiteerd hebben. Verweerder ontkent die bewering met klem en eiseres legt geen enkel bewijs voor van een eigen exploitatie door eiseres in 1994.
3. De gerechtskosten
Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet zij de gerechtskosten dragen.
4. Uitvoerbaarheid bij voorraad
Nu de vordering van eiseres niet kan ingewilligd worden, heeft een voorlopige tenuitvoerlegging voor haar geen nut. Ook dat deel van de vordering is dus ongegrond,
Dispositif
IV. Uitspraak
De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.
Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk maar wijst ze af als ongegrond.
De rechtbank verwijst eiseres in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast:
aan de zijde van verweerder:,
terwijl de kosten aan de zijde van eiseres niet moeten vastgesteld worden vermits ze door haar zelf moeten gedragen worden.
De rechtbank wijst de vordering met betrekking tot de voorlopige tenuitvoerlegging af als ongegrond.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.